De avond na Vierde Kerstdag lag ik wakker van iets wat de Belgen tot ‘ontbreekwoord van 2025’ hebben verkozen. Sneukelspijt. Na een dagenlange kerststol-raclette-rode wijn-merengue-marathon was mijn maag dan toch in opstand gekomen. Nooit meer, kermde ik zachtjes. Voortaan zou ik louter leven op sinaasappels en bleekselderij.
Het is gemakkelijk om het Vlaams weg te zetten als Samson & Gert-vocabulaire – de eerste jaren met mijn vriend smolt ik bij elke amai – maar eerlijk is eerlijk: snoepwroeging bekt lang zo lekker niet als sneukelspijt. Na lepeltjesverdriet (het gemis van een partner om tegenaan te liggen) en sluimervriend (iemand die je weinig ziet maar met wie je zo de draad weer oppakt) zijn ze in België wederom met een Van Dale-waardig woord gekomen.
Niet dat de maagkramp erdoor verminderde. Ten einde raad maakte ik een nachtelijk ommetje naar de Grote Markt van Brussel. Overdag meed ik de plek, zeker in de winterweken, maar nu viel het mee met de mensenmassa’s. Eindelijk kon ik in alle rust de controversiële kerststal bekijken.
De oude houten stal was na ruim een kwarteeuw toe geweest aan vervanging en dus had de stad eind november een nieuwe in gebruik genomen: een stal van textielfiguren met bolvormige hoofden, zonder eenduidige gelaatstrekken of huidskleur. Onmiddellijk kwam er protest, want in één ding doen Belgen en Nederlanders niet voor elkaar onder: doorzagen over alles wat ook maar een beetje riekt naar verandering. „65.000 euro voor een hoop vodden”, „Maria zonder gezicht, afschuwelijk”. Al in de eerste week werd het hoofd van baby Jezus gestolen; in de nachten erna had een beveiliger als een moderne schaapsherder de wacht gehouden. Inmiddels was het hoofd terug en was er op het eerste gezicht geen bewaker te bekennen, maar uittesten of er alsnog iemand uit de schaduwen naar voren zou komen als ik over het hek zou klimmen durfde ik niet.
De stal beviel me wel. Qua vorm deden de bollen me denken aan de carnivore sponzensoort die begin dit jaar bij Antarctica werd ontdekt. Toen in de Zuidelijke Oceaan een ijsberg afbrak, twee keer zo groot als Rotterdam, kwam er een stuk zeebodem bloot te liggen waar Amerikaanse biologen enthousiast hun high-tech-onderwatervoertuig op los lieten. Het robotwagentje (koosnaam: Subastian) legde een kleurrijke wereld vast, inclusief een jeugdige kolossale inktvis, uitgestrekte koudwaterkoraallandschappen en zombiewormen die zich een weg knagen door de skeletten van dode walvissen.
Maar onbetwist hoogtepunt was dus de death ball sponge, waarvan het kerstbalvormige lijf bezaaid is met minuscule weerhaakjes – argeloze prooien die daarin vast komen te zitten worden geabsorbeerd door de bol en langzaam verteerd. Indrukwekkend, zeker als je bedenkt dat de meeste sponzen passieve filteraars zijn, wachtend op restjes die hen al dan niet toekomen. Pessimistisch gezien vormt de moordlustige spons zelfs de belichaming van het jaar 2025: de mensheid die tergend traag ten ondergaat aan de gulzigheid van enkele veelvraten.
Moe maar met een gekalmeerde maag keerde ik huiswaarts, waarbij ik ternauwernood een vieze plek op de stoep ontweek. Bijna was ik in een restant gestapt van andermans sneukelspijt.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag verslag ergens vanuit Nederland (of daarbuiten)
Source: NRC