De theaterwereld is de laatste jaren rigoureus veranderd. De grenzen tussen makers en spelers vervagen, en dat vraagt andere kwaliteiten van acteurs. Toneelscholen spelen daarop in. ‘Acteurs doen niet maar één ding.’
schrijven voor de Volkskrant over theater.
‘O, was ik maar even groot als mijn verdriet, of kleiner dan mijn naam.’ In een lokaal op de zesde verdieping van de Amsterdamse Toneelschool buigen zes studenten zich aan een tafel over Gerrit Komrijs vertaling van Shakespeares treurspel Richard II. Onder leiding van acteur en gastdocent Ludwig Bindervoet oefenen ze met het metrum van de Engelse toneelschrijver, de jambische pentameter.
Bindervoet geeft aanwijzingen over tempo, klemtonen en adempauzes. ‘Acteurs zijn vaak geneigd om na een komma even pauze te nemen, maar bij Shakespeare is dat een valkuil. Omdat bij hem negentig procent van de betekenis pas aan het eind van de zin staat, moet je altijd naar de punt toe praten.’
De studenten van de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie volgen deze middag het keuzevak ‘verzen’. Een soort ‘vergetengroenteles’, zegt Bindervoet, in de praktijk worden er nauwelijks nog Shakespeares in de originele jamben opgevoerd. Toch heb je er veel aan, benadrukt hij, want je oefent met tekstbehandeling, ademhalingstechnieken en analyse. ‘Dat is ook belangrijk als je modern toneel speelt.’
Bindervoet heeft gelijk: de tijd dat acteurs vooral mastodonten als Shakespeare, Tsjechov en Ibsen spelen, is voorbij. Het theaterlandschap is de laatste jaren diverser, persoonlijker en interdisciplinairder geworden.
In tal van bejubelde theatervoorstellingen vervaagt de grens tussen teksttoneel, muziektheater en dans. Voor toonaangevende gezelschappen als Nite, Internationaal Theater Amsterdam en Orkater is dit ‘interdisciplinair theater’ inmiddels een handelsmerk.
Acteurs noemen zichzelf vaker ‘makers’: ze creëren zelf het materiaal dat ze spelen (zoals Sadettin Kirmiziyüz, Elvis de Launay of collectieven als Dieheleding of Konvooi).
Dit is deels geboren uit noodzaak. Van oudsher hadden veel steden een eigen toneelgezelschap met een vast ensemble, waar acteurs na hun afstuderen bij terechtkonden. Die ensembles, en dus ook de vaste contracten, zijn grotendeels verdwenen. Meer acteurs moeten daarom als zelfstandig ondernemer hun eigen werk creëren.
Toneelscholen moeten inspelen op deze nieuwe realiteit, die andere kwaliteiten vraagt van nieuwe aanwas. Hoe doen ze dat? En gaat er niet ook iets van het klassieke ambacht van toneelspelen verloren? De Volkskrant ging langs bij vier toneelscholen om te kijken hoe dat tegenwoordig in zijn werk gaat, acteurs opleiden.
Terwijl Bindervoet zich met zijn studenten over Shakespeare buigt, geeft filmregisseur Daan Groot verderop in de gang het vak ‘camera-acteren’. Hij gebruikt daarvoor het script van de Amerikaanse HBO-dramaserie Euphoria. Hij bespreekt de innerlijke worstelingen van de personages met de studenten, die ze de komende weken zelf gaan vertolken.
Tegelijkertijd geeft cabaretier Sanne Wallis de Vries een paar verdiepingen lager het vak ‘praten voor publiek middels comedy’. ‘Ik noem het bewust geen stand-upcomedy, want dat schept allemaal pretenties die alleen maar in de weg zitten.’
Studenten moeten vanmiddag zo enthousiast mogelijk vertellen over iets waaraan ze een hekel hebben. In korte improvisaties bejubelen ze persoonlijke ergernissen als slappe handjes, uitpuilende veerponten en participatietheater. Zo leren ze ironie in te zetten als stijlmiddel, legt Wallis de Vries uit.
Deze opleiding is ontstaan uit een fusie tussen een ‘klassieke’ toneelschool en een kleinkunstopleiding. Het idee erachter is dat je ook een betere repertoire-acteur wordt als je leert om in alle kwetsbaarheid te stand-uppen. Andersom hebben cabaretiers in spe er baat bij als ze via de Griekse klassieker Antigone hun acteertalent ontwikkelen.
