Juan Gabriel Vásquez Een column van Gabriel García Márquez inspireerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez tot een biografische roman over een vrouw die in Parijse ballingschap stierf van heimwee. „Haar vrijheid werd constant aangevallen en dat heeft haar beschadigd.”
Juan Gabriel Vásquez
Op donderdagavond 8 januari 1982 zakte de Colombiaanse beeldhouwer Feliza Bursztyn (48) in een Russisch restaurant in Parijs in elkaar, nog voor zij iets te eten had kunnen bestellen. Bursztyn was uitgeweken naar de Franse hoofdstad nadat het Colombiaanse regime haar het leven thuis onmogelijk had gemaakt. Zoiets was eerder gebeurd met linkse landgenoten zoals een van haar tafelgenoten die avond – de schrijver Gabriel García Márquez. Twee weken later schreef hij een column in El País over de dood van Bursztyn: een harde aanval op wat Colombia haar had aangedaan. Uiteindelijk was zij, schreef hij, „van verdriet gestorven”.
Veertien jaar later woonde de jonge Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez (1973) in Parijs en zocht hij iets lichts om de wachtkamertijd te doden die voortvloeide uit een aantal medische onderzoeken die hij moest ondergaan. Het werd een bundel columns van García Márquez, waarin hij diens stuk over Bursztyn aantrof. „Het fascineerde me. Ik had nog nooit van haar gehoord en ik vroeg me af of dat mogelijk was, sterven van verdriet.”
Juan Gabriel Vásquez: De namen van Feliza. (Los nombres de Feliza) Vert. Brigitte Coopmans. Meulenhoff, 320 blz. € 24,99
Vásquez was destijds nog niet helemaal ‘af’ als schrijver, zegt hij nu, dertig jaar later. „Ik had net mijn eerste roman af, maar daarin wilde ik veel te veel kwijt. Daarna schreef ik een boek waarin ik te veel wegliet. Pas later vond ik mijn vorm als schrijver, toen ik me realiseerde wat mijn onderwerp was: hoe de Colombiaanse geschiedenis, met het constante politieke geweld, inwerkt op de levens van individuele mensen.”
Inmiddels is Vásquez een internationale sterauteur. Sinds hij doorbrak met De informanten (2004) geldt hij als een van de grootste Latijns-Amerikaanse auteurs van zijn generatie. Zijn werk wordt over de hele wereld vertaald, hij heeft nu zelf een column in El País. Met die faam is de vergelijking met García Márquez, de Nobelprijswinnaar van 1982, een constante in Vásquez’ literaire leven geworden, al is het maar om de verschillen aan te wijzen.
Vásquez is een paar dagen in Amsterdam om De namen van Feliza te promoten, de biografische roman die bijna veertig jaar later is voortgevloeid uit het lezen van die ene column. Meer dan over de vraag of een mens kan sterven van het verdriet („dat is het type diagnose die een medicus niet kan stellen, maar een schrijver wel”) gaat het boek over het verlangen naar onafhankelijkheid. Feliza Bursztyn (1933-1982) werd geboren in een Joods gezin dat voor de nazi’s uit Europa naar Colombia was gevlucht, trouwde jong met een Amerikaan, kreeg drie kinderen, maar weigerde zich te voegen in een huisvrouwenbestaan. Ze scheidde, werd tegen de klippen op kunstenaar, bij voorkeur werkend met staal en schroot, waarbij het vele laswerk haar gezondheid aantastte. Ze verloor een geliefde door een vliegtuigcrash, raakte zelf zwaargewond bij een auto-ongeluk en werd onophoudelijk dwarsgezeten door de autoriteiten, die haar voor een communiste hielden.
„Aanvankelijk was mijn belangstelling vooral psychologisch van aard. Hoe kan iemand sterven van verdriet? Ruim tien jaar geleden realiseerde ik me dat het verhaal van Feliza Bursztyn me nog steeds niet had losgelaten en dat ik dus een roman over haar moest schrijven. Ik ben erg trouw aan mijn obsessies. Toen ging de antenne omhoog. Maar om redenen die ik zelf moeilijk uit kan leggen, vond ik dat ik het boek pas kon schrijven als ik de leeftijd had bereikt waarop zij stierf, 48.”
„Ik begin mijn boeken altijd als een journalist. Het begint met het verhaal van iemand in wie ik geïnteresseerd ben. Daarna komt de historicus, omdat mijn boeken zich vaak in het verleden van Colombia afspelen. Daarna volgt de romancier. Zijn enige taak is om datgene op te schrijven wat de journalist en de historicus niet kunnen zeggen. Er zijn kleine hoeken in de ervaringen van mensen waar de historicus niet bij kan, die niet empirisch te meten zijn. Ik probeer me met de verbeelding een weg in iemands leven te banen.”
„Soms hangt die samen met de wispelturigheden van het menselijk geheugen. Ik heb drie mensen gesproken die erbij waren toen Feliza stierf. Een van hen vertelde dat ze overleed en op de grond viel. Een vriend van haar zei dat ze tegen zijn schouder aan zakte, maar zijn vrouw beweerde juist weer dat ze op háár schouder viel. Als romanschrijver mag ik dan kiezen. Zo geven romans het verleden vorm. Als ik naar het Lima van de jaren vijftig wil, dan pak ik Gesprekken in de kathedraal van Vargas Llosa, als ik naar de napoleontische oorlogen wil, dan lees ik Oorlog en vrede.”
„Als ik een roman over bestaande personen schrijf, voel ik de verantwoordelijkheid om ze recht te doen. Tegelijkertijd probeer ik dat gevoel te onderdrukken om mijn verbeelding niet in de weg te zitten. Het beeld dat we van het verleden hebben is mede gefilterd door grote romans; ik denk dat grote romans wijzer zijn dan hun schrijvers. Middelmatige romans trouwens ook. De namen van Feliza weet dingen over vrouwen, over kunstenaars, die ik als schrijver niet weet. Ik vertrouw het land van de fictie; dat is magisch – het laat je verder kijken dan je zelf zou kunnen.”
„Dat is de fetisj van de realistische roman. En het levert wonderlijke toevalligheden op. Ik ontving een beurs om in Parijs aan dit boek te werken. Toen ik op mijn eerste werkdag de ramen van mijn studio opende, bleek ik uit te kijken op de school waar Feliza in de jaren vijftig architectuur en beeldhouwen heeft gestudeerd, waar ze les heeft gehad van Ossip Zadkine. Ik wilde daar natuurlijk naar binnen, maar werd tegengehouden bij de deur. Er mochten alleen studenten in. Dus heb ik me aangemeld voor een cursus beeldhouwen. Ik heb daar een bijzonder lelijk hoofd gemaakt. Daardoor weet ik zeker dat ik een mislukkeling ben als beeldhouwer, maar dat persoonlijke onderzoek heeft me wel veel over Feliza geleerd.”
„Ik ben op zoek gegaan naar welke getuigen nog in leven waren en de eerste was Pablo de Leyva. Ik sprong in het diepe en vertelde hem dat ik een roman over Feliza Bursztyn wilde schrijven. Mijn geluk was dat hij mijn roman Het retrospectief kende en dat hij dus een idee had van waar ik naar op zoek was. We begonnen met praten. Na een paar sessies begon hij zich dingen te herinneren die hij vergeten was, pijnlijke dingen die hij geprobeerd had te vergeten. Dat was een van de mooiste momenten voor mij; dat is een van de meest genereuze dingen die iemand voor je kan doen.”
„Ja, dat was onderdeel van het ongeschreven contract dat we hadden. Ik weet uit eerdere ervaringen dat dat een groot risico is; het is belangrijk dat diegene weet wat een roman is. Er zullen altijd nieuwe dingen in zo’n manuscript staan, die mensen dingen laten begrijpen die ze daarvoor niet zagen. Dus je geeft het ding uit handen en hoopt er het beste van.”
„Hij heeft een aantal aanvullingen gedaan en wees op een aantal verkeerde interpretaties. Daar is het boek beter van geworden. Het is een dunne lijn, want je wilt niet dat mensen hun eigen leven gaan herschrijven. Gelukkig heeft hij nergens geprobeerd zichzelf of Feliza in een gunstiger licht te zetten. Want als romanschrijver ben je op zoek naar mensen met al hun ambiguïteiten, zwakheden en verkeerde beslissingen.”
„Er is een antwoord op die vraag, maar het lastige is dat zoals bij elke roman – in elk geval elke roman die ik interessant vind – het antwoord de hele roman van 300 bladzijden is. Je schrijft geen roman om die vervolgens tot een enkele zin te reduceren.”
„Het was mij vanaf het begin aan duidelijk dat dit een boek zou worden over een vrouw die haar leven niet door anderen wilde laten bepalen. Iedereen vertelde haar hoe ze een echtgenote en moeder moest zijn, hoe een vrouw kunstenaar kon zijn, hoe ze linkse ideeën kon hebben in een burgerlijke maatschappij… Alle krachten in haar bestaan probeerden haar te vormen, maar ze wilde zichzelf vormen. Haar vrijheid werd constant aangevallen en dat heeft haar beschadigd. Ik wilde weten hoe hoog de prijs is die ze daarvoor heeft betaald.”
„Er bestaat een zekere spanning tussen mijn boeken en die van García Márquez. Literatuur is in zekere zin een contactsport. Je bokst tegen de woorden die het meest voor je hebben betekend en García Márquez heeft twee of drie meesterwerken in mijn taal geschreven, dus daar moet je je onvermijdelijk toe verhouden. Aan de andere kant ben ik geboren in Bogotá, een stad op 2600 meter hoogte die hij haatte en kwam hij uit een Caribisch dorp van nog geen 5.000 inwoners. Het was onvermijdelijk dat ik andere voorbeelden ging zoeken.”
„Toen eenmaal duidelijk was dat García Márquez een rol in het boek zou spelen, besloot ik daar dan maar een beetje plezier mee te hebben. In zijn boeken komen nauwelijks lange gesprekken voor. Zijn karakters spreken in oneliners; dat laat ik hem in mijn boek ook doen. Colombiaanse lezers herkennen dat meteen. Het geeft mij de kans om ironische distantie te scheppen en tegelijkertijd de meester eer te bewijzen.”
„Ik heb inderdaad het grootste deel van mijn volwassen leven elders gewoond; dat is niet ongewoon voor Latijns-Amerikaanse schrijvers. Omdat ik zo geobsedeerd ben door Colombia, kan het zwaar op me drukken om daar te zijn. Je kunt geestelijke vrijheid veroveren door afstand te scheppen tussen jezelf en je obsessies.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews