Home

Het is weer tijd voor de schoolkeuze: ‘Mondige ouders willen vaak het schooladvies opplussen’

Ouders kunnen hun kinderen vanaf woensdag inschrijven voor een middelbare school. Maar scholen maken zich zorgen over de tendens om zo ‘hoog mogelijk’ te beginnen. ‘Baat het niet, dan schaadt het wél.’

‘Hier ruikt het altijd naar deodorant’, zegt Alice Binnendijk terwijl ze voorgaat door de hal langs de gymzaal. De docent Nederlands leidt ‘groep geel’ rond door de gangen van het Mendelcollege in Haarlem. Onwennige ouders, nog onwenniger kinderen van 11, 12 jaar: misschien ligt hun toekomst na de grote vakantie wel hier.

In een razend tempo gaat het van tweetalig onderwijs naar een lesje Frans. In een ander lokaal wacht een virtuele rondleiding met VR-brillen: ze zien een klas tijdens biologie en Grieks, met een pauze tussendoor. Buiten het tekenlokaal hangt een spreuk van Picasso: ‘Ieder kind is een kunstenaar.’

Een moeder wil weten of kinderen ook Spaans kunnen kiezen. De vragen zijn vaak dezelfde, zegt Binnendijk: hoe groot zijn de klassen (26 tot 29 leerlingen), zijn er ook tussenuren in de brugklas, en, steeds vaker: wat biedt de school kinderen met dyslexie?

Voor de 12-jarige Diya is het al de achtste school die hij bezoekt. In groep 7 begon zijn tournee. In Zuid-Kennemerland moeten kinderen vanwege het lotingssysteem een top-7 opgeven. Bovendien, zegt zijn moeder Steffie: ‘Het is een belangrijke keuze. Je loopt er straks toch vijf of zes jaar rond.’

De andere kant

Vanaf woensdag kunnen ouders hun kinderen inschrijven voor de middelbare school. De afgelopen jaren draaide het onderwijsdebat om één woord: kansengelijkheid. Onderadvisering moest worden bestreden. Met name meisjes, plattelandsleerlingen en kinderen met een migratieachtergrond kregen te vaak een lager advies dan hun prestaties rechtvaardigden, bleek uit onderzoek van de Onderwijsinspectie.

De invoering van de doorstroomtoets in 2024 moest dit corrigeren. Deze eindtoets in groep 8 werd belangrijker gemaakt voor het middelbareschooladvies. Als een leerling de toets beter maakt dan het voorlopige schooladvies van de leerkracht, dan moet de school het definitieve advies in principe naar boven bijstellen.

Ongeveer een derde van de leerlingen komt dankzij hun toetsresultaat in aanmerking voor bijstelling, blijkt uit cijfers. Driekwart van hen krijgt daadwerkelijk een opgeplust advies.

Tot zover de goede bedoelingen. Maar scholen maken zich in toenemende mate zorgen: slaat de slinger niet door naar de andere kant?

Wie met schoolleiders spreekt, hoort een opvallend eensgezind geluid. Het onderwijsveld is er al jaren van doordrongen dat ‘hoger’ niet automatisch ‘beter’ betekent. Een kind dat vanaf de brugklas op z’n tenen moet lopen, blijft geregeld steken, stroomt ‘af’ en begint zijn middelbareschooltijd met een teleurstelling. Scholen zien dagelijks wat dat doet met de motivatie, het zelfvertrouwen en soms de mentale gezondheid van hun leerlingen.

Aan de keukentafel klinkt echter vaak nog een ander refrein. Daar geldt: hoe hoger het advies, hoe beter de toekomstkansen. Het idee dat vwo meer waard is dan mavo of vmbo blijft hardnekkig.

Scholen zien dat ouders daarom bereid zijn veel te investeren in die ‘betere’ uitgangspositie. Bijvoorbeeld met dure bijles en toetstraining, of door ‘er toch nog eens over te praten’ met meester of juf. De overtuiging is dat een hogere opleiding later meer inkomen en status oplevert. Wat er gebeurt als het kind het niveau niet aankan, is een zorg voor later.

Kies met je hart

Om dit patroon te doorbreken, lanceerden gemeenten en middelbare scholen in de regio Kennemerland en Haarlemmermeer vorige maand een campagne: #kiesmetjehart. Die wil laten zien hoe divers het voortgezet onderwijs is, en vooral dat het belangrijkste is een school en niveau te kiezen passend bij het kind. ‘Kinderen ervaren veel druk tegenwoordig, terwijl een schooladvies een startpunt is en geen eindpunt’, zegt wethouder Marjolein Steffens-van de Water (Haarlemmermeer).

De campagne richt zich specifiek op ouders. In het filmpje wordt expliciet de trend benoemd dat zij nogal eens de neiging hebben kinderen zo hoog mogelijk te plaatsen. ‘Ouders willen allemaal het beste voor hun kind. Maar de vraag is vooral: wat is dan het beste?’, vraagt directeur Wietse Algera van de Julianaschool in Overveen zich hardop af.

Op de open dag van het Mendelcollege lijkt die boodschap te zijn doorgedrongen, al speelt sociale wenselijkheid ongetwijfeld een rol. Ouders benadrukken dat het hun vooral om passend onderwijs gaat, niet om het hoogste niveau.

Sebastiaan Voorn vroeg het tijdens het oudergesprek toch maar eens: aan welk niveau moesten ze denken voor zijn dochter Maud (11), die nu in groep 7 zit? Hij lacht. ‘Daar kwam geen antwoord op.’ De basisschool kiest er bewust voor om toetsresultaten niet te koppelen aan een advies, omdat die zo’n eenzijdig beeld geven. ‘Dat vind ik eigenlijk heel positief.’

Maud weet zelf al wel wat ze wil: mavo/havo. ‘Ik denk dat dat goed bij me past.’ Ze houdt van lezen – Carry Slee en Marjon Hoffman – en van topografie. Hoe ze weet wat bij haar past? Ze denkt even na. ‘Gewoon... je passie voelen. En kijken wat je goed kan en wat minder.’

Opplussen

Toch laten cijfers een minder ontspannen beeld zien dan ouders hier geven. Uit een inventarisatie van de PO-Raad blijkt dat het opplussen van schooladviezen relatief vaker gebeurt in regio’s met veel hoogopgeleide ouders. Basisscholen signaleren dat mondige ouders, doorgaans goed geïnformeerd over de regels rond verplichte bijstelling, vaker aandringen op heroverweging.

Ook is er in die regio’s minder schroom (en bovendien meer financiële ruimte) om te investeren in bijlessen. Het paradoxale resultaat: juist waar onderadvisering minder speelt, worden adviezen relatief vaak naar boven bijgesteld.

Zuid-Kennemerland is zo’n gebied, zegt Liesbeth Hans. Ze is rector-bestuurder van het Atheneum College Hageveld in Heemstede. Waar onderadvisering misschien nog steeds een probleem is in de grote steden of op het platteland, speelt volgens haar in regio’s met veel hoger opgeleide ouders iets anders: ‘De prestatiedruk die ouders en daarom ook kinderen ervaren om koste wat het kost naar het vwo te gaan.’

Hoe hoger, hoe beter: de overtuiging is hardnekkig, ziet Hans. Hageveld is een categoraal vwo. ‘Als blijkt dat de leerling, na alle ondersteuning en eventuele huiswerkbegeleiding die wij als school bieden, het niveau niet aankan, komt het welzijn van de leerling in het geding en is het beter om van niveau te wisselen.’ In het geval van Hageveld betekent dit dat leerlingen naar een andere school moeten. ‘Dat ligt voor sommige ouders gevoelig.’

Brede scholen

Aan klassieke open dagen doet het Mendelcollege sinds een paar jaar niet meer, vertelt rector Jan-Mattijs Heinemeijer. ‘Dan staat er een ballonnenboog, een poffertjeskraam en zijn de ramen gelapt. Maar zo ziet de school er op een gewone schooldag niet uit. Vanmiddag kun je de broodkorsten zien liggen.’

Het Mendelcollege is een van de weinige brede scholen in de regio met mavo-, havo- en vwo-klassen en zogenoemde dakpanbrugklassen (twee niveaus bij elkaar). ‘Ik geloof er heilig in dat het beter is voor kinderen dat ze elkaar blijven ontmoeten’, zegt Heinemeijer. ‘Anders krijg je een situatie dat ze zaterdag samen voetballen, maar elkaar doordeweeks niet zien.’

Brede scholen worden echter zeldzamer. Naast gymnasia zijn er categorale vwo’s. Vmbo-afdelingen worden geregeld ‘weggezet’ in een apart gebouw. Volgens Heinemeijer leidt dat tot ‘enorme afroming’. ‘Het is het lot van onze vrije onderwijskeuze: ouders hebben de laatste stem. En die kiezen voor hun kind liever een categoraal vwo dan een brede school. Er zit echt een stigma op het woord mavo.’

Krijgt een leerling een voorlopig mavo-advies, dan klinkt het thuis soms: ‘Dat kan niet, we hebben allebei gestudeerd.’ Bijlessen en toetstraining volgen. De doorstroomtoets versterkt die reflex, denkt de rector, vanwege de smalle focus op taal en rekenen en de bijstelinstructie. ‘Je wordt niet slimmer, maar je schuift wel op in de rangorde.’ Als het vervolgens niet past, komt de klap later. ‘Dan is er thuis ontzettend veel ellende.’

Het zit zelfs in de taal, zegt hij. ‘Je moet naar de mavo, je mag naar het vwo.’ En als het misgaat heet dat ‘afstromen’: je hebt het niet gered. ‘Dat zijn pijnlijke opmerkingen voor kinderen.’

Opvangbed

De tendens werkt ook door aan de andere kant van het spectrum, zegt Henk Post. Hij is directeur van Dunamare, een bestuur in de regio Zuid-Kennemerland met veel praktijkonderwijs- en vmbo-scholen, en enkele brede scholen. Ook Post heeft de indruk dat te veel leerlingen te ‘hoog’ inzetten, mede onder druk van ouders.

Hij merkt het aan de instroom. Die is relatief hoog op de mavo (de theoretische leerweg van het vmbo), maar juist laag in de meer beroepsgerichte stromingen (vmbo-b en -k). ‘Die zien we helemaal leeglopen.’ Tegelijkertijd is de ‘afstroom’ al jaren hoog, zegt Post. De leerlingen die het op de mavo niet redden, komen zo als zij-instromer alsnog terecht in de meer beroepsgerichte leerwegen.

Het vmbo fungeert vaak als ‘opvangbed’, zegt José Mulder. De zelfstandig onderwijsonderzoeker doet op verzoek van Stichting Platforms vmbo onderzoek naar de gevolgen van de doorstroomtoets voor vmbo-scholen. Met name de beroepsgerichte leerwegen – basis, kader en gemengde leerweg – vangen leerlingen op die eerder met een tl-, havo- of tl/havo-advies zijn begonnen. ‘Een leerling die op het randje zit, begint bijvoorbeeld in een tl/havo-klas. Als die leerling de toetsen niet haalt, ligt hij er zo weer uit.’

Dat patroon is niet nieuw. Wie het op havo of vwo niet redt, stroomt traditioneel ‘af’ naar mavo of een beroepsgerichte leerweg. ‘Maar scholen hebben nu het gevoel dat het vaker gebeurt.’ Tegelijkertijd waarschuwt Mulder voor te snelle conclusies. De meeste leerlingen over wie het nu gaat, kregen nog geen door de doorstroomtoets bijgesteld advies. ‘We kunnen het dus niet een-op-een aan de doorstroomtoets koppelen. De structurele effecten zien we pas de komende jaren.’

Wat wel is veranderd, is de verplichting voor basisscholen om een hoger toetsadvies in principe over te nemen. ‘Sommige scholen doen dat vrij automatisch, andere worstelen ermee. Er is weinig reflectie op waarom dat hogere advies eerder niet werd gegeven.’

Daardoor worden meer leerlingen met een ambitieus advies binnengehaald door mavo-, havo- en vwo-scholen. ‘Dat voelt aantrekkelijk: je leerlingenaantal groeit. Maar als de begeleiding tekortschiet en de overgangsnormen niet worden gehaald, worden leerlingen relatief makkelijk weer doorgeschoven. Dan komen ze op het vmbo terecht.’

Verschillen tussen scholen en regio’s zijn groot, benadrukt Mulder. Sommige vmbo-scholen nemen iedereen aan, zelfs gedurende het schooljaar, andere stellen grenzen om klassen niet te ontregelen. In kleinere plaatsen, met maar een paar scholen, is het makkelijker om onderling afspraken te maken. In grotere steden, met scholen die elkaar beconcurreren, is dat ingewikkelder. ‘Daar zie je dat sommige scholen veel leerlingen verliezen en andere juist overvraagd raken.’ Leerlingen die nergens terechtkunnen, moeten soms uitwijken naar een andere stad.

Baat het niet, dan schaadt het niet, zou je kunnen denken. Maar zo werkt het niet, zegt schoolbestuurder Post. ‘Leerlingen beginnen hun schoolloopbaan met een faal-ervaring.’ Bovendien, zegt hij: beroepsgericht leren is echt anders. ‘De zij-instromers komen in het examenjaar binnen, maar zijn de manier van lesgeven en de hoeveelheid vakken helemaal niet gewend.’

Het gevolg is dat ze relatief vaak helemaal geen diploma halen. ‘Baat het niet, dan schaadt het dus wel. Al die ouders willen het beste voor hun kind. Maar dat is lang niet altijd de uitkomst.’

Lekker dichtbij

In de hal van het Mendelcollege loopt de rondleiding op z’n einde. Voor de kinderen is er een zakje chips en wat te drinken.

Sebastiaan Voorn en Maud bezoeken vooral open dagen van brede scholengemeenschappen. ‘Dan kun je nog alle kanten op’, zegt Voorn. Maud weet in elk geval al wat ze later wil worden. Ze lacht haar slotjesbeugel bloot. ‘Juf’, klinkt het stralend. ‘Echt nooit aan beginnen’, grapt haar vader, die zelf docent is.

Diya haalt zijn schouders op als hem wordt gevraagd waar hij op let bij een school. ‘Gewoon of het een leuke school is.’ Het Schoter, ook in Haarlem-Noord, is zijn eerste keus. Toevallig dezelfde school waar zijn moeder ooit heenging. Toen was het nog simpel, zegt ze: ‘Mijn vriendinnen gingen er ook heen. En het was lekker dichtbij.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next