‘Doorlussen’, heet dat in Amsterdams toneelschooljargon. Of je nu les krijgt in Shakespeare of hedendaags muziektheater, het hangt allemaal met elkaar samen. Acteurs die aan de opleiding afstuderen, begeven zich moeiteloos tussen bijvoorbeeld toneel, film en kleinkunst (Isabelle Kafando, Laura Bakker, Sarah Janneh) of teksttoneel en muziektheater (’Ntianu Stuger, June Yanez).
Naast de verplichte vakken krijgen de studenten snel ruimte om hun studie zelf vorm te geven, zegt speldocent Marwan Kenzari: ‘Ze komen binnen met een bepaald idee over hoe ze zichzelf als acteur zien, maar ontdekken vaak dat hun talenten ook liggen waar ze het niet verwacht hadden.’
Dat geldt bijvoorbeeld voor Hajar Fargan, die twee jaar geleden afstudeerde en nu de titelrol in Hedda van Toneelschuur Producties vertolkt. Toen ze als eerstejaars binnenkwam, zag ze zichzelf vooral als een speler die zelf materiaal wilde maken. Op de opleiding ontdekte ze dat ze ook tot haar recht komt als acteur in andermans werk. ‘Dat had ik nooit gedurfd als me dat niet op school werd aangereikt.’
In Arnhem, 100 kilometer oostwaarts, moedigt speldocent Irma Nijenhuis tijdens een improvisatieles de studenten aan hun impulsen te herkennen en de ruimte te geven. ‘Niet blokkeren, volg die woede! Dat is je brandstof, dus kijk maar wat het oplevert. Vertrouw op je intuïtie.’
De tweedejaarsstudenten van de acteursopleiding van Artez volgen vanmiddag de les ‘vrij spel’, waarin vier studenten drie kwartier lang een scène improviseren. Ter voorbereiding moesten ze zelf bedenken wat hun karakter typeert, wat hun relatie is tot de andere personages en wat ze in de scène willen bereiken.
Of ze dat ook gebruiken tijdens de improvisatie mogen ze ter plekke bepalen, zegt Nijenhuis: ‘Onthoud goed, je speelt niet je verleden, maar het heden. Blijf in de situatie.’
Dat is het doel van de les, licht ze naderhand toe: de studenten leren spelen wat er is, in plaats van wat er niet is. ‘Vaak hebben ze de neiging om te voldoen aan een beeld dat ze bedacht hebben. Ik leer ze om te gaan met het moment zoals het zich voordoet.’
Dat ‘vertrekken vanuit het moment’ is typerend voor de Arnhemse stijl, denkt student Jonatan Groot (21). ‘Vroeger dacht ik dat acteren vooral transformeren was, nu weet ik: het zit al in me, ik moet het vinden en gebruiken.’
Volgens zijn klasgenoot Mark Scholten (20) komt dat principe in alle lessen terug. ‘Acteren begint bij mezelf. Als ik weet waarom ik iets doe, komt het spelen vanzelf.’
De acteursschool in Arnhem heeft iets weg van een metrostation. Het moderne gebouw bevindt zich onder de grond, ingeklemd tussen de oevers van de Rijn en het centraal station. Een lange, witte gang heeft aan weerszijden lokalen. Er is een kostuumhok vol curieuze kleding en snuisterijen, en er zijn drie grote theaterzalen.
In de eerste jaren wordt er volledig gefocust op ambacht en techniek. In tegenstelling tot op de toneelschool in Amsterdam, wordt in Arnhem aanvankelijk nauwelijks gewerkt met gastdocenten uit het werkveld. Vanaf het derde jaar komt er met buitenschoolse projecten en stages meer aandacht voor het ‘makerschap’ van de studenten: wat hebben ze als kunstenaar te vertellen?
De opleiding heeft tal van gerenommeerde acteurs afgeleverd, van Kitty Courbois tot Jacob Derwig en Romana Vrede. Daarnaast staat de school te boek als hofleverancier van nieuwe theatercollectieven: onder meer Collectief Blauwdruk, Blond & Cynisch en Collectief Absoluut komen ervandaan. Zij bedenken gezamenlijk hun concepten, schrijven samen de teksten en spelen er vervolgens zelf in.
Best opvallend, vindt Nijenhuis, omdat de opleiding zich meer richt op het acteursambacht dan op makerskwaliteiten. Wel leren de studenten vanaf het begin dat acteren niet alleen het uitvoeren is, maar ook ‘scheppen’, benadrukt ze.
Daarmee bedoelt ze dat het méér is dan het zo goed mogelijk uitvoeren van de tekst of de aanwijzingen van een regisseur, en dat een acteur veel eigen inbreng heeft in de invulling van een rol of het verloop van een scène. Dat past bij de huidige opvattingen in het werkveld, waar vaker een assertieve houding wordt verwacht van acteurs.
De toneelschool in Arnhem werkt bewust ‘vanuit het ensemble’, zegt Nijenhuis. ‘We leren studenten met elkaar in gesprek te gaan, ervaringen te delen. Je leert niet alleen door zelf te spelen, maar ook door naar de ander te kijken en feedback te geven: wat heb je gezien en wat betekent dat? Voor degenen aan de kant moet de les net zo opwindend zijn als voor de studenten op de vloer.’
‘Gisteren gaf ik een les ondernemerschap aan de derdejaars acteurs’, zegt speldocent Rob Ligthert in de kantine van de Toneelacademie Maastricht. ‘Nog maar twee van de twaalf studenten gaven daarin aan dat ze ‘gewoon willen spelen’. De andere tien willen ook schrijven, regisseren of filmen. Dat zie ik als oogst van onze nieuwe koers als school.’
De Toneelacademie Maastricht is in transitie. Van oudsher stond de acteursopleiding bekend om de ‘Maastrichtse methode’, met een grote focus op het trainen van lichaam en stem. Die leidde tot technisch begaafde acteurs, zoals Pierre Bokma, Halina Reijn en Elsie de Brauw. Maar met het oog op het veranderde werkveld, waarin plekken voor klassiek geschoolde acteurs schaars zijn, maakte de school twee jaar geleden een radicale ommezwaai.
Met 35 studenten in het eerste jaar, waarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen acteurs, regisseurs, performers en vormgevers (de vier opleidingen), kiest de school nu expliciet voor ‘meerstemmigheid’, zegt speldocent Joost Horward. ‘Daarmee spelen we in op wat we zien in het werkveld: acteurs doen niet maar één ding, maar hebben verschillende artistieke praktijken naast elkaar.’
Horward heeft de hele middag vergaderd over de eerstejaars. De koerswijziging wordt met wisselend enthousiasme ontvangen. ‘Het is nog zoeken naar de balans. Op dit moment is de speelvloer wel heel erg uit zicht geraakt, en de wereld heel erg in zicht. We willen dat ze zich actief verhouden tot de wereld omdat hun kunstenaarschap daar uiteindelijk over moet gaan.’
In het oude klooster aan het kabbelende water van de Jeker was de afwezigheid van die buitenwereld lang juist een speerpunt. Ver weg van de randstedelijke drukte konden studenten zich vier jaar lang ongestoord op hun opleiding storten.
Het kloppende hart van de school is het interne amfitheater, ‘de arena’ genoemd. Hier ontmoeten de studenten elkaar. Ze zijn met relatief weinig, vergeleken met andere toneelscholen. Elke donderdag verplaatsen ze zich naar de naastgelegen stamkroeg de Tribunal, waar ze op de houten tafels dansen – een van de vele Maastrichtse tradities.
Op deze regenachtige januaridag zitten derdejaars Juna de Leeuw (24) en Eefje Kruijtzer (22) in de kantine. Tijdens de les van Ligthert hoorden zij bij de tien die wel wat zien in een brede beroepspraktijk. Zij hebben niet het idee dat het ten koste zou gaan van hun spelkwaliteit.
De Leeuw: ‘Ik zag mezelf in eerste instantie niet als maker, maar de school daagt je uit om die kant van jezelf te ontdekken. Door zelf te gaan maken, begrijp je beter hoe een regisseur denkt. Ik geloof dat ik daar juist een betere acteur van word.’
De gemiddelde toneelschoolauditant droomt nog altijd van het acteurschap in de klassieke zin van het woord, erkent Horward: ‘Het vak acteur heeft iets mythologisch, het suggereert vrijheid en roem. Een niet-burgerlijk bestaan. Maar we moeten studenten toch een beetje wekken uit die droom: je bént geen acteur, je komt hier ontdekken wat voor acteur je wórdt.’
In een groot, grijs spellokaal staan de elf tweedejaarsstudenten van de Utrechtse acteursopleiding rond speldocent Ellen Goemans. Samen buigen ze zich over het script dat ze in haar handen heeft: een zelfgeschreven, radicale bewerking van Reigen, een nogal geil toneelstuk van de Oostenrijkse schrijver Arthur Schnitzler.
‘Blijf luisteren naar elkaar’, zegt Goemans als iedereen een plekje zoekt op de speelvloer. Terwijl de studenten flirterige zinnen in rap tempo achter elkaar opzeggen, bewegen ze zich langzaam naar elkaar toe. Ze strijken elkaar door de haren en strelen elkaars gezicht. De scène mondt uit in een elfkoppige orgie met luid orgastisch gekreun. Het genot komt bruut ten einde als een student een elleboog in haar gezicht krijgt en met een bloedneus naar het toilet rent.
De keuze voor dit stuk komt voort uit de wens van de klas om zich vrijer te voelen op de vloer, en elkaar daarbij meer aan te raken. ‘Dat probeer ik nu met ze op te zoeken’, zegt Goemans. ‘Zo gebruiken we de reflecties van studenten meteen in onze lessen.’
De Hogeschool voor de Kunsten Utrecht ligt aan het Janskerkhof in het centrum van Utrecht. Naast de acteursopleiding huisvest de school onder andere opleidingen voor toneelschrijvers, decorontwerpers en theaterdocenten. Er is veel samenwerking, ‘interdisciplinair’ werken geldt als het Utrechtse toverwoord, zegt Goemans: ‘Theater maken doe je samen, en acteurs moeten leren hoe ze in een team opereren.’
Tijdens de repetitie vraagt ze meermaals aan de studenten wat ze er zelf van vinden. Want een afgestudeerde acteur moet een ‘makende speler’ zijn, vindt ze. ‘We vinden het persoonlijke engagement van een acteur heel belangrijk. Dat iemand kan sparren met een regisseur over artistieke keuzes. Daarvoor is het nodig dat acteurs zich verdiepen in het materiaal. Ze moeten niet alleen hun tekst kennen, maar ook nadenken over hoe ze zich verhouden tot die tekst, en wat die tekst betekent in de wereld van nu.’
‘Het eerste jaar was vooral jezelf ontdekken, comfortabel worden op de speelvloer en het leren herkennen van je eigen trucjes’, zegt student Thijs de Ruijg (21) tijdens een korte pauze. ‘Ik heb nog steeds de neiging om te veel uit te zoomen tijdens het spelen, waardoor ik soms boven de situatie ga hangen en niet goed ‘in het moment’ ben.’
Het tweede jaar draait minder om het individu. Voor de kerst kregen de studenten de les ‘personagestudie’, waarbij hun innerlijke dragqueen vertolkten en elkaar vervolgens ontmoetten op de speelvloer. ‘Zo gaat het toch weer over samenspel’, zegt De Ruijg.
In het derde en vierde jaar ontwikkelen acteurs een eigen profiel en worden ze langzaam klaargestoomd voor het werkveld. Ze doen een project met de Amsterdamse Filmacademie, gaan op stage en maken vaak een eigen afstudeervoorstelling. Hieruit ontstaan soms succesvolle collectieven: recentelijk het feministische Club Lam en het eigenzinnige Non Creators Company.
De school moedigt ze aan om bij alles wat ze doen belangrijke mensen uit het werkveld (regisseurs, producenten) uit te nodigen. Zo bouwen ze al tijdens hun opleiding een netwerk op – cruciaal in het kleine theaterwereldje.
Als de bloedneus onder controle is, laat Goemans de acteurs de scène nog eens spelen terwijl de groep in een halve kring staat, en daarna nog eens terwijl ze ‘als één ademend organisme’ op een hoopje op de grond liggen.
Na de repetitie verontschuldigt Goemans zich: ‘Het was een beetje chaos vandaag.’ Om daar snel aan toe te voegen: ‘Maar dat is eigenlijk precies zoals het moet zijn.’
Het kan ook anders…
Veel acteurs hebben aan een van de vier hbo-toneelscholen gestudeerd, maar er zijn tal van andere manieren om succesvol toneelspeler te worden. Zo zijn er verspreid over het land ook tientallen mbo-theateropleidingen, soms met een specifieke focus, zoals circustheater of musical.
Ook hebben veel gerenommeerde acteurs het vak in de praktijk geleerd. Zoals Daniël Kolf, die zowel de toneelschool in Arnhem als in Amsterdam vroegtijdig verliet. Hij sleepte vorig jaar de belangrijkste toneelprijs Theo d’Or in de wacht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant