Home

Nooit sprak of schreef Adriaan van Dis over zijn geliefde, met wie hij 38 jaar een verhouding had – tot nu

Hun hele relatie lang deelde Adriaan van Dis zijn grote liefde Ellen Jens met een ander. Gelukkig, zegt hij, is hij altijd goed geweest in ‘aanpassen’. Toch was het niet altijd makkelijk, maar ‘de liefde was sterker dan de last’.

is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.

Bijna veertig jaar lang sprak of schreef schrijver Adriaan van Dis niet over zijn geliefde, Ellen Jens, die twee jaar geleden overleed. Tot nu. In zijn roman Alles voor de reis, die zaterdag verschijnt, wekt hij haar tot leven en beschrijft hij hun bijna 38-jaar lange verhouding.

Waarom nu wel?

‘Lang heb ik veel rekening gehouden met het feit dat er ook een ander was. Lang heb ik mijzelf gecensureerd; ik wil anderen niet nodeloos pijn doen, maar ik hoef mezelf ook niet nog meer pijn te doen door het te ontkennen. De liefde was er en de halve stad wist het. We hebben de liefde gevierd. Ik heb daarin ook mijn plaats erkend door er ook vaak niet te zijn. Dat is wat het was. En nu dacht ik: ja, ik wil dit kwijt, maar ik wil het ook kwijt als voorbeeld, eerlijk gezegd.’

Hoe bedoelt u?

‘Hoe liefde soms onvermijdelijk is en hoe heerlijk het is om verliefd te zijn. En hoe heerlijk het is om je geliefde op handen te dragen. Misschien krijg je er nog een ideetje van.’

Ze heet Eefje in de roman, ze is ongeneeslijk ziek en kiest voor een hospice, want daar kan ze ook haar minnaar ontvangen, in een aanklikbed.

Ze drinken stiekem wijn in theekopjes. Grüner Veltliner van de Hema, ze was ook zuinig. Samen reizen ze terug in de tijd en praten ze over hun tijd samen. Over de jaren tachtig, toen ze elkaar ontmoetten, hij tv-presentator van een boekenprogramma, zij de regisseur. Over hun reizen naar alle uithoeken van de wereld. Maar ook over hun jeugd en eerdere liefdes.

Alles voor de reis, met de veelzeggende ondertitel ‘een roman over liefde en leugens’, is een openhartige ode aan een vrouw en de liefde.

Voelt het als een opluchting dat jullie liefdesverhaal nu op papier staat?

‘Een angstige opluchting. Ik ben altijd gespannen voordat een boek uitkomt, want het is niet meer van mij, de lezer gaat ermee aan de haal. Ik heb bewust voor een vorm gekozen waarin ik allerlei dingen niet benoem, dus ik heb er moeite mee als die dingen wel benoemd gaan worden in recensies of als het roddelaspect de boventoon voert. Ik hoop dus dat de vorm van de roman wordt gerespecteerd. Het is overigens bewust niet erg dik, ik lees niet graag boven de kilo’, zegt Van Dis aan tafel in een zaaltje van zijn uitgever.

Dan: een verschrikte ‘O help!’ Van Dis heeft zijn kopje thee omgestoten. ‘Niks aan de hand, helemaal niks aan de hand. Ik ben een enorme wapperaar. Dat is mijn Indische bloed. Ik wapper met mijn handen. Ik heb daarom altijd papier bij me. Klaar is Kees. Het is al opgeruimd!’

Van Dis (1946) groeide op in Bergen. Zijn ouders leerden elkaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië kennen, alle twee zwaar aangedaan door de oorlog. Zijn moeder overleefde met zijn drie halfzussen een Japans interneringskamp. Zijn vader was als krijgsgevangene tewerkgesteld aan de Pakanbaroe-spoorweg, een van de zogenoemde dodenspoorwegen. Zijn jeugd en de oorlogstrauma’s van zijn familieleden komen vaak voor in zijn veelomvattende oeuvre, waarvoor hij in 2015 de prestigieuze Constantijn Huygensprijs ontving.

Van Dis kreeg daarnaast landelijke bekendheid vanwege zijn werk als televisiepresentator van onder meer het VPRO-boekenprogramma Hier is…Adriaan van Dis.

‘Ik ben geen schrijver met een helder plan. Ik begin zomaar te schrijven. In dit geval begon ik te schrijven omdat ik een spontane blokkade in mijn linkerbeen had. Op het Rembrandtplein kon ik plotseling geen stap meer verzetten. Ik gilde het uit van de pijn. Het ziekenhuis, gedoe.

‘Na drie weken was de blokkade verdwenen, maar zat ik wel in een rolstoel, die rolde ik naar mijn werktafel. Ik schrijf met de hand, dus ik pakte de grote witte vellen papier en begon met schrijven over beweeglijkheid, over heuvels oprennen, duinen, naakt zwemmen, wat we veelvuldig deden. En zo ontstond mijn roman. Ik heb van de pijn een deugd gemaakt, en al schrijvend merkte ik dat het verhaal dat ik wilde vertellen al als een soort pakketje in mij zat. Het was helemaal klaar. Het hoefde alleen nog maar op papier gezet te worden. Meestal doe ik anderhalf jaar over een boek. Dit heb ik in drie maanden geschreven.’

In uw proloog schrijft u: ‘Liefste, laten we zwemmen, laten we spelen dat je leeft.’ Is dat wat u heeft gedaan?

‘Als je over iemand schrijft, dan is die persoon niet meer dood, maar heel erg levend. Maar ik heb ook geprobeerd een verkenning in beeld te brengen. Want je denkt natuurlijk dat mensen die 38 jaar met elkaar zijn, elkaar goed kennen. Maar kennen heeft verschillende lagen. In die laatste maanden van haar leven kwamen we er steeds meer achter waarom we tot elkaar waren voorbestemd. Dat was een wonderlijke ontdekkingsreis. Al schrijvend kwam dat nog duidelijker naar voren.’

Waarom waren jullie voorbestemd?

‘We ontdekten dat de verwondingen die we hebben opgelopen in ons leven, de jeugd, dat die ons ook tot elkaar hebben gebracht. Wat begon als een stoutigheid, kreeg steeds meer gewicht en bleek daarna onvermijdelijk te zijn.’

Op welke verwondingen doelt u nu precies?

Nou ja, bij mij zijn er beschadigingen in de jeugd van een vader die getraumatiseerd was door de oorlog, werkloos, en die mij tot de orde sloeg, letterlijk en figuurlijk, mij klaarmaakte voor een volgende oorlog. Zij was een meisje met een vader die in de oorlog de verzetskant koos. In het Oranjehotel gevangenzat. Een echte held. Maar als jong meisje voelde zij de spanning van een vader die opgesloten zat. En dan het verlies van haar zusje, kort na de oorlog, gestikt in een opklapbed. De oppas was aan het lezen.

‘Dat zijn vormende ervaringen waarvan een kind doordesemd raakt. Wat ons verbond, was dat we voorzichtig probeerden te praten over die dingen uit het verleden.

‘Een beetje, want ik had spoedig door dat praten over het verleden iets is dat je voorzichtig moet doen. Je moet niet met een breekijzer in iemands verleden stappen. Daar gaan jaren overheen. De liefde bedekt, de liefde begrijpt. Dus soms kun je, zonder dat in woorden te zeggen, zonder dat het pijnlijk wordt, elkaar begrijpen zonder dat het uitgesproken is.

‘Ik kijk veel naar mensen om me heen en hun verhoudingen. En dan denk ik: gun elkaar toch alsjeblieft de rust om elkaar te leren kennen. Verwacht niet meteen het halleluja-gevoel, maar geef elkaar juist die geheimzinnige ruimte waarin het leuk is met elkaar te verkeren, zonder dat je iets kapot praat en iets kapot plukt. Daar was mijn geliefde heel goed in: met weinig woorden ruimte geven aan elkaars merkwaardigheden.

Van Dis beschrijft in Alles voor de reis hoe ze afspraken in haar buitenhuisje. ‘We lazen daar. Vreeën daar. Kookten. Dronken. Kletsten. We hebben elkaar daar al die jaren langzaam en omzichtig verkend en nooit volledig in kaart gebracht. Zo bleef veel spannend. De liefde is als een geloof: hoe meer vragen je stelt, hoe meer je ontrafelt, hoe minder betovering.’

Is dat zo?

‘Ja, zo ervaar ik het althans. Ik vind het aangenaam met mensen om te gaan zonder dat ik ze allerlei dingen heb gevraagd. Ik heb een nieuwsgierige aard en ook ik lees graag een roddel in de krant. Maar ik geloof in de geheimzinnigheid van een verhouding. Dat geldt ook voor vriendschappen. Als ik vermoed dat iemand mogelijkerwijs buiten zijn huwelijk een avontuur beleeft, vraag ik daar niet naar. Ik heb dus nog veel vrienden. Ik ken nog mensen van de kleuterschool!’

Dat komt daardoor?

Ja. Omdat ik de mensen de ruimte geef om hun eigen levens te leven en niet met nieuwsgierigheid alles kapot te maken.’

Aan de andere kant: juist wel een geliefde volledig proberen te doorgronden, kan toch ook spannend zijn?

‘Jawel, jawel, ik wil natuurlijk niet gaan zwetsen over de liefde, ik weet mijn god niet eens wat het is, het is zo’n wonderbaarlijk iets.’ Van Dis begint plotseling te zingen: ‘And suddenly that name will never be the same to me…’

‘Ik ben nog van de school van de ontmoeting en elkaar betoverend aankijken. Niet alles meteen op tafel leggen. Verzengende verliefdheid maakt blind. En misschien ook doof. Het is heerlijk om in te verkeren. De kunst is dat je zorgt dat die verliefdheid de hele tijd blijft. Maar dat kun je leren.’

Hoe dan?

‘Ik verwijs bijvoorbeeld in mijn roman naar De leerschool der liefde van Flaubert. Dat gaat over een jongeman die voortdurende verliefdheden heeft. Daar heb ik veel van geleerd.

‘Je houdt die verliefdheden in de lucht door voortdurend attent te zijn. Door niet alleen het obligate bloemetje te kopen, maar een gedichtje te maken, iets te fröbelen. Ik ben gek op cadeautjes geven en iets oprapen van de straat, een schelpje vinden en zeggen: ‘kijk eens, hier staat je naam in’. Dat heb ik altijd met plezier gedaan. Ook omdat ik wist dat de ontvangster dat apprecieerde en er zelfs een beetje op rekende.

‘In het algemeen zeg ik: doe je best voor elkaar. Ga niet zitten zeuren, doe iets aardigs. Knip een hartje uit een servetje. Gooi die laaghangende joggingbroeken – tenzij het iets met geloof te maken heeft – weg en kleed je behoorlijk. Ook uit respect voor de ander.’

Maar zoals u zelf schrijft, jullie liefde had ook een bittere kant. Er was een ander. Het klinkt ook ingewikkeld.

‘Natuurlijk was het ingewikkeld. Nee, het verdient allemaal geen schoonheidsprijs.

‘Er waren ook schaduwmomenten, en verbazing. Dat je denkt: waarom heb je zo gejokt? Waarom had je dat nodig? Om al die kleine losse eilandjes kennelijk te beheren met lichte jokkebrokkerijen. Maar ik ben te verliefd om het kwalijk te nemen.’

Had u nou last van die leugens?

‘Ja. Maar de liefde was sterker dan de last.’

Maar hoe houd je zo’n schaduwrol bijna 38 jaar vol?

Je kunt ook zeggen: als je met zo’n beschadigde achtergrond als ik de wereld in wordt gestuurd, ben je al snel tevreden met een mate van karigheid. Ik was gelukkig en ik denk zij ook. Er komt nog bij dat ik aanvankelijk niet wist of ik door de kat of door de hond gebeten was. Dat speelt ook een rol.

‘Ik had ook homoseksueel kunnen zijn. Ik noem mezelf biseksueel. Ik heb uiteindelijk mijn geluk gevonden in een heteroseksuele relatie. Buitenstaanders willen graag zwartwit-oplossingen. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Ik geloof in fluïde seksualiteit.

‘Ik ben dus ongelooflijk allergisch voor wat we op het ogenblik meemaken, de neiging tot etikettenplakkerij en tot labelen. Iedereen zoekt één identiteit, terwijl je ontelbare identiteiten hebt, zoals Sinan Çankaya ook stelt. Je bent veel meer. Je bent niet alleen maar slachtoffer, je bent ook dader. Je bent niet alleen moslim, je bent ook Europeaan. Je bent niet alleen maar Jood, je bent onderdeel van een groter verband. Sluit je niet op in één identiteit.’

Jullie reisden veel samen. Onder meer voor het boekenprogramma Hier is Adriaan van Dis, dat zij regisseerde.

‘Het voordeel van reizen is dat er geen verleden is, er is alleen maar toekomst. Er is alleen een koffer, een stip op de horizon, een afstand. Je leeft in een soort opgewonden nu. Daar waren we goed in samen.’

Zo kom je ook nooit in een sleur.

‘Nee, dat is zeker waar. Wij waren niet altijd bij elkaar, dus dan is het makkelijker dat spel te spelen van verleiding en elkaar vermaken. En geen ruzie te maken over wie wel of niet naar de glasbak loopt.’

Toch was ze ook best streng voor u, lezen we. U mocht niet te snel eten, niet te snel drinken, de krant netjes opvouwen, buik inhouden, rechtop. En u mocht absoluut niet het alfabet boeren.

‘Terwijl ik dat zo ontzettend goed kan! Maar inderdaad, ik zeg ook: ik bloei onder tucht. Het was ook iemand die mij bij de les hield, mij voortdurend probeerde op te voeden. Dat lukte. En dat lukte ook vaak helemaal niet. Maar ik paste me wel aan.’

‘Aanpassen was een wachtwoord in mijn jeugd’, schrijft u.

‘Aanpassen was wat je deed in zo’n gemeenschap van Indische Nederlanders, in dat nieuwe Nederland dat geen oren had en geen oog had voor wat die mensen was overkomen. Dus dan loop je maar mee in het ritme van dat nieuwe land. Dat heet aanpassen. En dat wordt nu gedaan door allerlei kinderen van migranten.

‘Ik heb me altijd aangepast, dat is in mijn karakter verweven. Dat wil niet zeggen dat ik ’s nachts niet weleens met vuisten wakker word en het allemaal anders wil. Maar ik ben niet zo opstandig van aard.’

U schrijft over uw gesprekken met de psychiater waarin u het heeft over uw angst zich te binden. In die zin klinkt deze relatievorm voor u best ideaal?

‘Ik zal niet ontkennen dat dat zo is. Maar uiteindelijk verlangde ik wel naar meer.’

U wilde dat ze koos?

‘Ja, ik denk ook wel dat we allebei daartoe in staat waren. Maar toen kon het niet meer. Omdat we iemand anders niet nodeloos pijn wilden doen, die ander, daar was voortdurend zorg over om die geen beschadigingen aan te doen. Dus ik heb me daarbij neergelegd.

‘Ik vertel in de roman dat haar moeder, op wie ik zeer gesteld was, in haar laatste dagen tegen mij zei: ‘Je bent geslaagd voor het schoonzoonexamen met een 9’. Ik geef dan in een heel kleine dialoog weer, dat zij zegt: ‘Ik weet ook wel dat je beter bij mij past, maar vanwege ja…’ ‘Vanwege ja’. Daar heb je weinig woorden nodig om veel duidelijk te kunnen maken.

‘Zorgvuldigheid. Verplaatsingskunde. Niet nodeloos pijn doen en toedekken. Dat kun je huichelarij noemen. Het is ook een fraaie vorm van voorzichtigheid.’

Toen zij te ziek werd voor het buitenhuisje, koos ze voor een hospice, zodat u lang en dicht bij haar kon zijn. Hoe was dat?

‘Sinds deze ervaring met een hospice ben ik anders gaan kijken naar de dood en invaliditeit. Ik dacht vroeger: dat zal mij nooit overkomen. Ik heb gif in de kast. Ik stap er zo uit. Nu denk ik dat langzaam wegglijden uit het leven ook iets heel moois is. Je hoeft geen pijn te lijden, de palliatieve zorg is redelijk goed geregeld. Ik woon tegenwoordig in een seniorencomplex, dat klinkt enger dan het is. Ik ben ook anders gaan kijken naar iemand met een rollator.’

Hoe kijkt u nu naar een rollator?

‘Nou ja, als een heerlijk karretje waarop je ook kunt zitten. Ik loop sinds dat rare been nu zelf ook met een wandelstok. Ik ben de broosheid van het leven niet meer gaan waarderen, maar ik heb het wel meer geaccepteerd.’

En de dood?

‘Ik maak veel grapjes over de dood. Ik heb een graf in Bergen, omdat het me zo leuk leek om te sterven in de plaats waar ik geboren ben. Toevallig is in mijn geboortehuis nu een begrafenisondernemer gevestigd.’ Grinnikend: ‘Dat vind ik ook zo aardig dat in mijn geboortehuis de kist al wordt getimmerd, ik maak er echt een cirkel van!’

Hoe was het om het stervensproces bij uw geliefde te zien?

‘In het wegglijden uit het leven zit ook schoonheid. Je kunt nog heel verliefd worden op een veranderend gezicht. We veranderen allemaal, en toch denken we dat we uit één stuk bestaan. Maar we bestaan uit alle veranderingen die we hebben doorgemaakt. Van zuigeling tot baby die geen woord zegt tot onze tienertijd tot mensen die min of meer volgroeid zijn. En daarna dat interessante verval.

‘We zien onszelf als één, maar het is een eindeloze verandering. Die verandering gaat veel sneller op een sterfbed. Daar zie je van de ene dag naar de andere dag al iets voltrekken in een gezicht. Een neus wordt scherper, een oog komt dieper te liggen en daar kun je ook verliefd op worden. Dat klinkt misschien vreemd, maar dat is maar net hoe je ernaar wil kijken.’

Jullie lazen in het hospice veel gedichten samen. Wat is dat toch met poëzie dat het zo troost?

‘Je kunt veel bespreekbaar maken door een gedicht te lezen. Poëzie zegt dingen die je zelf had willen zeggen, ook tussen de regels door. Ga dat dan niet uitleggen. Laat vooral de raadselachtigheid van het gedicht je raken. Ik bespreek veel poëzie in mijn tweewekelijkse podcast (Van Dis ongefilterd, red.). Ik zeg dan ook: we gaan het niet uitleggen, er is altijd één regel die aan je vasthaakt, koester die ene regel.’

Hebben jullie aan het eind van haar leven over deze roman gesproken?

‘Nee, ik weet, je zou je de vraag kunnen stellen: wat had zij van deze roman gevonden en van het feit dat ik dit schreef? Tja, je kunt ook zeggen: waarom liet zij een week voor haar dood een koffertje uit haar werkkamer halen, met al haar agenda’s en dagboekjes, en gaf ze die aan mij? Niks van gebruikt. Nauwelijks in gekeken. Ik beschouw het wel als een uitnodiging tot de reis. Maar dat is misschien een egocentrische interpretatie. Ik wilde het toch zo kwijt. Ik moest het zo kwijt.

‘Maar ik heb het zo proberen te doen dat ik haar, de ander en haar familie niet beschadig. Ik heb de familie op de hoogte gebracht van deze roman. Ze is natuurlijk niet alleen mijn geliefde, ook de geliefde van de ander en anderen. Iedereen heeft zijn eigen ideeën over hoe zij was. Dat is zo. Dus ik zeg in mijn nawoord: ik heb voor een deel de werkelijkheid op reis gestuurd. Ik heb de magie toegelaten en ik heb haar verbeeld zoals ik haar mij wil herinneren, zoals ik haar heb ervaren. En dat is een absoluut vertekend beeld.’

Bij leven schrapte zij zinnen waarin zij voorkwam uit uw boeken.

‘Haar rol moest er altijd uit. Omdat we daarmee andere mensen pijn deden. Ik heb mezelf voor deze roman in zekere zin ook gecensureerd. Ik wil geen bitterheid toelaten. Ik wil het aardige en het bijzondere vooral benoemen. Die andere aspecten eruit laten. Dat ging me overigens heel gemakkelijk af.’

Welke andere aspecten?

‘Dat je voortdurend rekening houdt met een ander. Dat is niet altijd even makkelijk. Maar die ander is ook verdrietig.’

De uitvaartondernemer kreeg de opdracht jullie zoveel mogelijk uit elkaar te houden, jullie mochten allebei niet spreken.

‘Ik vond dat een goede oplossing. Dat hadden we eigenlijk al min of meer afgesproken.’

Dat had zij zo bepaald?

Ja, die regie had ze wel. Ze bleef regisseur. Tot haar laatste zucht.’

Hoe rouw je als schaduwweduwnaar? Heeft u erkenning gekregen?

‘Veel mensen wisten ervan. En dan zal er ook een groepje zijn die het altijd zal ontkennen. En veel plezier ermee.

‘Ik leef ermee, ik leef met haar en ik leef met een geweldige herinnering aan een vrouw die van ongelooflijk belang in mijn leven is geweest en die mij ook gered heeft. Ook voor de plotselinge televisieroem die niet ongevaarlijk is.

‘En verder, je houdt je gedeisd en gaat aan het werk. Lul er niet te veel over. Wat niet lastig is, want ik schrijf erover.

‘Het is een broos bestaan, maar ik houd het redelijk vol. Omdat ik heel hard werk. Ik geloof in een citadel van ijver en discipline. Dat harde werken is heel noodzakelijk voor mij. Dat heb ik mijn leven lang gedaan, ook als ik somber was. Ja, dat is een absolute vlucht. Maar ik geloof ook in de vlucht.’

CV Adriaan van Dis

16 december 1946 Geboren in Bergen aan Zee.
1967-1973 Studie Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam.
1978-1982 Chef van het NRC-katern Zaterdags Bijvoegsel.
1983- heden Debuteert met novelle Nathan Sid en wint het Gouden Ezelsoor, de prijs voor best verkochte literaire debuut. Sindsdien schreef hij tientallen boeken, o.a. De rat van Arras (1986), Zilver of het verlies van de onschuld (1988), Indische duinen (1994, Gouden Uil), Dubbelliefde (1999), Familieziek (2002), De wandelaar (2007), Tikkop (2010), Ik kom terug (2014, Libris Literatuurprijs), In het buitengebied (2017), KliFI (2020), Vijf vrolijke verhalen (2021) en Naar zachtheid en een warm omhelzen (2023, NS Publieksprijs).
1983-1992 Presentator van televisieprogramma Hier is… Adriaan van Dis.
1999-2002 Vier seizoenen presentator Zomergasten.
2008 Tv-serie Van Dis in Afrika.
2012 Tv-serie Van Dis in Indonesië.
2015 Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre.
2021 Eredoctoraat van de Radboud Universiteit in Nijmegen voor zijn verdiensten als ambassadeur voor het leren van talen en culturen.

Sinds 2023 heeft Adriaan van Dis een eigen podcast, Van Dis ongefilterd, waarin hij met Atlas Contact-redacteur Simon Dikker Hupkes praat over alles wat hem bezighoudt .

Adriaan van Dis: Alles voor de reis. Atlas Contact; 208 pagina’s; €22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next