Home

Liefde als realiteit, terreur en hoop: de vier mannen rondom James Baldwin

James Baldwin Een nieuwe biografie over hem ontleent zijn kracht aan de gekozen invalshoek, waarin de liefdes van deze schrijver de rode draad vormen.

James Baldwin

Met wie zou je het liefst aan de dinertafel zitten? Dat was de vraag die The New York Times drie jaar geleden aan bijna honderd schrijvers voorlegde. William Shakespeare en James Baldwin eindigden samen op de eerste plaats: beiden kregen 32 stemmen.

Het is een schril contrast met hoe Baldwin het laatste decennium van zijn leven inging. „Zijn reputatie als schrijver was in een vrije val beland”, schrijft zijn biograaf Nicholas Boggs in het imposante Baldwin. A Love Story. Baldwin leefde toen in het Zuid Franse dorp Saint-Paul-de-Vence en likt er de wonden van de negatieve kritieken op zijn vierde roman Tell Me How Long the Train’s Been Gone (1968) die werd gezien als simpel en een „propaganda-roman”, terwijl volgens een criticus in The New York Times propaganda nooit kunst kon zijn. Zijn kinderboek Little Man, Little Man (1976) was weggezet als een verhaal dat eigenlijk vooral voor volwassenen geschikt was en verdween al snel uit de schappen om pas in 2018 herdrukt te worden. De essaybundel The Devil Finds Work (1976) vond men een herhaling van zetten.

Nicholas Boggs: Baldwin. A Love Story. Farrar, Straus and Giroux, 720 blz. ca. €34,-

Ook zijn persoonlijke was leven een puinhoop. Liefdes waren voorbij door „meedogenloze hardheid”, schrijft Baldwin aan zijn broer, en hij denkt daarbij terug aan de mannen die zo bepalend zijn geweest in zijn leven. Vier daarvan hadden een grote invloed op zowel zijn leven als schrijven. Die vier, de kunstenaar Delenay Beauford (een platonische liefde), Lucien Happersberger, Engin Cezzar en Yoran Cazac, vormen de basis voor het levensverhaal dat Boggs vertelt.

Dit is natuurlijk niet de eerste biografie over Baldwin, wel nieuw is het accent dat Boggs legt op deze relaties. Meestal ligt de nadruk vooral op de politieke invloed van Baldwin en hoe racisme zijn werk vormde. Boggs neemt dat uiteraard ook mee, maar door het accent te leggen op de liefdes, komt er een interpretatie-laag bij. Zo vertelt hij hoe een jeugdliefde, Eugene, in 1946 zelfmoord pleegt. Wanneer Eugene op een dag aan Baldwin vraagt hoe hij tegenover de liefde staat, antwoordt deze: „Liefde! Vergeet het maar, dat station is gepasseerd.” Baldwin beseft meteen hoe hij zijn vriend afwijst om verder te gaan, maar weet niet hoe hij de woorden kan terugnemen. Het schuldgevoel over Eugenes zelfmoord blijft Baldwin lang achtervolgen en hij zal het verwerken in zijn tweede roman Giovanni’s Room (1956).

„Love is the only reality, the only terror, and the only hope”  is het motto (een citaat van Baldwin zelf) dat Boggs zijn biografie meegeeft. De politieke visie en filering van de Amerikaanse maatschappij staan namelijk niet los van de homofobie die de witte Amerikaanse man had voor de ander. Baldwin verloor nooit de „grondig geseksualiseerde dynamiek” uit het oog die zich genesteld had „in het hart van racisme”, stelt Boggs terecht. In een van zijn laatste essay ‘Freaks and the Ideal of American Manhood’ legde hij uit hoe de angst van witte Amerikanen voor de ander zowel sloeg op de ‘freak’ (de homoseksuele man) als op de zwarte man. Baldwin vertegenwoordigde beide en betaalde er een hoge prijs voor.

Kleuren kennen

Eerder dit jaar verscheen Tilmann Lahmes biografie over Thomas Mann, waarin de onderdrukte homoseksualiteit van Mann de rode draad was. De vrees dat zijn liefde voor een jeugdvriend ooit aan het licht zou komen terwijl hij er alles aan deed bij de Duitse elite te horen, bepaalde zijn oeuvre en het was alsof Mann via zijn werk kon leven en homoseksuele personages verwerkte in heteroseksuele vermomming. „Zijn boeken worden daardoor alleen maar interessanter”, oordeelde NRC.

Biografieën die hun onderwerp expliciet vanuit een bepaalde invalshoek benaderen, vormen een mooie aanvulling op de biografie, die werkt vanuit het idee dat er een ‘neutrale’ beschrijving van een leven gegeven kon worden. Onontkoombaar leek die ‘neutrale’ blik nogal op de white male gaze die vanzelf de standaard werd. Het besef dat elke biografie een interpretatie is van een leven, en dus sterk afhankelijk van de gekozen invalshoek, wordt steeds vaker expliciet gemaakt. Biografieën worden meer geschreven met een postkoloniale blik, een female gaze of vanuit gender interpretaties.  Het is een verrijking van het genre.

Natuurlijk kwam Baldwins geaardheid ook al aan de orde in wat tot nu toe als de meest veelomvattende biografie werd gezien, die van David Leeming uit 1994. Dat is een meer traditionele biografie. Opvallend genoeg begint die net als die van Boggs met het verhaal hoe Baldwin als klein jongetje in het theater kijkt naar Bette Davis en ziet dat zij uitpuilende ogen heeft. Ze is beeldschoon en lijkt op zijn moeder, maar Baldwin had altijd geleerd van zijn stiefvader dat hij en zijn moeder juist lelijk waren met hun ‘frog-eyes’.  

De eerste die hem ontwikkelt in een zelfbeeld en hem meeneemt in schoonheid, is de schilder Beauford Delaney. In diens studio hoort hij de muziek van Louis Armstrong en Bessie Smith, een schok voor iemand die met louter kerkmuziek was opgevoed. En belangrijk: hij leert er anders naar kleur kijken. Bruin kent vele gradaties en hij leert dat zwart niet bestaat bij de gratie van de afwezigheid van licht, maar zoals Baldwin het zelf omschreef als „de kleur waar het licht zich een weg naar boven vecht, net als gras dat door cement omhoog komt”.

Een tijdlang woont hij in de studio waar hij zijn liefde voor mannen (die de studio bezoeken) ontdekt. De kiem voor zijn schrijverschap wordt er eveneens gelegd, doordat hij wordt meegenomen in het begrijpen van zijn identiteit. Buiten de studio ervaart Baldwin – nadat Delaney in elkaar is geslagen omdat hij een ‘zwarte homo’ is – dat „zwart zijn of queer dodelijke consequenties kon hebben vanwege de angst van de witte hetero man”, schrijft Boggs.

Vadermoord

Een echte opstap in de literatuur dankt Baldwin aan Richard Wright. Die zorgt voor een literair agent en een beurs opdat Baldwin zijn debuut Go Tell it on the Mountain (1953) kan schrijven. Dat lukt niet in de VS, want na de zelfmoord van Eugene vreest Baldwin te eindigen als zijn vriend: verteerd door angst voor de wraak van de buitenwereld die de buitenstaander tot zelfmoord kan drijven. Baldwin deed zelf weliswaar in zijn latere leven twee zelfmoordpogingen, maar vooralsnog moest Parijs redding brengen, waarnaar hij in 1948 vertrekt.

Daarbij werd Wright nog een keer een springplank voor Baldwins carrière. Met het essay Everybody’s Protest Novel uit 1949, waarin hij kanttekeningen plaats bij Wrights beroemde roman Native Son (1940), zet hij de verhoudingen op scherp en laat hij zien dat er een nieuwe generatie is aangebroken om over zwart Amerika te schrijven. Wat Baldwin betreft had Wright zijn hoofdpersonage, die een witte vrouw vermoordt, ontmenselijkt en symboliseerde deze de „zwarte man die uit zelfhaat handelde”, maar niets deed „om de pijn van het geminachte volk in te lossen”.

Wright was woedend, en de discussie die zich tussen de twee ontspon, wordt door Boggs in geuren en kleuren beschreven. Wright vond dat Baldwin hem had gebruikt om de literaire ladder te beklimmen en dat zijn protegé niet had begrepen dat de essentie van alle literatuur het aantekenen van protest inhield. Wat Baldwin betreft kon dat wel zo zijn, maar daarmee was niet elk protest ook literatuur (het verwijt dat de criticus van The New York Times hem twee decennia later zou maken). De relatie tussen die twee was definitief beschadigd, maar Baldwin had zijn naam niet alleen in Parijs gevestigd, ook in de literaire wereld in de VS was hij de talk of the town.

Boggs voegt eraan toe dat het essay niet alleen deel uitmaakte van een generatieconflict en tekenend was voor de volwassenwording van Baldwin, maar dat Baldwin hierin voor het eerst een verband omschreef tussen raciaal geweld en homoseksualiteit. Een visie die Baldwin al wel in het essay kon verwoorden, maar nog niet kon omzetten in romans. Toen dat wel lukte – de eerste drie romans gaan volgens Boggs over Baldwins zielenroerselen omtrent homoseksualiteit – nam Wright wraak door Baldwin weg te zetten als een auteur die ‘zichzelf excuseert voor het feit dat hij zwart is’. De stijl zette hij weg als ‘sensitief’ en een ‘soort onmannelijk huilen’. Wright had sowieso weerzin van Baldwins geaardheid en volgens Boggs speelde dat onbewust mee bij het schrijven van zijn essay.

In ieder geval moest Baldwin nu tonen dat hij in staat was tot betere romans dan zijn leermeester. Daarvoor had hij rust en liefde nodig, en die vond hij bij drie mannen: de Zwitser Lucien, de Turkse Engin en de Franse Yoran. Deels reizend met en naar hen, loodsten ze hem door depressies en zorgden ze voor de afzondering die hij nodig had als schrijver. Met geen van de drie was de relaties beklijvend (alle drie trouwden met een vrouw), maar de liefdes bleven tot aan het eind bepalend voor hem. De behoefte aan liefde en de onmogelijkheid die te behouden, zijn een rode draad volgens Boggs.

Hoewel het debuut en ook Giovanni’s Room positief ontvangen worden, wordt Baldwin vooral belangrijk met zijn essays. Zo slaat de bundel Notes of a Native Son (1955) – waarin het essay over Wright staat – in als een bom. Baldwin zal meermaals naar Europa vluchten omdat hij bang is net als Wright in de hoek van het activisme geduwd te worden, maar wanneer hij voor Paris Review een reis maakt door het zuiden van de VS, wordt hij de belangrijkste stem van zijn generatie.

Zwarte queer man in racistisch zuiden

Baldwins terugkeer is altijd geïnterpreteerd, en door Baldwin ook zelf benadrukt, als iets dat niet anders kon omdat de segregatie in de VS vroeg om een extra stem in de strijd voor gelijke rechten. Boggs benadrukt dat het ook was om de leegte van de mislukte liefdes op te vullen. In het zuiden zou hij geen tijd hebben om zoals Baldwin zelf in een dagboek schreef te „huilen om zijn eigen leven”. Hij zou er daarentegen zijn grootste angst tegemoet treden: een zwarte queer man in het door en door racistische zuiden.

Baldwin is ontdaan van wat hij er aantreft, maar heeft ook ontmoetingen met Martin Luther King. Later volgen Malcolm X, en spreekt hij met Robert Kennedy die hij bijbrengt welke wonden een samenleving behoudt na honderden jaren racisme. Enerzijds geniet Baldwin van het succes, het proclameren en debatteren. De performer Baldwin botste ondertussen vaak met de schrijver die afzondering zocht; de aandacht beviel hem, maar beangstigde hem ook. De FBI die hem volgt in zijn doen en laten, het feit dat hij meermaals in elkaar werd geslagen om zijn geaardheid, het belanden in een cel: het put Baldwin allemaal volledig uit en elke keer wanneer hij een dieptepunt bereikt lijkt te hebben, rapen de liefdes van zijn leven hem op in de hoop hem tegen zichzelf in bescherming te kunnen nemen.

Boggs zet het allemaal met veel overtuiging neer, waarbij geen detail wordt overgeslagen. En hij spreekt  Yoran ook zelf, iets dat andere biografen niet hadden gedaan. Daar gaat hij in het slothoofdstuk een beetje prat op door opeens zichzelf uitgebreid op te voeren als biograaf tijdens die gesprekken. Ondanks die ijdelheid en de veelheid aan details, is zijn biografie een schitterend portret van de schrijver en activist Baldwin, die niet alleen zichzelf vaak danig in de weg zat maar ook, ondanks de liefde van deze mannen, niet beschermd kon worden voor de buitenwereld die zowel de zwarte als de homoseksuele man had te vrezen. Je snapt nog beter waarom zoveel schrijvers het liefst met Baldwin zouden dineren.

Twee jaar voor zijn dood had Baldwin die populariteit zelf niet kunnen bevroeden, maar hoopte hij er wellicht wel op. Toen hij in 1985 werd geïnterviewd door de Times vertelde hij dat hij in Turkije had geleerd dat je het leven moest zien als een waterrad. Het was daarbij de kunst je neus dicht te houden als het rad beneden was en niet duizelig te worden als je bovenin zat. Dat gold ook voor hemzelf, legde hij uit: „De opkomst en neergang van iemands reputatie: wat kan je erover zeggen? Een ware artiest wordt niet beoordeeld in zijn tijd, want dat oordeel kan niet worden vertrouwd”. Pas latere generaties konden een juist oordeel vellen over iemands betekenis, vond hij. En deze tijd plaatst hem dus op gelijke hoogte met Shakespeare.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next