Home

Wat als de mens toch geen machine is? Deze essays zoeken naar een nieuw mensbeeld

Essays Wat is de mens eigenlijk zonder de natuur? Onze ‘diepste kern’ blijkt fluïde, aldus de poëzie-essays van Piet Gerbrandy. De auteurs van Wij zijn geen machines zoeken het in de symbiose en hebben voor hun ideeën nieuwe, poëtische taal nodig.

Het Amazonegebied in Ecuador.

Wat is de mens? De aloude filosofische vraag houdt nog altijd de geesten bezig. Maar in plaats van de mens vast te pinnen op één kenmerk, laat staan hem te zien als kroon op de schepping, is een ecologisch mensbeeld in opkomst. Dat is ook broodnodig, gezien de problemen waar we middenin zitten.

De essaybundel Het woord en de wereld, waarin Piet Gerbrandy werk van de afgelopen jaren samenbracht, valt te lezen als de zoektocht naar zo’n nieuw, meer ecologisch mensbeeld. Hij gaat te rade bij de literatuur en dichtkunst. „[A]lle dichters, althans de goede dichters, zijn al naar gelang hun temperament op zoek naar de diepste kern van het bestaan”, schrijft hij in een essay over H.C. ten Berge. Die diepste kern, zo kun je uit de essays opmaken, is echter vooral iets wat steeds verandert, zoals de natuur transformeert van seizoen naar seizoen.

Piet Gerbrandy: Het woord en de wereld. Duidingen van een dichter. Atlas Contact, 316 blz. €24,99

Duidingen van een dichter, luidt de ondertitel van de bundeling. Wat heerlijk dat er nog zo’n fikse verzameling teksten over dichters en hun poëzie kan verschijnen in tijden van ontlezing en wat soms lijkt op een algehele desinteresse in cultuur en haar historie. Terwijl er toch behoorlijk wat werk te verzetten is in het duiden. Zoals te verwachten van dichter en classicus Piet Gerbrandy (1958) begint dat niet in onze eigen tijd. Er is een flinke vertegenwoordiging van schrijvers uit de Oudheid, aangevuld met moderne favorieten als Lucebert en Gorter. De poëzie wordt echter steeds nadrukkelijk naar het heden toe gehaald. Bijvoorbeeld met behulp van ‘eco-kritiek’, die teksten bekijkt door een ecologische bril. Wat gebeurt er als je literatuur leest als een uitdrukking van symbiose, waarin mens en natuur bij elkaar komen? Ze blijkt steeds weer te getuigen van wederzijdse afhankelijkheid. Mensen, dieren, bomen, het landschap: ze hebben elkaar – en de taal – nodig om de wereld te scheppen. De diepste kern waar die dichters naar op zoek zijn blijkt poreus en fluïde. Op zichzelf alleen stelt de mens niet zoveel voor.

Walter Breukers en Jaap Godrie: Wij zijn geen machines. Op zoek naar een nieuw mensbeeld. Ten Have, 256 blz. €24,99

Dat blijkt letterlijk als we beter naar het lichaam kijken. Het „belijfd” zijn, zoals Gerbrandy dat noemde in zijn leerdicht voor moderne mensen Niets dan dit. Lijflied voor de ziel (2023), dat delen we toch maar met elkaar. En met biljoenen anderen – de bacteriën, schimmels en virussen die binnenin ons wonen, zoals de wetenschap ons leert. Het is één grote bewegende bende en dan zijn we nog niet eens tot het niveau van de moleculen afgedaald.

Speculatief dialoogessay

Walter Breukers en Jaap Godrie gaan in hun boek Wij zijn geen machines ook „op zoek naar een nieuw mensbeeld”, zoals de ambitieuze ondertitel luidt. Het is een wonderlijke non-fictieroman of misschien een speculatief dialoogessay, omlijst door schilderijen en tekeningen. Het nieuwe mensbeeld moet ook volgens hen gezocht worden in symbiose en transformatie. Een mensbeeld zonder plaats voor micro-organismen is simpelweg niet van deze tijd, ook wetenschappelijk niet. Maar om dat wetenschappelijke inzicht invoelbaar te maken heb je poëzie nodig. De taal van de wetenschap is te beperkt. Die ziet mensen nog steeds als machines.

Het idee van de mens als machine heeft veel kapotgemaakt. Breukers en Godrie voeren verschillende personages op om dat uit te leggen. Basile is een haast Grunbergiaans figuur dat optreedt als informant uit de wereld van de „theoretische organisaties”. Kantoorwerkers in grote gebouwen vol identieke hokjes verrichten even identieke handelingen, als waren ze formules in een Excelsheet. Daar ligt de macht en daar gaat het fout – deze organisaties zijn alleen maar geïnteresseerd in taal, niet in de wereld zelf. Het is „saaie vernietiging”, aldus Basile. En het berust op het incorrecte mensbeeld van een mens als een machine, die andere mensmachines kan aansturen, beheersen en kapot maken.

Een groot probleem, schrijven Breukers en Godrie, zit hem in de theoretische taal, het instrument bij uitstek van de saaie vernietiging. Die taal dempt de wereld, slaat haar plat, verstikt en grijpt zo de macht. Denk aan woorden als „visiedocument, onepager, jaarverslag, voeten-op-tafel-sessie”, of „manifest, stuurgroepagenda, memo, oplegger bij memo”. De opsomming van een kleine drie pagina’s kan iedere kenniswerker ongetwijfeld aanvullen met nog meer termen. Deze taal is gefixeerd op dingen in plaats van handelingen. Werkwoorden spelen in deze naamwoordstijl een bijrol – jammer maar helaas voor de fluïde beweging die de mens is.

Dat moet anders kunnen. Het levert aardige experimenten die tegen poëzie aanschurken: „Woestend, krachtend, stomatadierend vechten.” Maar Breukers en Godrie lijken de echte stap naar de poëzie niet aan te durven. Het zou de lezer maar afschrikken. In plaats daarvan brengt hun zoektocht ze verder richting de biologie, in het bijzonder de celbiologie. De cel is een soort kern, maar wel één die met meer is en die ons verbindt met onze voorouders en nageslacht, met een geschiedenis van miljarden jaren: „Het leven begon niet met taal, maar met ruimte. En ook óns leven begon niet met taal, maar met ruimte.” De cel, dat is de oorspronkelijke ruimte, letterlijk en figuurlijk gesproken.

Experimentele gekte

Wij zijn geen machines is even merkwaardig te noemen als Het woord en de wereld klassiek. Helemaal overtuigend is de ambitie een ‘nieuw mensbeeld’ te presenteren niet – vooral omdat het symbiotische, lichamelijke mensbeeld ook alweer een paar decennia meegaat. Er is al een hele bibliotheek over volgeschreven. Ik mis bijvoorbeeld Donna Haraway, die schrijft over de mens als symbiont maar ook over de macht van taal en metaforen. „Ik probeer te achterhalen waar dat mechanistische mensbeeld vandaan komt”, staat er ergens in Wij zijn geen machines. „Even lezen. Kijk, daar vind ik al iets.” Het is de Leviathan van Hobbes.

De experimentele gekte waar de zoektocht op uitloopt neemt me er toch voor in. Net als Gerbrandy springen Breukers en Godrie op de bres voor kunst, mysterie en metafoor. Ze willen uiteindelijk voorbij de taal komen, de pagina’s vullen zich met steeds meer beeld. Maar wellicht is de poëzielezer het beste toegerust om de macht en kracht van theoretische taal en haar metaforen te begrijpen. Alleen al daarom zou iedere kantoorwerker en iedere jongeling, iedere ziel, gevoed moeten worden met gedichten en romans, en met inzichten uit de filosofie, biologie en antropologie, aldus Gerbrandy. „Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou de 21st century skill bij uitstek moeten zijn.”

Ja, eruditie, maar laten we het lijfelijke ook niet vergeten, het ritme en de dans. In de poëzie komen die twee bij elkaar. Maar ook daarbinnen, in het vlees, in ieders wezen, is het één groot feest van beweging en transformatie, al voelt het niet altijd zo. Eén groot feest, en wij zijn allemaal uitgenodigd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next