In de trein van Amsterdam naar Frankfurt liep in de eerste klas een man rond met een zonnebril en een koptelefoon die de indruk wekte een beroemdheid te zijn. Helaas kende ik hem niet. Toen hij onverwacht zijn zonnebril afzette, bleek hij een nare ooginfectie te hebben. Medelijden bekroop me onverwachts.
Mijn bestemming was Bonn. Ik had het toeval laten beslissen. Tussen het verlichtingsfundamentalisme en de altijd ietwat naargeestige monotheïstische God staat het toeval. Omarm het.
In Keulen moest ik overstappen. Ik nam afscheid van de man met de zonnebril en zijn vriendin, die ook een zonnebril droeg. Merkwaardig, want achter die bril, had ik kunnen zien, ging geen ooginfectie schuil maar gewoon een paar ogen.
Bonn. Hoofdstad van het oude West-Duitsland. Ik zat in de wijk Bad Godesberg. Toen het stadje nog hoofdstad was, hadden hier de diplomaten gezeten. Wie er nu zaten was mij niet geheel duidelijk, zieken, bejaarden, en enkele grote honden.
De Rijn is ook in de winter prachtig, maar mijn zoontje had meer oog voor een vereenzaamde carrousel.
Tijdens het avondeten kwam er een hoogbejaarde vrouw op mij af. Ik dacht dat ze me wilde kussen of me in mijn oor wilde bijten. (Dat klinkt arrogant, maar ik houd altijd rekening met andermans hartstocht. De ene keer is het een pak slaag, de andere keer een tongzoen.)
De vrouw zei: ‘Ik weet dat je kinderen niet kunt dresseren, maar je kunt ze wel tijdig naar bed brengen. Dat kind van u is zo luidruchtig dat ik mijn eigen man niet kan verstaan.’
Ja, wat zeg je daarop, als vader zeg maar.
‘We zullen fluisteren’, zei ik.
En ik nam me eens te meer voor, ik ga nooit andermans kinderen terechtwijzen. Al steken ze de boel in brand. Geluk is het toeval omarmen, inclusief brand.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant