Ecologie Na vijftig jaar overbevissing van tong en schol heeft de Nederlandse visserij een nieuwe soort ontdekt, de pijlinktvis. Die mag ongelimiteerd gevangen, met voorspelbare gevolgen, schrijft Ben Vollaard.
De loligo vulgaris ofwel pijlinktvis, hier gefotografeerd in de Middellandse zee.
Er was eens, niet lang geleden, een pijlinktvis. Hij was van het vrolijke soort. Hij liet z’n kleuren graag verschieten, van wit naar blauwgroen en roodbruin. Rustig zwom hij met zijn golvende twee vinnen door het Noordzeewater. Met zijn grote, bijna menselijke ogen keek hij nieuwsgierig om zich heen. Soms blies hij het water hard uit zijn mantel en spoot hij weg, uit spielerei of van schrik.
Ben Vollaard is hoogleraar aan de Universiteit Tilburg, waar hij onderzoek doet naar natuurbeleid en kottervissers.
Dit zou het begin kunnen zijn van een verhaal waarin de pijlinktvis na allerlei avonturen een inktvisprinses in zijn tien armen sluit. Maar zover komt het niet. Want vóór dit happy end – inktvis sterft kort na de voortplanting – wordt hij opgeschrikt door een wolk stof, opgeworpen door over de bodem slepende lijnen met aan het uiteinde een net. Hij vlucht weg, niet wetend dat hij zich hierdoor juist laat insluiten. Het net wordt samen met allerlei ander zeeleven omhoog getakeld. Eenmaal boven maakt iemand de kluwen zeeleven open en stort alles op het dek. De pijlinktvis stikt. Ruim de helft van de vangst gaat dood weer overboord, de rest is voor de handel. Niet veel later ligt de pijlinktvis, in ringen gesneden, op het bord van een Italiaan.
Pijlinktvissen zijn in korte tijd een belangrijke doelsoort geworden voor de Nederlandse kottervisserij, een vloot van 200 schepen die op de Noordzee en omliggende wateren jaagt op zeeleven op en net boven de bodem. Op de visafslagen van IJmuiden en Urk komen er deze winter in één week tijd wel een miljoen van binnen. Per stuk zijn ze rond de 2,50 euro waard. Ze liggen in kisten te wachten op vervoer naar het buitenland. Want net als garnalen, schol en tong uit de Noordzee is bijna alle pijlinktvis voor de export. De weinige vis die Nederlanders eten komt van elders, denk aan zalm, tonijn en tropische garnalen.
Pijlinktvissen mogen ongelimiteerd worden opgevist, ook in de winter, wanneer ze gaan trekken om zich voort te planten. Dan concentreren zij zich in daarvoor geschikte gebieden, waardoor visserijbedrijven daar makkelijk grote hoeveelheden kunnen vangen. Omdat pijlinktvissen zich maar één keer voortplanten kan zo in één klap de basis van een toekomstig cohort verdwijnen. Deze ongelimiteerde jacht voorspelt dus weinig goeds. In de visserij geldt een harde wet, ook voor kortlevende soorten als de inktvis: wie nu veel vangt, vangt later weinig — of niets. Ervaringen elders laten zien dat de inktvisvangsten snel en onverwachts kunnen instorten.
De inktvismanie is mede ingegeven door de malaise in de tong- en scholvisserij, traditioneel de pijlers van de kottersector. De vangsten van deze platvissen zijn al decennia geleden ingestort door overbevissing. Volgens de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES), een onafhankelijk onderzoek- en adviesorgaan waar ook Nederlandse biologen deel van uitmaken, zijn de tong en schol vijftig jaar lang overbevist. In de jacht op deze platvissen gebruikten visserijbedrijven steeds sterkere motoren en kleinere mazen, waardoor de neergang nog werd verdiept. De malaise in de visserij is dus niet het gevolg van windmolenparken op zee, hoge brandstofprijzen, regeldruk en de Brexit. Ze is grotendeels zelf veroorzaakt. Overbevissing geldt ook de garnalenvisserij, waar dit jaar tientallen schepen uit de vaart worden genomen.
Wat hier misgaat, is dat visserijbedrijven niet handelen naar hun gemeenschappelijk belang, het duurzaam gebruik van de visbestanden. Wanneer het ieder voor zich is, heeft het geen zin een vis met het oog op de toekomst te laten zwemmen. Een ander bedrijf zal die dan immers opvissen. In de jacht op vis concurreren de visserijbedrijven elkaar dus kapot.
Soortgelijke problemen spelen overal, denk aan hoe een voetbalvereniging zuinig is op de grasvelden door ze niet bij veel regen te gebruiken. Voor een team is het jammer als een training een keer niet doorgaat, maar het is goed voor de toekomst van de hele club. Wat de voetbalvereniging doet, lukt de visserijbedrijven niet. Zij vissen alsof er geen toekomst bestaat.
De overheid heeft dit gat niet opgevuld. Zoals gezegd, de pijlinktvis mag onbeperkt gevangen. Vangstbeperkingen op tong en schol kwamen er ook pas toen het al was misgegaan – en ze bestonden vanwege gebrekkige controle vooral op papier. De resulterende neergang van visserijbedrijven werd verzacht met overheidssubsidies. Als dat niet meer ging werden ze met belastinggeld uitgekocht. Dit herhaalde zich elke vijf tot tien jaar.
Wat te doen? Geen pijlinktvis bestellen helpt niet, die eten we al nauwelijks. De schuld afschuiven op een falende overheid is te makkelijk, want de overheid, dat zijn wij. Er gebeurt niks zolang niet meer Nederlanders zich hard maken voor wat hier op het spel staat: een zee vol leven die een toekomst biedt voor ons allemaal. Samen kunnen wij onze volksvertegenwoordigers aanvuren tot actie, die zitten er immers voor ons welzijn. De pijlinktvis is er dan niet alleen maar voor op het bord van de Italiaan. Het is een bijzonder dier en vormt een belangrijke schakel in de voedselketen. Door écht minder te vangen, kan hij toch zijn prinses vinden, haar met één van zijn lange armen tot een hoogtepunt brengen en zo hun en onze toekomst veiligstellen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC