Klassieke muziek De Hongaarse componist György Kurtág viert volgende maand zijn honderdste verjaardag. Welke werken moet je kennen van deze ‘grootmeester van het kleinood’? En waar kun je zijn muziek komende tijd beluisteren? NRC gidst je in zeven stukken door een oeuvre van compacte vormen en hoge intensiteit.
Gyorgy Kurtág speelt piano in het Boedapest Music Center, in Hongarije, 2018.
Het is verleidelijk om het zeer lange leven van György Kurtág af te zetten tegen zijn vaak zeer korte werken. Op 19 februari wordt de componist honderd jaar, terwijl zijn composities zelden langer duren dan een minuut of twee. Maar wat is er met zo’n vergelijking gezegd, behalve dat er sprake is van een opmerkelijke asymmetrie? Kurtág zelf zou de wat gratuite observatie vermoedelijk rücksichtslos schrappen. Vandaar ook dat zijn stukken zo compact zijn: geen ruis, alleen de essentie.
Toch schuilt er betekenis in de oppervlakkige paradox van extreme lengtes, die wel degelijk iets zegt over Kurtágs creatieve proces. Hij was al een eind in de dertig toen hij na een scheppingscrisis en een psychoanalysetraject in 1959 eindelijk zijn opus 1 noteerde. Daarna: horten en stoten, impasses en bevliegingen, onvoltooide en teruggetrokken stukken, met onder de streep inmiddels zo’n zeventig composities. Gemiddeld dus één per jaar. Op papier een karige oogst. Maar wie de ogen sluit en luistert, trekt een andere conclusie. Het is alsof Kurtág wel zo oud móést worden, om zijn ideeën en ervaringen te kunnen inkoken, soms decennialang, tot zulke ongemene intensiteit. NRC licht zeven stukken uit een uitzonderlijk oeuvre (maar luister vooral ook naar de rest).
Zeven noten kunnen genoeg zijn, zoals in het deeltje ‘L’homme n’est qu’une fleur…’ uit de reeks pianostukken Játékok (‘spelletjes’). Kurtág begon de reeks in 1973 met een pedagogische insteek: het moesten eenvoudige stukjes zijn die tegemoetkwamen aan het plezier dat kinderen hebben in de piano, maar wel met vol artistiek gewicht. Steeds vaker paste hij bondige portretten van en hommages aan zijn vrienden in. Inmiddels is het elfde boek van de serie in de maak. Perfect instapmateriaal, om te luisteren (pianist Pierre-Laurent Aimard maakte vorige jaar een door Kurtág goedgekeurde selectie) óf zelf te spelen.
Op YouTube is een quatre-mains-uitvoering van ‘L’homme n’est qu’une fleur…’ te zien door Kurtág en zijn vrouw Márta, bij wijze van voorspel voorafgegaan door een tienmaal herhaalde bes. Spoiler: de zeven noten zijn de zeven noten van de C-majeur-toonladder, verspreid over het hele klavier: g-a-f-b-e-d-c. Simpeler kan het niet, zou je zeggen. En toch weten de Kurtágs, terwijl ze trefzeker en met rituele gravitas over elkaars oude armen reiken, iets op te roepen dat ontroerend groots en rijk en ruimtelijk aanvoelt:
„Voor je het weet is het voorbij.” Zo karakteriseerde pianiste Pauline Post Kurtágs werk twee jaar geleden in NRC. Als uitvoerder én luisteraar moet je je aandacht erbij houden: één kans krijg je en ze is alweer weg, deze wondermuziek van flitsen, fluisteringen en vonkende contrasten. De vier treffend getitelde Brefs messages, op. 47 (2011) voor negen instrumenten zijn relatief laat werk, al recycleerde Kurtág voor delen 3 en 4 ouder materiaal. Met hun knorrige lyriek en warme sonoriteit zijn deze ‘korte berichten’ uitermate geschikt als kennismaking met Kurtág.
Als je heel veel korte stukken aan elkaar rijgt, krijg je alsnog massa. Wie zijn tanden stevig in Kurtág wil zetten kan zich overgeven aan de Kafka-Fragmente voor viool en stem – veertig duo’s, samen goed voor een uur muziek. Van fragment tot fragment verschilt de expressie sterk, terwijl Kurtágs signatuur onmiskenbaar blijft. Sommige delen zijn rauw en ruig (zoals ‘Ruhelos’), andere breekbaar en dromerig (‘Träumend hing die Blume’).
Maar telkens staat er iets op het spel voor Kurtág, die nooit zomaar een mooie melodie zal schrijven. Neem ‘Keine Rückkehr’: een vlechtwerk van twee eenvoudige lijnen dat in kort bestek allerlei associaties wekt, van Bartók en Bach tot middeleeuwse meerstemmigheid. Zulke echo’s en associaties zijn niet triviaal, maar behoren tot het weefsel van Kurtágs verbeelding.
Lang werkte hij in de luwte, maar met de Parijse première van de liedcyclus Berichten van de overleden juffrouw R.V. Trusova voor sopraan en ensemble vestigde Kurtág in 1981 zijn internationale reputatie. In 21 korte vignetten neemt een oude vrijster teleurgesteld afscheid van het bruisende leven. Het hele spectrum van conflicterende emoties, van nostalgie tot wanhoop, is weerspiegeld in Kurtágs tintelende en expressieve muziek.
Hoe veelkantig haar emoties ook zijn, dat juffrouw Trusova een stem heeft staat niet ter discussie. Dat is wel het geval in What is the word (1990), naar de gelijknamige stameltekst van Beckett. ‘Hakkelen’ is volgens Kurtág zijn „moedertaal”, memoreerde vriend en kenner Renee Jonker ooit in NRC. Kurtág componeerde het stuk voor de Hongaarse actrice Ildikó Monyók, die na een ongeluk haar spraak was verloren: haar afasie en het moeizaam terugveroveren van de taal zijn het onderwerp.
Toen Monyók What is the word niet meer kon uitvoeren, achtte Kurtág jarenlang geen enkele zangeres nog daartoe in staat. Dat veranderde toen Renee Jonker en dirigent Reinbert de Leeuw hem begin deze eeuw een cassettebandje van mezzosopraan Gerrie de Vries lieten horen. Jonker: „Toen we het afspeelden riep Martá de gedenkwaardige woorden: ‘Wir haben sie!’” Sindsdien is What is the word een lijfstuk van De Vries. Haar vertolking is vereeuwigd in de monumentale Kurtág-box van Reinbert de Leeuw en Asko|Schönberg (nu Het Muziek) uit 2017, die zich op Kurtágs moeilijk verkrijgbare instemming mocht verheugen.
Zoals voor Kurtág iedere noot is volgezogen met traditie en cultuur, zo hebben ook opusnummers voor hem pregnantie. Dus verwijst het ‘pianoconcert’ …quasi una fantasia… op. 27 nr. 1 (1987-8) naar de twee pianosonates van Beethovens opus 27 (waaronder de beroemde ‘Mondschein’), die door Beethoven zelf allebei ‘Sonata quasi una fantasia’ werden genoemd. Aan de klinkende oppervlakte is er nauwelijks verwantschap, omdat Kurtágs verdichting altijd diepe wortels heeft. Na het daverende derde deel, een flits van antiek aandoende toorn, volgt een adembenemende fluisterfinale van bijna vier eeuwigdurende minuten. Nummer 2 van Kurtágs opus 27, het Dubbelconcerto (1989-90) voor piano en cello, heeft trouwens ook zo’n sprookjesachtig mooi uitgesponnen slotdeel.
Niets is bij Kurtág eenduidig, en in 2018 bekroonde hij zijn catalogus van kleinodiën en fragmenten met een kloeke opera van twee uur zonder pauze. Fin de partie, naar Becketts toneelstuk Eindspel uit 1957, was dan ook lang in de maak. Eind jaren 90 lag er in Amsterdam al een contract voor hem klaar bij de toenmalige Nederlandse Opera (dat Kurtág de nacht voor de feestelijke ondertekening besloot toch niet te ondertekenen, waarna de ceremonie, in zijn eigen woorden, „een feestelijke niet-ondertekening” werd). De eerste ideeën voor de opera gaan nog verder terug. Toen Kurtág kort na de Hongaarse Opstand een jaar in Parijs verbleef, zag hij de Franse première van Becketts werk, dat hem zodanig greep dat hij het een leven lang met zich meedroeg.
Na de succesvolle première in La Scala in Milaan reisde Fin de partie langs grote operahuizen wereldwijd, inclusief dat van Amsterdam in 2019. György en Márta Kurtág gaven in de aanloop naar de Nederlandse première een dubbelinterview aan NRC. „Op onze leeftijd begrijp je wat het einde betekent”, zei Márta, die later dat jaar overleed. „Fin de partie is ook ons eindspel.”
Kurtágs verjaardag wordt wereldwijd gevierd. In Nederland is zijn muziek volop te horen, vooral in Amsterdam, maar ook in Ede en Middelburg.
16/1 Concertgebouw Amsterdam: Hommage à Robert Schumann, op. 15d door ‘Jonge Nederlanders’, Cosima Soulez Larivière (viool), Sào Soulez Larivière (altviool) e.a.
25/1 Concertgebouw Amsterdam: ‘Misterioso – altero’ (uit Signs, Games and Messages) door Lucie Horsch (blokfluit) & B’Rock Orchestra.
28/1 Muziekgebouw Amsterdam: 12 microludes op. 13 door Quatuor Arod.
4/2 Concertgebouw Amsterdam: Hommage à Berényi Ferenc 70 door ‘Rising Stars’ Áron Horváth (cimbalom) & Emma Nagy (zang).
7/2 Muziekgebouw Amsterdam: werk van Kurtág e.a. in IJ-Salon rond thema Metamorphosen.
7/2 Edesche Concertzaal: Ligatuur voor Varga Bálint door Delta Piano Trio.
19/2 Muziekgebouw Amsterdam: verjaardagsconcert met o.a. Lebenslauf en delen uit Játékok, naast werk van Ligeti, Mayke Nas, Unsuk Chin e.a., door Het Muziek o.l.v. Gregory Charette, m.m.v. Katharine Dain (sopraan) & Joey Marijs (slagwerk).
22/2 Zeeuwse Concertzaal Middelburg: verjaardagsconcert met pianomuziek van Kurtág, Byrd, Couperin, Schubert, Schumann e.a. door Ksenia Kouzmenko (piano).
27/2 Muziekgebouw Amsterdam & 28/2 Nieuwe Kerk Den Haag: Kafka-Fragmente door Isabelle Faust (viool) & Anna Prohaska (sopraan).
17/4 Concertgebouw Amsterdam: 12 microludes, op. 13 door Quatuor Modigliani.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC