Deugdethiek Het pleidooi voor de deugden van Beatrice de Graaf en Rik Peels past in een filosofische traditie, schrijft Sjoerd de Jong. Maar of die deugden wel daadwerkelijk passen in de dagelijkse politiek?
Och, waren we nog maar deugdzaam. Of konden we het maar opnieuw worden.
Je móét er haast naar hunkeren als je de mooie lofzang leest van historicus Beatrice de Graaf en filosoof Rik Peels op de klassieke deugden. In lange, maar heel leesbare afleveringen kwamen ze langs, van temperantia (gematigdheid) tot fortitudo (moed) en fides (geloof). Volgens Peels en De Graaf zijn we ze uit het oog verloren. Terwijl juist die deugden, in samenhang, een remedie bieden voor „het slagveld dat de politieke arena inmiddels is geworden”.
Hun pleidooi past in een filosofische en politieke trend. Conservatieven in Europa en Amerika (van de al te bedachtzame Pieter Omtzigt hier tot de extremist JD Vance in de VS) hebben deugdethiek herontdekt als bindmiddel voor een verbrokkelde samenleving. Het blijmoedige Veronica-liberalisme van ‘gewoon jezelf zijn’ en ‘genieten’ – of, zoals De Graaf en Peels zeggen waarin mensen „alleen om zichzelf cirkelen” – is allang uitgewoond, dat is een feit.
Sjoerd de Jong is columnist voor en redacteur van NRC.
Ook filosofen hebben hernieuwde belangstelling voor deugdethiek uit de klassieke en katholieke traditie (de protestantse kerkhervormer Luther moest er niets van hebben, omdat deugdethiek de nadruk legt op menselijke vermogens in plaats van op plichten of goddelijke genade). De reeks van De Graaf en Peels is dus heel eigentijds – en wie zal er tegen zijn dat we moediger, bedachtzamer en rechtvaardiger worden?
Maar De Graaf en Peels willen die deugden juist terugzien in de politiek, en daar begint het te wringen.
Om te beginnen, wie spreken ze met hun vermaningen aan: Haagse politici, partijen, stemgerechtigden, ons allemaal? Dat is geen flauwe vraag, want de deugdethiek balanceert van oudsher op een slap koord tussen individueel karakter (deugden als eigenschappen) en collectief gedrag (deugden als, zoals De Graaf en Peels zeggen, „een bezigheid”). En wat is de verhouding tussen die twee? Een kip-ei-vraag is dan al gauw deze: deugdzaam gedrag krijg je door mensen op te voeden in een deugdzame gemeenschap. Maar om die van de grond te krijgen heb je eerst deugdzame mensen, of karakters, nodig.
En wat ís deugdethiek eigenlijk? Zijn deugden een normatief ideaal waar we naar moeten streven of empirische eigenschappen die aangeven hoe ‘goed handelen’ nu eenmaal in elkaar zit? Aristoteles, beschouwd als grondlegger van de deugdethiek, ging ervan uit dat alles wat leeft van nature een telos heeft, een doel waarnaar het streeft en waarin het zijn ontplooiing vindt. Zo is er volgens hem ook een ‘menselijke natuur’, die zijn vervolmaking vindt in de praktijk van ‘het goede leven’.
Tegenwoordig spreekt zo’n notie van een coherente menselijke natuur die ‘dicteert’ wat goed en fout is niet vanzelf. Morele normen en gedrag zijn te complex en context-gebonden om te rubriceren in een stabiele deugdencatalogus. Buiten de filosofie heeft Darwin een streep gezet door het aristotelische idee van doelgerichte ontwikkeling. Peels en De Graaf betreuren dat. Zij menen dat het met ons bergafwaarts is gegaan omdát we de klassieke deugden hebben losgelaten.
Maar ook als je die diagnose onderschrijft, mist er in hun betoog iets. Wat moeten politici ermee? Thomas van Aquino verankerde zijn deugdenleer in een bredere metafysische theorie van natuurlijke en sociale ordening. De Graaf en Peels bezweren dat het bij deugden niet gaat om kenmerken van een „perfect individu”, maar tegelijk laten ze onbehaaglijk in het midden hoe een politiek deugdzame, „harmonieuze” samenleving er dan uit zou zien. Dat zou wel moeten want deugden geven wel een richtlijn hoe je moet handelen, maar niet wat je moet doen. En daar gaat het in de politiek juist om.
Neem gematigdheid (temperantia). Die houdt in: niet blind je emotie volgen maar reflecteren op het algemeen belang en dat betrekken in je beslissingen. Dat is zeker behartigenswaardig – ware het niet dat de definitie van het algemeen belang zélf voortdurend onderwerp is van politieke strijd en controverse. Een pluriforme samenleving kent uiteenlopende visies op ‘het goede leven’ en de goede samenleving, deugdethiek heeft daar geen monopolie op.
Of moed (fortitudo). Een vraag voor deugdethici is of ook slechte mensen goed kunnen handelen (Aristoteles meende van wel, al kon je ze dan niet echt deugdzaam noemen). Zo vinden Peels en De Graaf dat je Geert Wilders niet echt ‘moedig’ kunt noemen, al trotseert hij bedreigingen aan zijn adres, want moed „dient de gemeenschap” en hij zaait alleen maar verdeeldheid. Het is een antwoord, maar wel een dat veel klinkt als het wegdefiniëren van het probleem. Een chirurg die werkt voor het geld en fraudeert met zijn belastingen doet nog steeds iets goeds als hij een patiënt redt. Deugdzaamheid is geen sine qua non voor goede daden. Ook wie denkt in deugden zal veel daden tegelijk moeten beoordelen in andere termen, zoals die van plichten of consequenties.
Dan rechtvaardigheid (iustitia). Die kan alleen bestaan binnen „de context van de gemeenschap”, lezen we. Dat lijkt tautologisch (rechtvaardigheid in je eentje betekent niets) of een bewering die vraagt om een heldere definitie van „gemeenschap”. Wanneer gaat het bij rechtvaardigheid om „de waardigheid van elk mens’’ (de hele mensheid dus) en wanneer om de concrete, historische gemeenschap „waartoe je behoort” (zoals de Nederlandse). Als streven naar iustitia alleen kan „in en voor” die laatste, wordt het verschil met het nationalistische wereldbeeld van JD Vance benauwend dun.
De hoogste deugd is die van de liefde, in de reeks christelijk geduid als agape. Dat is „de bewuste actie om de ander te respecteren en zelfs diens welzijn te zoeken, omwille van zijn bestaan als mens, niet omwille van eigen voordeel of gewin.” In de politiek betekent het „je belangeloos inzetten” (voor medemensen, kwetsbaren, de natuur en meer). Maar je inzet mag belangeloos zijn, politiek zelf is dat nooit. Daarin gaat het juist om het afwegen van botsende belangen – ook tussen verschillende groepen kwetsbaren of tussen mensen en de natuur.
Wat moeten politici dus doen? Moet de militaire steun aan Oekraïne vanuit de deugden wel of niet worden opgevoerd? Is erfbelasting wel of niet te rechtvaardigen? Of kun je met deugden al die kanten op?
Rosalind Hursthouse, een bekende eigentijdse deugdethicus, komt in haar boek On Virtue Ethics (1999), tot de slotsom dat deugdzaam handelen neerkomt op „wat een deugdzaam mens karakteristiek zou doen”. We moeten dus het goede voorbeeld volgen, zoals ooit dat van (goede) ouders of leraren. Een beetje onbevredigend advies, dat bovendien lijkt te suggereren dat wie het voorbeeld niet volgt per definitie ondeugdzaam handelt, onvolgroeid of onvolwassen. Dat lijkt geen patente manier om politieke polarisatie te dempen. Hoe krijg je mensen zo aan je kant? Overtuigen vervangen door heropvoeden?
Deugden en moraal verdienen een plaats in de politiek – de huiver voor ‘paternalisme’ of ‘betutteling’ is in Nederland doorgeschoten, dat kun je goed volhouden. Maar welke opvatting van samenleving en politiek volgt er uit de samenhangende deugden van De Graaf en Peels? Hun reeks ademt de christelijk-conservatieve geest van Pieter Omtzigts Nieuw Sociaal Contract (vreemde naam overigens, omdat deugdethici doorgaans niet over de samenleving denken als een ‘contract’), maar die beweging is nu juist politiek roemloos ten onder gegaan.
Juist voor deugdethiek knelt die vraag omdat de liberale democratie vandaag de dag onder vuur ligt van autoritaire ideologen die zich er óók graag op beroepen. Ongetwijfeld zullen De Graaf en Peels dat een pervertering vinden van de ‘ware’ deugdethiek (ze noemen, al te stellig, de lompe verwijzing van JD Vance naar de thomistisch-katholieke leer van een hiërarchie in liefde, de ordo caritatis, „onzin”).
Maar ze moeten dan wel hom of kuit geven. Hoe kan een ‘deugdzame’ politiek een dam opwerpen tegen de anti-pluralistische of autoritaire verleiding? Wat volgt uit hun deugdethiek voor de relatie tussen burgers en staat, rechten en plichten, individuele keuzes en collectieve arrangementen? Zonder zo’n uitwerking is hun lofzang op de deugden hooguit een pijnstiller, een die goed smaakt maar snel uitgewerkt raakt – en geen bijsluiter heeft over de mogelijke bijwerkingen.