Een chemicus valt na een conflict op haar werk uit met burn-outklachten. Haar baas wil van haar af. Rechters oordelen dat die ernstig verwijtbaar handelt en kennen een billijke vergoeding toe. Het hof trekt daar wel de WW-uitkering van af. Mag dat, vraagt de vrouw aan de Hoge Raad.
Een vrouw werkt sinds 2018 als klinisch chemicus in een ziekenhuis. Die functie vervult ze naar tevredenheid. In een rapportage eind 2020 scoort ze hoog op samenwerking en communicatie. Nog geen drie weken later uit een coördinator opeens wat irritaties over de samenwerking met de vrouw. Dat blijft wat in de lucht hangen, want vijf dagen later overlijdt haar vader en daarom komt het niet van verder praten. Dat lukt pas een maand later, eind januari 2021. Vlak daarna is er een gesprek met de clustermanager die meldt dat voor het managementteam een grens is bereikt. De vrouw moet een verbetertraject in. Weer drie dagen later heeft de vrouw een black-out op het werk en ze meldt zich ziek met verschijnselen van een burn-out.
De bedrijfsarts raadt het ziekenhuis aan bij de reïntegratie te zorgen voor voldoende veiligheid en het vertrouwen te herstellen zodat de vrouw het werk weer langzaamaan kan oppakken. Wordt de werkrelatie hersteld, dan kan de vrouw met een paar weken tot maanden hersteld zijn.
De werkgever onderneemt niets om de vrouw te helpen reïntegreren en na een paar maanden blijkt bij haar sprake van een zware depressie. De bedrijfsarts geeft een paar maanden later de opdracht terug, omdat het ziekenhuis weinig tot niets doet met zijn adviezen.
Het ziekenhuis stelt voor de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De vrouw wil dat niet. Ook de rechter wijst ontslag af. Het ziekenhuis gaat in beroep, maar ontslag wordt dan afgewezen op grond van het opzegverbod bij ziekte.
Terugkeerpogingen van de vrouw en een nieuwe bedrijfsarts stuiten keer op keer op tegenwerking van het ziekenhuis. Haar manager wil niet dat zij terugkeert. Een nieuwe rechtszaak volgt. Het ziekenhuis vraagt de rechtbank Noord-Nederland de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Dat doet de kantonrechter begin mei 2024. Die oordeelt daarbij dat het ziekenhuis zo waardeloos met de reïntegratie van de vrouw bezig is geweest, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Daarom kent de rechter de vrouw een billijke vergoeding van bijna 444.000 euro toe.
Het ziekenhuis gaat in hoger beroep. Ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt (in november 2024) dat het ziekenhuis ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar komt tot een veel lagere billijke vergoeding: 170.000 euro. Dat komt onder meer omdat het hof de WW-uitkering die de vrouw kan krijgen van de vergoeding aftrekt. Bovendien gaat het hof ervan uit dat de arbeidsovereenkomst zonder het verwijtbaar handelen van de werkgever nog twee jaar zou hebben geduurd, terwijl de kantonrechter in eerste aanleg uitging van drie jaar. De vrouw gaat in cassatie.
Bij de Hoge Raad draait het vooral om de vraag of het gerechtshof terecht de WW-uitkering heeft afgetrokken van de billijke vergoeding. Ja, zegt de hoogste rechter. Je moet alle omstandigheden van het geval meewegen, ook de WW-uitkering. En van al die omstandigheden – ook bijvoorbeeld de kans op een nieuwe baan – moet de rechter vervolgens beoordelen wat de invloed is op de hoogte van de billijke vergoeding. Dat heeft het hof correct gedaan, oordeelt de Hoge Raad. Het blijft een billijke vergoeding van 170.000 euro.
„Het is maatwerk”, zegt Ruben Houweling, hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law. En het wikken en wegen en de precieze hoogte bepalen, laat de Hoge Raad aan de zogeheten feitenrechter. De HR kijkt alleen of het recht goed is toegepast en of een oordeel begrijpelijk is onderbouwd.
Houweling: „Een rechter kan ook vaststellen dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en een billijke vergoeding van nul euro toekennen. Als de rechter dat goed beredeneerd doet en alle omstandigheden van het geval meeneemt, kan het zo zijn dat-ie daarop uitkomt. De Hoge Raad kijkt vervolgens alleen of de redenering klopt en alles inderdaad is meegenomen.
„Voor de vrouw voelt het niet goed. De werkgever heeft zich niet netjes gedragen en moet haar daarvoor compenseren. En dan gaat de WW ervanaf. Dat is een uitkering die de werknemer krijgt, en dat voelt nu als een bonus voor de werkgever. Want die hoeft een veel lagere ‘boete’ voor het verwijtbare gedrag te betalen. Maar ja, zegt de Hoge Raad, het is een omstandigheid die je mee moet wegen, want naast de eventuele nadelen van het ontslag, moeten ook de voordelen – zoals inkomsten uit ander werk en WW – worden betrokken. Over de precieze hoogte zegt de Hoge Raad niets.”
Dat kan trouwens wel, vertelt Houweling. Want de Hoge Raad mag ook een ‘begrijpelijkheidsoordeel’ vellen. „Als het hof zegt: de werkgever heeft zich schandelijk gedragen, ik ken een billijke vergoeding van één euro toe, dan kan de HR zeggen: onbegrijpelijk. Dan gaat de zaak terug naar een ander gerechtshof. Dan nog zegt de HR niks over wat de billijke vergoeding wél moet zijn, maar het is wel een signaal dat het niet een goede vergoeding is. Nieuwe behandeling van de zaak kan dan leiden tot ander bedrag. Of tot een betere uitleg dat die ene euro toch klopt.”
Uitspraak: Hoge Raad, 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193
Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen