Picasso als poseur De tentoonstelling ‘Theatre Picasso’ in Tate Modern in Londen gaat over de vraag in hoeverre je een publieke persoonlijkheid kunt beheersen – en hoe moeilijk dat is, zelfs voor een persoonlijkheidskanon als Picasso.
Picasso-performance van Maurizio Cattelan in Beijing, China, 2021, op zijn tentoonstelling The Last Judgement bij het UCCA Center for Contemporary Art.
Kijk daar zit Pablo Picasso. Al moet je wel goed kijken voor je hem herkent – Picasso, hij is het echt, draagt een opvallend slecht zittende pruik van lang zwart haar, kijkt olijk in de camera en steekt een sigaret op. Het filmpje, gemaakt door Man Ray, is het begin van de expositie Theatre Picasso in Tate Modern. We zitten er dus meteen lekker in: de samenstellers, curator Enrique Fuenteblanca en kunstenaar Wu Tsang, zeggen met deze tentoonstelling te willen kijken hoe Picasso, de grote Picasso, zijn publieke persoonlijkheid vormgaf, hoe hij zijn imago probeerde te sturen – en vragen zich af in hoeverre hij daarin uiteindelijk is geslaagd, zeker nu hij de afgelopen jaren óók steeds meer is uitgegroeid tot symbool van culturele toe-eigening en van vrouwenhaat.
Fantastisch onderwerp dus. Picasso als performer, als poseur, en dan beginnen met die pruik.
Maar ik dacht eigenlijk meteen aan Maurizio Cattelan.
In de serie ‘Wereldkunst’ schrijft kunstcriticus Hans den Hartog Jager maandelijks over kunst die hem opvalt. Lees meer afleveringen van Wereldkunst.
Cattelan, u weet wel, de kunstenaar-komiek die met zijn banaan-met-ducttape misschien wel het beroemdste kunstwerk maakte van de afgelopen tien jaar. Van het metershoge beeld van een opgestoken middelvinger voor de beurs van Milaan. Van de massief gouden wc, waarde een miljoen of twaalf, titel America, in bruikleen aangeboden aan president Trump. Over deze Cattelan verscheen op Artnet een tijdje geleden een fantastisch artikel, waarin curator Massimiliano Gioni beschrijft hoe hij bijna twintig jaar lang ‘Maurizio Cattelan was’. En nee, dit is niet overdreven. „Van 1997 tot 2006 schreef ik al zijn teksten en persberichten”, schrijft Gioni, „deed ik honderden interviews namens hem en tientallen televisieoptredens en gaf ik in zijn plaats lezingen in theaters en universiteiten over de hele wereld.” Dit klonk zo raar dat ik wat googelde en inderdaad: in een trailer voor de Cattelan-documentaire Be right back (2019) zien we niet Cattelan voortdurend in beeld, maar Gioni (die zelf tegenwoordig trouwens behoorlijk bekend is als artistiek directeur van het, net heropende, New Museum in New York).
Gioni beschrijft ook hoe hij het aanpakte. Dat hij maar wat deed („Ik citeerde, citeerde verkeerd, en verzon dingen, afwisselend eerlijk en baldadig.”) Dat hij véél vrijheid kreeg („Ik had carte blanche en kon zeggen wat ik wilde, hoewel – na ieder interview – Maurizio wel wat suggesties had.”) Hoeveel Cattelan hem betaalde (500 dollar per maand). En hoe ze zelfs in Berlijn een tijdje samenwoonden en Gioni elke ochtend toekeek hoe Cattelan een ontbijt van komkommers verorberde. Het enige waar Gioni wat schimmig over blijft is de vraag in hoeverre de buitenwereld de persoonsverwisseling accepteerde. Zagen ze het verschil? Snapten ze de ‘grap’? Gioni laat wel vallen dat een student zo boos was over zijn optreden dat ze haar collegegeld terug eiste, maar benadrukt verder vooral dat hij niet probeerde Cattelan te zijn: zijn favoriete quote tijdens de interviews was, naar eigen zeggen „Er zijn geen feiten, alleen interpretaties” (gepikt van Nietzsche).
De drie dansers van Picasso uit 1925 in de Tate Modern op de expositie Theatre Picasso
Wat Gioni’s bekentenis voor mij zo fascinerend maakt, is dat zijn verhaal me deed beseffen dat Cattelans oeuvre, toch een van de meest spraakmakende van de afgelopen dertig jaar, in al z’n spot en chaos en rijkdom, eigenlijk altijd gaat over de vraag wat een persoonlijkheid is. Waaruit bestaat ‘persoonlijkheid’ eigenlijk? Weet je zelf ooit wie je bent? En, ook niet onbelangrijk: kun je je eigen persoonlijkheid veranderen, sturen – manipuleren?
Die laatste vraag heeft voor de hedendaagse kunst vrij veel betekenis, omdat ‘persoonlijkheid’ zo ongeveer de kern is van de romantische kunsttraditie, die nog steeds voor een belangrijk deel onze blik op kunst bepaalt. Die gaat ervan uit dat het werk van een kunstenaar ontstaat vanuit haar of zijn unieke persoonlijkheid – en dat die persoonlijkheid kenbaar is. Picasso is daarvan het allergrootste, allesoverheersende voorbeeld: een koningkeizerkunstenaar die elke stijl naar z’n hand zette, en de kunstwereld zo’n zeventig jaar domineerde met dat gigantische ego van hem waar alles en iedereen alleen maar amechtig tegenop kon kijken.
Cattelan, zou je kunnen zeggen, is vervolgens een van de kunstenaars die, door van zichzelf een onnavolgbare kunstenaar-komiek te maken, het begrip persoonlijkheid het beste in twijfel trekt. Neem zijn beeld van een eekhoorn die zelfmoord heeft gepleegd (met een héél klein pistooltje), van de paus die door een meteoriet wordt getroffen, en van een wassen Hitler (net kleiner dan de echte) die al knielend om vergiffenis vraagt.
Cattelan maakte ook een werk over Picasso: in 1998 doet hij in het MoMa in New York een performance waarbij een acteur, uitgedost als de ultieme cliché-Picasso (karikaturaal Picasso-masker over zijn hoofd, blauw-wit gestreept shirt) de museumbezoekers als een soort Walibi-kangoeroe welkom heet. Iedere bezoeker wordt door ‘Picasso’ uitbundig begroet, hij doet een dansje, gaat met ze op de foto.
En hoe absurd ook: hierdoor zette Cattelan je wel aan het denken over de vraag welke Picasso je daar in het MoMA nou eigenlijk gaat bekijken. De virtuoze kunstenaar wiens schilderijen de uiting zijn van een uniek wereldbeeld? Of eigenlijk vooral de ster, het pop-icoon, hét twintigste-eeuwse symbool van de Heel Grote Kunstenaar die, als-ie nu zou leven, ongetwijfeld vooraan zou zitten bij de nieuwe Prada-show en het Met Gala in New York?
Zo komen we terug bij Theatre Picasso. Curator Fuenteblanca en kunstenaar Tsang stellen in Tate Modern eigenlijk dezelfde vraag: waar kijken we naar als we naar Picasso kijken? Zijn kunst? Persoonlijkheid? Roem? Daarbij was het een uitstekend idee van Tate om juist deze twee curatoren te vragen: Fuenteblanca is een nog niet heel bekende, maar aanstormende theoreticus, terwijl Tsang een van de interessantste kunstenaars is van het moment, wier (film)installaties meestal gaan over thema’s als identiteit en persoonlijkheid, maar dan vanuit queer- en transperspectief.
Dat maakt hun keuze om de tentoonstelling te openen met het Picasso-met-pruik-filmpje extra interessant, want Picasso blijkt hier Carmen te spelen, de hoofdpersoon uit Bizets gelijknamige opera, die geldt als de al te vrijgevochten, ‘exotische’ femme fatale die door haar jaloerse minnaar wordt vermoord – terwijl Tsang al jaren werkt aan een groot Carmen-opera- en filmproject waarin ze de clichématige en geconditioneerde blik op het personage Carmen gelaagder en minder eendimensionaal probeert te maken.
Juist door Tsang haar visie op Picasso te laten geven zet het museum ook de deur open voor de meer recente kritiek op Picasso: dat hij weliswaar een groot kunstenaar was, maar in die rol ook wel héél makkelijk heen walste over niet-westerse kunstenaars, en over vrouwen. Neem komiek Hannah Gadsby die, eerst in haar programma Nanette (‘I hate Picasso! I hate him!’), en vervolgens in de tentoonstelling It’s Pablo-matic in het Brooklyn Museum in New York, Picasso onomfloerst neerzette als een misogyne hufter. Het resultaat daarvan was overigens opvallend: ondanks de tijdsgeest, ondanks het feit dat de tijd wel rijp leek voor zulke kritiek, werd Gadsby’s tentoonstelling breed neergesabeld als plat en oppervlakkig. Blijkbaar is het niet zo makkelijk om over Picasso heen te walsen – laat staan over zijn reputatie.
Tsang en Fuenteblanca pakken het dan ook intelligenter aan. Hun kritiek op Picasso beperken ze vooral tot de catalogus – waarin ze onder andere de hiervoor genoemde redenen opsommen waarom je Picasso zou kunnen wantrouwen. Maar ze geven ook toe dat het niet makkelijk is om tot de kern van zijn bedoelingen door te dringen. Daarvoor is de mythe (net als bij Carmen trouwens) te groot. Was hij vaak simpelweg te goed, en waren zijn uitspraken en daden soms ook weer tegenstrijdig.
Dat dilemma lossen ze in de tentoonstelling vervolgens geweldig op door niet het dilemma zelf tot het onderwerp te maken, maar door Picasso te gaan bekijken als ‘performer’, als de kunstenaar die zijn publieke persoonlijkheid als een kunstwerk beheerde, of misschien nog wel beter: als poseur.
Ik moest daarbij meteen denken aan mijn favoriete Picasso-foto (die in Tate helaas ontbreekt), gemaakt door de journalist David Douglas Duncan. Picasso, 81 al, staat op het bordes van zijn kasteel in Vauvenargues. Hij is naakt, op een enorme witte onderbroek na waarin zijn geslacht pronkt als een van zijn stierenkop-sculpturen – over zijn arm ligt een geelgroene badjas, naast hem staat zijn Afghaanse hond Kabul, die het imago van absoluut heersende kunstkeizer nog eens benadrukt. De foto is zo ver over the top dat je gaat twijfelen aan de bedoeling ervan. Is dit ernst – was hij echt zo erg? Of zit er ook zelfspot in?
Deze dubbelzinnigheid is ook de leidraad van Theatre Picasso. In de tentoonstelling lijken Tsang en Fuenteblanca zijn werk volkomen te respecteren – zozeer zelfs, dat veel Tate-bezoekers vermoedelijk niet eens doorhebben dat ze zich op een Picasso-kritische tentoonstelling bevinden. Maar wie ervoor openstaat ziet de hints wel degelijk. Picasso-met-pruik, natuurlijk. Al die virtuoze tekeningen van wulpse, naakte vrouwen – zijn dat er niet, nou ja, véél? Of neem Picasso’s affiniteit met het theater, waarin Fuenteblanca en Tsang hem zelf langzaam tot een acteur maken, een poseur, zoals in de film The Mystery of Picasso (1956) waarin hij zogenaamd ‘live’ een kunstwerk vervaardigt. Virtuoos, zeker, en ook best indrukwekkend – alleen: is het werk dat er uitkomt eigenlijk óók niet een beetje onder de maat, zeker in vergelijking met de geweldige werken die er nu in Tate omheen hangen?
Pablo Picasso (met hoed en sigaret) in 1965.
Door deze gelaagdheid tillen Fuenteblanca en Tsang het onderwerp meteen ook boven Picasso uit. Theatre Picasso wordt vooral een tentoonstelling over de vraag in hoeverre je een publieke persoonlijkheid kunt beheersen – en hoe moeilijk dat is, zelfs voor persoonlijkheidskanon Picasso. Door te beginnen met het pruikenfilmpje besef je als toeschouwer óók dat thema’s als persoonlijkheid, gender en sekse langzaam een heel andere lading hebben gekregen –niet alleen door het oeuvre van Wu Tsang zelf, maar ook door het werk van kunstenaars als Vaginal Davis en Jade Guanaro Kuriki-Olivo en vele anderen die met hetzelfde onderwerp werken maar het benaderen vanuit een queer- of transidentiteit.
Hier, in Tate, besef je dat er voor deze kunstenaars bij het onderwerp ‘persoonlijkheid’ veel meer op het spel staat: niet louter een tamelijk vrijblijvend spel zoals bij Picasso, maar juist, vooral, óók, een complexe, soms bittere, soms bevrijdende existentiële werkelijkheid. En je beseft ook dat als je een tentoonstelling over dit onderwerp zou maken en Picasso hier naast Davis en Kuriki-Olivo zou zetten, de grote kunstkeizer ineens de kleine kunstenaar zou zijn – want hierover heeft hij simpelweg minder te vertellen.
In die tentoonstelling, trouwens, zou ook Maurizio Cattelan niet mogen ontbreken – en eigenlijk ook Massimiliano Gioni niet. Zijn Artnet-artikel eindigt roerend als hij er na vijftien jaar ‘trouwe dienst’, onverwacht achter komt dat hij niet langer Cattelans enige dubbelganger is – Cattelan is ook met anderen gaan werken. Natuurlijk, Gioni had dit kunnen weten, ongrijpbaarheid, verdubbeling zijn tenslotte de kern van datzelfde oeuvre dat hij al honderden keren heeft uitgelegd. En tóch steekt het hem, deze ‘doorverdubbeling’. Daarmee geeft Gioni mooi aan hoe moeilijk het is het idee van de enkelvoudige persoonlijkheid los te laten, zowel voor de kunstenaar als voor zijn publiek.
Theatre Picasso is nog tot en met 12 april te zien in Tate Modern, Londen.De tekst van Massimiliano Gioni verscheen naar aanleiding van de publicatie van Beware of Yourself, een boek met Maurizio Cattelans verzamelde teksten.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden