Uit onderzoek blijkt fascinerend genoeg dat inwoners van Noorwegen in de donkere helft van het jaar niet minder gelukkig zijn dan in de lichte helft, sterker: een aanzienlijke groep koestert juist de donkere periode. Wat is het geheim van het wintergeluk in dit potentiële aardse paradijs?
is redacteur van de Volkskrant.
Het is kwart voor drie in de middag als er weer een magnifiek landschap in de duisternis verdwijnt. In de uren ervoor hield het licht ook al niet over. Maar ik zag silhouetten van fjorden en mistflarden over het water glijden. Ik zag donkergroene eilandjes uitgestrooid over donkergrijze baaien. De lucht was onbestemd grijs, maar vlak voor zonsondergang zag ik één eilandje met naaldbomen oplichten – alsof de zon een afscheidsgroet wilde brengen aan de zeer korte dag. Flink wat reizigers die hier niet in deze tijd van het jaar komen, noemen Noorwegen het mooiste land ter wereld – tijdens de paar uur dat het licht is zie ik genoeg om dat te kunnen begrijpen.
Blauwe winterluchten waren hier voor de opwarming van de aarde al schaars, zeggen Noren met wie ik de toestand van het klimaat doorneem. Maar sinds het klimaat verandert, is grijs de oprukkende tint tussen zonsopgang en zonsondergang. De winters worden korter en warmer, hoor ik hier ook, al is het maar wat je gewend bent. Ten noorden van Trondheim wordt het fjord zo mooi dat ik vroeg in de middag spontaan stop om er iets van vast te leggen. Even spontaan word ik door een ijselijke wind terug in de auto geblazen.
Dit is een verhaal in een onregelmatig verschijnende serie over aardse paradijzen. Die plekken zijn even verschillend als de mensen die ze voor paradijzen aanzien: van spectaculaire en extravagante steden tot afgelegen kloosters in de Himalaya. Meer afleveringen zijn hier terug te lezen.
Tot zover het landschap. Ik ben hier niet over land en zee naartoe gereisd voor Noors natuurschoon, ik ben hier voor Noors geluk, preciezer: voor Noors geluk als het daglicht schaars is. Het jaar valt in dit stuk van Europa grosso modo uiteen in een lichte en een donkere helft, in Trondheim (63 graden noorderbreedte) nog meer dan in het zuidelijker gelegen Oslo (59 graden noorderbreedte). Uit fascinerend onderzoek van de universiteit van Tromsø (70 graden noorderbreedte) blijkt dat inwoners van Noorwegen in die donkere helft van het jaar niet minder gelukkig zijn dan in de lichte helft, sterker: dat een aanzienlijke groep juist de donkere periode koestert.
De eerste inwoner van dit winterparadijs aan wie ik dit mysterie voorleg is een jogger die mij voor mijn pension in Oslo bijna omver loopt, Kjeld. Het is geen mysterie, zegt hij: ‘Het komt door onze houding ten opzichte van de donkere dagen. Wij zien de duisternis van oudsher als een vriend die je moet verwelkomen, iemand van wie je de schoonheid moet ontdekken. We zien niet op tegen de winter, zoals veel mensen zuidelijker in Europa.’
Het is door mijn bijna-botsing met Kjeld dat ik bedenk dat al die euforische joggers die je hier ziet weleens toonbeelden zouden kunnen zijn van Noors wintergeluk. In steden of in afgelegen plaatsjes: overal zijn hier mensen in donker en kou aan het sporten. Gewone voetgangers worden ook in centra van grote steden als Lillehammer en Trondheim vroeg in de avond al schaars – aan de stroom hardlopers komt geen einde, ook niet als er een erg koude wind staat, ook niet als een striemende regen overgaat in natte sneeuw, zelfs niet als je overal kunt wegglijden.
Siri, een Noorse jogger in Lillehammer, zegt: ‘Ik denk dat wij van de donkere dagen houden vanwege de contrastwerking. Nadat je buiten hebt gesport is het extra fijn om binnen te zijn. We weten hoe je donkere dagen mooi kunt maken. Ook al hebben we overal ledlicht, we zijn in Noorwegen altijd veel met kaarslicht blijven doen.’
Anneliese, een Noorse jogger in Trondheim: ‘Ik geloof dat veel Noren het echt lekker vinden in de winter buiten te zijn. We houden van het donker. We houden van de regen, de wind en de kou op ons gezicht. We zijn buitenmensen in alle seizoenen.’
Van Anneliese hoor ik iets wat ik hier nog vaker zal horen: ‘Er bestaat geen slecht weer, er bestaat alleen slechte kleding.’ Voor goede kleding moet je budget hebben. Flink wat Noren zijn kind aan huis bij prijzige outdoorketens. Het rijkste land van Noord-Europa lijkt bijna net zo veel buitensportwinkels te hebben als supermarkten.
Mutsen vinden veel sportieve inwoners aanstelleritis. Zuidelijker in Europa zie je in de herfst vaak al mutsen in het straatbeeld, gedragen door mensen die goed in hun haar zitten. Noorwegen grossiert in kale mannen die bij temperaturen onder nul blootshoofds voorbijschieten.
In Otta, tussen Lillehammer en Trondheim, loopt jogger Olav speciaal een stukje met mij op om me te wijzen op de kinderwagens die buiten voor een café-banketbakkerij staan: de moeders zitten binnen, de kinderen slapen buiten. ‘Bijna alle Noren hebben als jonge kinderen in de winter buiten geslapen. Dat doet iets met hoe je kou ervaart. Het wordt gewoon, het wordt prettig. Ook veel van onze kinderdagverblijven laten jonge kinderen midden in de winter ’s middags buiten slapen. Die kinderwagens buiten in de sneeuw zijn de basis van ons wintergeluk.’
Noorwegen: eindelijk een Noord-Europees land waar inwoners aanslaan op vragen over hun geluk.
Zowel Noorwegen, Finland als Denemarken bekleedde door de jaren heen de eerste plek in het World Happiness Report van de Verenigde Naties. Maar in Denemarken waren het bovenal dronken Denen die bereid bleken zich met mij over dit thema te buigen. In Finland, de huidige nummer één in het wereldgeluksrapport, vond ik het een opgave inwoners over hun geluk uit te horen. Eén zeer kort antwoord dat ik kreeg, ‘salmiakkikossu’, bleek een zwarte wodkacocktail. Een andere Fin zei: ‘Toen ik las dat Finland wereldkampioen geluk was geworden, dacht ik: onzin.’
Voor de volledigheid dien ik te zeggen dat ik ook van Noren soms antwoorden kreeg in de categorie: ‘Noors wintergeluk bestaat uit binnen je depressie uitzitten, aquavit drinken en vitamine D slikken.’
Ook mooi: ‘Wat jij van Noren kunt leren over geluk in de winter? Dat jij niet zo stom had moeten zijn in de winter naar Noorwegen te komen. Je had in Spanje moeten zitten.’ (Bijna 100 duizend Noorse ouderen overwinteren jaarlijks in Zuid-Europa).
Maar de groep die serieus op het thema ingaat is aanmerkelijk groter. Buitenlandse fans van de Noorse winter komen daar nog bij. In mijn pension in Oslo raak ik aan de praat met Chico, een Braziliaans geluidstechnicus uit São Paulo. Hij is een Noors jazzensemble gevolgd naar het hoge noorden en er nooit meer weggegaan: ‘Ik woon nu 500 kilometer ten noorden van Oslo in een kleine gemeenschap.
‘De winter is daar voor mij elk jaar weer een sprookje. De duisternis is er prachtig. Aan de manier waarop jij erover praat, kan ik horen dat jij die duisternis niet kent. Het is de kwaliteit van leven die een seizoen mooi maakt. In Noorwegen is de kwaliteit van leven heel hoog.’
Een paar dagen later interview ik de Noorse psycholoog en geluksonderzoeker Ragnhild Bang Nes. Iemand als Chico is geen rare uitzondering, zegt zij. Diverse keren al zag ze Zuid-Europese en Latijns-Amerikaanse gaststudenten idolaat worden van de Noorse winter.
De beroemdste buitenlandse adept van Noors wintergeluk is waarschijnlijk de Amerikaanse gezondheidspsycholoog Kari Leibowitz, auteur van de bestseller How To Winter, in het Nederlands vertaald als Over winteren (‘Overwin je winterdip en leer de koude en donkere dagen te omarmen’). Haar openlijk beleden liefde voor donkere Noorse dagen leverde haar de bijnaam ‘Kari van Noorwegen’ op.
In haar boek vertelt Leibowitz hoe zij in Noorwegen van haar levenslange weerzin tegen donker en kou afkomt. Ze geeft veel praktische tips. Ga net als de Noren elke dag naar buiten – met het klassieke Noorse begrip friluftsliv oftewel ‘vrij buiten leven’ kan iedereen in de winter zijn voordeel doen. Ook belangrijk: doe iets met je huis, maak het net als Noren met kaarsen en dekens koselig. Dat begrip is verwant aan het Deense hygge en behelst meer dan ‘gezelligheid’ of ‘knusheid’: het is een bepaalde diepere vorm van geborgenheid.
Bovenal pleit Kari van Noorwegen tegen ‘vervelende positieve zinnetjes’ waarmee ze in haar jeugd aan de Amerikaanse oostkust in de winter werd opgebeurd, zinnetjes als ‘binnenkort is het weer lente’, ‘zonder winter zou je zomer niet waarderen’, ‘nog even volhouden’. Zulke zinnetjes werken averechts: het gaat er juist om de winter zelf als iets moois te zien.
Aan de oppervlakte is How To Winter een zelfhulpboek, op een dieper niveau is het een pamflet tegen de neoliberale samenleving. Tijdens haar verblijf in Noorwegen komt Leibowitz erachter dat haar weerzin tegen de winter te maken had met de druk waaraan zij blootstond om in de donkere tijd van het jaar net zo vroeg op te staan, net zo lang te werken, net zo veel mensen te ontmoeten en net zo veel te presteren als in de lichte tijd. In Noorwegen treft ze een rijk land met een sociaal vangnet waarin mensen het zich durven permitteren vroeg te stoppen met werken en lang te slapen. In de VS leed Leibowitz aan ‘slaapschaamte’, in Noorwegen durft ze voor het eerst in haar leven naar haar lichaam te luisteren en zich terug te trekken.
‘De winterdepressie’, ‘de winterdip’ en ‘de winterblues’ zijn verschijnselen van een modern samenlevingstype waarin mensen hun dagritme en activiteiten niet meer mogen aanpassen aan donkere dagen, concludeert ze. Het is hard nodig dat mensen ‘het recht om te winteren’ terugeisen. Immers, met donkere dagen zal een steeds groter deel van de wereldbevolking moeten leren leven. De klimaatverandering zal de komende eeuwen onherroepelijk resulteren in migratiestromen naar het noorden.
Het is vier uur in de middag en in de haven van Trondheim is het zo donker en uitgestorven dat ik het gevoel heb dat het laat op de avond is. Pas als mijn ogen aan de duisternis zijn gewend zie ik dat er flink wat mensen in het frisse water van de Noorse Zee zwemmen. In deze haven ligt een van de grootste sauna’s van Scandinavië, toepasselijk Havet (‘de zee’) geheten. Een van de cabines heeft de omvang van een klein theater en zit op een doordeweekse middag zo afgeladen vol studenten dat ook de vensterbanken als zitplaatsen in gebruik zijn genomen.
Saunameester Elias – ‘geboren in Denemarken, maar helemaal bekeerd tot Noorwegen’ – geeft hier elk uur een show met muziek en opgietingen waarin klassieke winterrituelen en new age samenkomen. Leden van het publiek worden tien minuten lang met diverse geuren besprenkeld en verzocht elkaars handen vast te houden voor een stukje extra verbondenheid. Elias zegt zonder valse bescheidenheid: ‘Noren hebben de sauna niet uitgevonden, maar ze zijn wel degenen die er de ultieme ervaring van maken.’
Ik vraag of wat ik nu meemaak koselig is, en dat wordt om mij heen bevestigd. Mijn twee buurvrouwen in het sauna-theater, Aase en Jorunn, studeren economie aan de universiteit van Trondheim. Jorunn komt uit Bodø (67 graden noorderbreedte) en vindt Trondheim ‘lekker druk en lekker zuidelijk’. ‘Waar ik ben opgegroeid, zie je om deze tijd van de dag helemaal niemand meer op straat. Sommige mensen slapen dan al.’
In de spectaculaire en toch betaalbare sauna Havet blijkt het behalve van de Noorse studenten te wemelen van de gaststudenten. Ik tref hier Grieken, Spanjaarden en Duitsers. Die buitenlandse bezoekers blijken ook vrij makkelijk te herkennen: in tegenstelling tot de meeste Noorse bezoekers zoeken zij zelden of nooit verkoeling in het water van de Noorse Zee, waarvan de temperatuur vandaag wordt geschat op 4 graden.
Ik raak in Havet ook nog aan de praat met een gaststudent uit Rotterdam, Rick, die de Noorse winter in één woord omschrijft als ‘prachtig’. ‘Het is een bruisende tijd, maar anders dan wat wij daaronder verstaan. De dag eindigt veel eerder. Mensen gaan niet naar cafés en restaurants. Er is weinig horeca en de alcohol is daar extreem duur. Op een gewone winteravond in Trondheim spreek je na de sauna met een groepje af bij iemand thuis. De interieurs zijn veel sfeervoller dan bij ons. Er ontstaat altijd een mooie sfeer. Veel mensen halen de alcohol die ze schenken uit Zweden. Dat is maar twee uur rijden en dat scheelt bijna een derde in de prijs. ‘De wintermaanden in Noorwegen zijn de mooiste van het jaar, áls je leert erin mee te gaan.’
Ragnhild Bang Nes, psycholoog, geluksonderzoeker aan de universiteit van Oslo en auteur van het in drie Scandinavische talen verschenen boek Lykkekuren (‘De Gelukskuur’), stelt het café van het Litteraturhuset (‘Literatuurhuis’), een voormalig herenhuis in het centrum van Oslo, voor als locatie voor onze afspraak, ‘omdat de plek zo typisch is’.
‘Het zegt veel over Noorwegen dat een van onze belangrijkste culturele locaties een groot herenhuis is. Stockholm en Kopenhagen zijn wereldsteden met enorme gebouwen en een kosmopolitische cultuur. Oslo is altijd een provinciestad gebleven.’
De gevierde Noorse kunst van het winteren heeft alles te maken met de late Noorse verstedelijking, zegt zij. ‘Als je op zoek gaat naar de oorsprong, dan kom je onherroepelijk uit bij het feit dat Noorwegen een land van vissers en boeren was. Er was nauwelijks een stedelijke cultuur, nauwelijks een bourgeoisie.’
Dat ‘fysiek buiten-zijn’ door Noren wordt beschouwd als de essentie van hun nationale identiteit, zegt zij, heeft alles te maken met de wijze waarop Noren leefden. Friluftsliv, ‘vrij buiten leven’, is tegenwoordig een recept voor wintergeluk in zelfhulpboeken. Maar in Noorwegen was het eeuwenlang onontkoombaar voor mensen die het moesten doen zonder outdoorwinkels.
‘Noorwegen had nooit een saloncultuur’, zegt Bang Nes. ‘In Zweden had je grote groepen stedelingen die van restaurant naar theater en van opera naar sociëteit gingen en de kou alleen op hun gezicht voelden als ze van de koets naar de deur liepen. Noren hadden die luxe niet, die waren ook in de vrieskou buiten.’
Die ‘rurale winterdiscipline’ zit nog steeds in het Noorse DNA. ‘Wij zeggen vaak: het is heerlijk om als Noor een paar dagen in Denemarken te zijn, want dan mag je om tien uur ’s ochtends al glühwein drinken en de hele dag in warme ruimtes zitten.’
Nog iets dat rechtstreeks uit het verleden voortvloeit: de veelgeprezen Noorse kunst de winter met kaarslicht extra mooi te maken. In een land met weinig grote steden en veel kleine geïsoleerde gemeenschappen tot in het hoogste noorden, was het aanleggen van elektriciteit geen eenvoudige opgave. Tot ver in de 20ste eeuw waren er plekken waar kaarsen onontbeerlijk waren.
Als je iets van Noorwegen wilt begrijpen, zegt Ragnhild Bang Nes, dan moet je tot je laten doordringen dat het pas sinds 1905 onafhankelijk is. Zweden en Denemarken zijn oude imperia, Noorwegen werd overheerst. Beslissingen over Noren zijn eeuwenlang genomen in Kopenhagen of Stockholm.
De waterscheiding in de geschiedenis van dit jonge land kwam zestig jaar geleden, zestig jaar na de onafhankelijkheid, met de ontdekking van olie- en gasvelden in de Noordzee, de Noorse Zee en de Barentszzee. In de decennia erna streefde Noorwegen in rijkdom alle andere Noord-Europese landen voorbij. De laatste halve eeuw is Noorwegen alom geprezen als een land waar de olierijkdom de hele bevolking ten goede komt, met dank aan het Oljefondet, ’s werelds grootste staatsinvesteringsfonds.
In het kielzog van de rijkdom arriveerde een grote migrantenbevolking. Eén op de vijf inwoners van het huidige Noorwegen heeft een migratieachtergrond. Ik zeg tegen Ragnhild Bang Nes dat de migranten die ik sprak lovend waren over hun leven. Het was niet moeilijk gesprekken aan te knopen, want ook migranten sporten wat af in het donker en de kou.
Bang Nes knikt: ‘De gewoonte de hele winter kaarsen aan te steken, hebben ze ook overgenomen. Qua integratie van migranten zou je Noorwegen een succesverhaal kunnen noemen. Er is altijd een spreidingsbeleid geweest om tegen te gaan wat we hier ‘Zweedse toestanden’ noemen. Natuurlijk, alle problemen die je elders hebt, bestaan hier ook. Maar na de tragedie van 2011 (de massamoorden van Anders Breivik, red.) ontstond de indruk dat Noorwegen extreme spanningen kent tussen migranten en extreemrechts, terwijl die in Zweden en Denemarken veel groter zijn.’
Noorwegen, zegt zij, ‘heeft andere problematische kanten’. Om te beginnen: de belangrijkste bron van de rijkdom staat op gespannen voet met het Noorse zelfbeeld van een groen, natuurvriendelijk en milieubewust land. ‘Ik blijf mij verbazen over het gemak waarmee Noren hun persoonlijke ecologische keuzes scheiden van de olierijkdom van hun land. Of het nou om politici gaat of om het leger Tesla-bezitters, ze beroepen zich op de vergroening van Noorwegen en vermoeien zich niet met de vraag wat Noorwegen met de wereld doet.’
Een andere problematische ontwikkeling heet in de wetenschappelijke literatuur ‘de Noorse paradox’: Noorwegen wordt minder gelukkig naarmate het nog rijker wordt. De laatste keer dat Noorwegen de eerste plek bekleedde in het World Happiness Report, was in 2017. In 2025 was het gezakt naar de zevende plek. Bang Nes: ‘Wat in die periode is gebeurd, is dat de rijkdom van een deel van de Noren een exorbitant niveau heeft bereikt. Op een Amerikaanse psycholoog als Kari Leibowitz kan Noorwegen nog steeds overkomen als een egalitair land. Maar de sociale ongelijkheid is er nu groter dan die in driekwart eeuw is geweest, en helaas ook groter dan officiële statistieken aangeven.’
Aase en Jorunn, studenten economie in Trondheim, omschreven ‘de Noorse paradox’ in ons gesprek in sauna Havet als ‘de Tesla-isering van Noorwegen’. Nergens ter wereld bestaat zo’n groot deel van het wagenpark uit Tesla’s, bijna een derde. En elk jaar weer groeit de kloof tussen ‘Tesla-Noren’ en Noren die nooit een Tesla zullen kunnen betalen. Aase zei: ‘In Noorwegen heeft de laatste tien jaar een cultuur van brutale rijkdom zijn intrede gedaan, een cultuur die hier vroeger niet bestond, een cultuur waarin rijkdom opzichtig wordt getoond.’
Ragnhild Bang Nes: ‘Overal waar de sociale ongelijkheid toeneemt en rijkdom opzichtig wordt getoond, neemt het gemiddelde geluk af. Dat was het eerste wat me opviel toen ik onlangs voor een lezingentournee in Finland was: dat is egalitair gebleven, de sfeer op straat was die van Noorwegen van twintig, dertig jaar geleden.’
Ze kan glimlachen als ik concludeer dat de belangrijke gelukslessen uit haar boek Lykkekuren in essentie dezelfde zijn als die van Kari Leibowitz in How To Winter. Probeer je te onttrekken aan de ratrace. Zeg mensen die je in de winter onder druk zetten de wacht aan. Een beetje geld heb je nodig, veel geld maakt veelal ongelukkiger. Besef dat wat geluk schenkt in de winter niet duur hoeft te zijn: naar buiten gaan is gratis en kaarsen zijn nog steeds betaalbaar.
Op de drempel van mijn pension in Oslo, op de plek waar jogger Kjeld mij bijna omver liep, neem ik afscheid van geluidstechnicus Chico uit São Paulo, die teruggaat naar zijn huis in het hele hoge noorden. Hij zegt: ‘Als je écht de schoonheid van de Noorse winter wilt leren kennen, dan moet je bij mij langskomen. Oslo is eigenlijk nog een zuidelijke Europese stad. Je bent hier nog niet echt in Noorwegen. Echt Noors geluk vind je in de kleine plaatsjes in het noorden.’
Ik hoor dat de noordwaartse reis naar Chico’s idyllische dorp met vijftig inwoners slechts tien uur duurt. Als je komt, zegt Chico, ‘dan moet je voor minstens een maand komen. Anders krijg je dat echte mooie wintergevoel niet. Voor de winter moet je hier de tijd nemen. De winter neemt hier ook de tijd voor jou.’
Dit is een verhaal in een onregelmatig verschijnende serie over aardse paradijzen. Die plekken zijn even verschillend als de mensen die ze voor paradijzen aanzien: van spectaculaire en extravagante steden tot afgelegen kloosters in de Himalaya. Meer afleveringen zijn hier terug te lezen.
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant