Home

Mysliwski neemt je mee in het spookhuis van vooroorlogs Polen

Wieslaw Mysliwski In een van zijn eerste romans laat deze grote Poolse schrijver zijn meesterschap al zien. Een arme herder betrekt een verlaten paleis – waarmee Mysliwski de spilzucht van de elite en de machteloosheid van de mens centraal stelt.

Het Kraśińskiplein in Warschau.

Wieslaw Mysliwski: Het paleis. (Palac) Vert. Karol Lesman. Querido, 264 blz. €24,99

Van sommige schrijvers weet je al vanaf hun eerste boek dat ze goed zijn. Zo iemand is de Pool Wieslaw Mysliwski (1932), van wie sinds 2009 vijf romans in fraaie Nederlandse vertalingen van Karol Lesman verschenen. Stuk voor stuk zijn het ‘boerenromans’, die zich afspelen op het mistroostige Poolse platteland ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende periode van de door de Sovjet-Unie opgelegde communistische dictatuur. Ze gaan over vertekende herinneringen, onbereikbare liefdes, collaboratie, wegkijken waar anderen leed wordt bezorgd, en vooral over de onmogelijkheid om vat te krijgen op je eigen leven.

Mysliwski’s vertellers zijn gewone mensen. Ze kletsen erop los, in meanderende monologen, die sterk aan schrijvers als Louis-Ferdinand Céline en Bohumil Hrabal doen denken en daardoor iets magisch-realistisch hebben. Dat eindeloze gepalaver versterkt hun machteloosheid, waardoor ze alleen nog in hun fantasie of in door henzelf gefabriceerde leugens een enigszins gelukkig leven kunnen leiden, waarin ze zich blind kunnen houden voor de wreedheden die zich om hen heen voltrekken en waarvan ze tegen hun wil getuigen van zijn. Mysliwski’s personages worstelen met het leven, maar omarmen het tegelijkertijd krachtig en accepteren het zoals het is. Alleen al daarom bieden zijn boeken troost, want ze laten zien dat uiteindelijk ieders bestaan miezerig is.

Dat gebeurt ook in Het paleis, Mysliwski’s pas onlangs vertaalde roman uit 1970, die hij op 28-jarige leeftijd schreef. De eerste zinnen zijn meteen al veelbelovend: „Het had al lang oorlog moeten zijn. Jaar in, jaar uit, maand aan maand, dag na dag werd hij verwacht. Met Nieuwjaar, met Pasen, met Pinksteren, met Kerstmis, op de naamdagen van Maria, van Johannes, van Petrus en op alle andere dagen. Hij werd besproken, voorspeld, afgesmeekt.”

De oorlog is de opmaat naar de vlucht van de landheer en zijn vrouw voor het naderende krijgsgeweld van 1939, als Hitlers leger Polen binnenvalt en alles wat het op zijn weg tegenkomt vernietigt. Het adellijk paar verlaat zijn paleis als dieven in de nacht, per rijtuig, het personeel in het ongewisse latend.

Hallucinaties

Als ook die bedienden de benen hebben genomen, grijpt de verteller, de sensitieve herder Jacob, zijn kans om het paleis binnen te gaan en er zich te vergapen aan de schoonheid, rijkdom en luxe. Hij doolt door de lange gangen, van vertrek naar vertrek, en bewondert de kandelaars, de schilderijen van jachttaferelen, de portretten van generaties edelen.

Geleidelijk aan waant hij zich een paleisbewoner en leidt hij in zijn fantasie hetzelfde leven als zijn gevluchte heer en meester. Maar ook springt hij in zijn hallucinaties als een vlieg van de ene naar de andere paleisbewoner of -bezoeker. Hij duikt in hun hoofden, ervaart hun lusten en verlangens, deelt hun tirannieke gedrag jegens hun ondergeschikten. En steeds weer keert hij terug naar zijn eigen ik, de herder Jacob, en probeert hij zijn heer duidelijk te maken hoe vernederend hij altijd door hem is behandeld.

Hier is overduidelijk ook de boerenzoon Mysliwski aan het woord, die de wrange klassenverhoudingen op het platteland bekritiseert en de spilzuchtige, verkwistende Poolse adel van voor de Tweede Wereldoorlog onder het vergrootglas legt. Zo laat hij de landheren aan de kaarttafel hele dorpen verspelen, alsof het er niets toe doet dat hun bewoners ineens van de ene meester op de andere overgaan en er mogelijk nog slechter aan toe raken. Even cynisch beschrijft Mysliwski de seksuele horigheid van de plattelandsmeisjes, die zich aan de landheer hebben over te geven wanneer die met hen naar bed wil. En natuurlijk krijgt ook de hypocriete geestelijkheid ervan langs, die het gedrag van de landheren vergoelijkt in ruil voor uitnodigingen voor feesten en diners op het paleis.

Mysliwski neemt je in deze roman mee in een spookhuis, waarin de decadente elite van het vooroorlogse Polen en het door ontberingen gekwelde grauw de personages zijn. Zo geeft Jacob zich over aan de heerlijke geuren van gebraden hertenvlees, paddenstoelen en andere delicatessen die uit de keuken stromen. En dan lees je: „De tranen kwamen in mijn ogen, het speeksel liep me vanzelf in de mond, mijn handen, mijn buik, mijn benen jeukten alsof ik last had van schurft, maar ik gaf me over aan die aroma’s tot het pijn deed, zo’n pijn dat ik er soms van lachen moest en soms wel kon janken als een hond.” Meteen besef je door zulke smachtende woorden dat Jacob in zijn echte leven amper te eten heeft.

Soms is het ronduit beklemmend wat Mysliwski je toont, bijvoorbeeld als Jacob in een van de paleisvertrekken voor het eerst in zijn leven in een spiegel kijkt en zichzelf ziet. Zijn schrik is groot, maar wordt nog groter als hij in de spiegel de vrouw van de landheer ziet verschijnen. Als kind heeft hij haar ontmoet, toen hij een boodschap naar het paleis bracht en ze hem over zijn bol aaide. En nu ziet hij haar terug, in haar slaapkamer, zich klaarmakend voor de nacht. Als een voyeur bestudeert hij hoe zij zich uitkleedt. Maar als ze de jurk van haar lichaam laat vallen, schrikt hij zo dat hij wegrent, zo preuts is hij. Het verlet hem even later niet zijn verliefdheid voort te zetten en in gedachten bij haar in bed te kruipen en haar te voelen, ook omdat hij weet dat ze ongelukkig getrouwd is.

Bij een paleis horen natuurlijk ook een banale jachtpartij en een bal. Mysliwski beschrijft die in even donkere kleuren en geuren, waarbij het schrijfplezier je vaak overdondert. Zo beschrijft hij hoe de drijvers tijdens die jacht hun beklag doen als ze door de landheren worden gedwongen met hún jachtgeweren te gaan schieten. „Dus wat moeten wij met die heilige jachtgeweren? Wij, die door rivieren worden overstroomd, door hagelstenen zo groot als eieren worden gegeseld, en die winters als vogeltjes laten doodvriezen, ons en onze kinderen, wier huizen door oorlogen worden geplunderd en verbrand, en wier vrouwen en dochters worden verkracht en vermoord, en wie God nog ergere straffen oplegt om ons van onze erfzonden te bevrijden, van de macht van de Satan en Zijn op ons loerende verlokkingen.” Hoeveel leed kan een gewoon mens verdragen, denk je dan. Zeker als je het afzet tegen het onmetelijke verdriet van de landheer over zijn gestorven lievelingsparkiet.

Klaagzangen

Met zulke klaagzangen benadrukt Mysliwski steeds weer opnieuw het klassenverschil tussen de spilzuchtige adel en het onderdanige volk dat in armoede leeft. Daarbij moet je niet vergeten dat in 1970, toen Het paleis verscheen, Polen nog altijd een communistisch land was, waar kritiek op de voormalige elite en verheerlijking van de arbeidersklasse de regel was.

Een dramatisch moment in de roman is in dat opzicht ook als Jacobs vader op een nacht zijn zeis pakt en naar het paleis gaat om zich daar de keel door te snijden. Uit protest tegen zijn armzalige lot. Door zulke vernederingen constateert Jacob: „Een mensenleven is immers niet voor iedereen gelijk. Voor de een is het arm, voor de ander rijk, voor de een vol vernedering, voor de ander verheven, voor die daar door afkomst bepaald, voor hem hier door het lot.” Het levert hem de vraag op of je als arme sloeber maar beter niet geleefd kunt hebben of dat je juist het recht hebt om nog wat langer te leven in de hoop nog iets positiefs mee te maken. Het liefst natuurlijk als een landheer. Want het bestaan van Jacob en zijn lotgenoten loopt over van ellende en tegenslag. Alleen in zijn wildste dromen kan hij er nog iets van maken. En juist dat laat Mysliwski hem op een speelse en overdadige manier ervaren.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next