Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Zoals bij meneer J., die vluchtte uit Belfast en driftige techno draaide in Amsterdam.
In de woning van meneer J. ligt een pop. Een enge, zelfgemaakte pop. Ze heeft haar van schapenwol, een gezicht zonder ogen. Ze draagt een jurkje met Delfts blauwe motieven.
Je kunt de pop op de schouders nemen, er is een draagconstructie aan bevestigd, het lijkt een beetje op een rugzak. Haar dunne ledematen bewegen als je ermee loopt.
Meneer J., die op 18 maart 1973 in Belfast is geboren, was ooit actief in de partyscene, mogelijk heeft de pop daar iets mee van doen. Het is een spectaculair attribuut voor een of ander duister carnavalsfestijn.
De pop is eng omdat ze, merkte ik toen ik naar de woning ging, dankzij een ingebouwde sensor bij de minste of geringste beweging nachtmerrieachtige jammerklachten begint uit te stoten. ‘Please help me’, roept ze. ‘No. No!’ Gevolgd door hels gegil.
Jan Bottema was een verzetsheld die in 1944 door de Duitsers werd gefusilleerd. Om hem te eren vernoemde Amsterdam een straat naar hem in stadsdeel Nieuw-West.
Het werd een heel kort straatje, waar in 1952 geschakelde seniorenwoningen zonder bovenverdieping verrezen. Minuscule bungalowtjes waar je je kont amper kunt keren.
Deze ‘zelfstandige bejaardenwoningen’, zoals ze destijds werden genoemd, maakten deel uit van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (1935), dat bewoners uit de verkrottende binnenstad een heilzaam alternatief bood: wonen in een moderne oase van licht, lucht en ruimte in de nieuw aan te leggen Westelijke Tuinsteden.
Wellicht zijn de bejaardenwoningen, ontworpen door Aldo van Eyck en Jan Rietveld, ooit een succes geweest. Misschien woonden er blije ouderen die tevreden in hun achtertuintjes zaten, of gesprekken met elkaar voerden op een van de bankjes die in de plantsoenen werden aangebracht om onderling contact te bevorderen.
Tegenwoordig ligt het zaakje er mistroostig bij, al doen sommige bewoners hun best het tij te keren. Door de rolcontainer netjes naast de voordeur op te stellen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Door in elk geval een naambordje aan de deur te bevestigen.
Senioren zie je er niet, wel complete gezinnen, waar de stulpjes totaal niet op berekend zijn. De bewoners komen overal en nergens vandaan, het is hier heel erg divers.
Lang niet iedereen spreekt Nederlands. ‘Dan is het lastig communiceren’, zegt een buurtbewoner. Besmuikte begroetingen vinden plaats, doorgaans ontwijkt men elkaar.
Meneer J. woont op de hoek, zijn huisje ligt een beetje uit het zicht, er staat ook geen lantaarnpaal in de buurt. De inbreker was al een paar keer wezen kijken. Het viel hem op dat de woning ’s avonds donker bleef.
De inbreker spiedde langs de verbogen stroken van een jaloezie achter het keukenraam. Ongezien sloop hij door de achtertuin, waar een dode conifeer ligt en de restanten van een vermolmde schutting.
Hij drukte zijn neus tegen de plakkerige schuifpui. In het duister ontwaarde hij hoofdzakelijk onbestemde rommel, maar ook een synthesizer en een mengpaneel.
Maandagavond 24 november sloeg hij z’n slag. Hij tikte het onderste ruitje van de voordeur in, verwijderde stukken glas en kroop naar binnen, onder de brievenbus door.
Het halletje lag vol met post. Deze papieren berg van administratieve ellende voelde een beetje papperig aan, gevolg van een ernstige lekkage in het berghok.
Er zit daar een gat in het dak, het regent zo naar binnen: in dunne stroompjes verspreidt het vocht zich door het hele huis. De kozijnen aan de voorzijde zijn goeddeels weggerot, door kortsluiting doet de bel het niet meer.
Meneer J. had een budgetbeheerder, een persoon die ervoor zorgde dat huur, energierekening en zorgkosten elke maand netjes werden betaald. Wekelijks ontving hij 80 euro ‘leefgeld’.
Hij pinde kleine bedragen bij de geldautomaat aan de Slotermeerlaan, valt op te maken uit de afschriften die de budgetbeheerder hem stuurde. In de supermarkt op Plein ’40-’45 kocht hij kant-en-klaarmaaltijden, in het vettige keukentje hoopten de verpakkingen zich op.
De huisarts stuurde ook vaak post. Op 15 oktober mocht meneer J. langskomen voor de jaarlijkse griepprik. Hij was pas 52, toch werd hij al opgeroepen, want hij kampte met een astmatische aandoening.
Om één uur ’s middags werd hij verwacht. Hij moest ‘een kledingstuk met ruime mouw’ aantrekken’ en buiten in de rij bij de voordeur wachten. ‘Als het regent: neem uw paraplu mee.’
Meneer J. kwam niet opdagen. In september, toen een andere afspraak stond ingepland, was hij ook niet naar de praktijk gegaan. Wegens ‘niet verschijnen’ diende hij een boete van 15 euro te betalen.
De inbreker bereikte de woonkamer. Merkwaardige voorwerpen slingeren daar rond. Een lekke voetbal, een kaasschaaf, het verzameld werk van Shakespeare, om lukraak maar wat te noemen.
Het stonk afschuwelijk, misschien dacht de inbreker dat het door de etensresten kwam. Op een kookplaat die meneer J. in de huiskamer had opgesteld, omdat de keuken door het vele afval niet langer toegankelijk was, lagen verkoolde restanten van een sparerib-maaltijd, die hij zonder pan dacht te kunnen opwarmen.
Op een tafeltje naast een gehavende canapé trof ik een briefje aan, geschreven door de tandarts, die twee kiezen uit het verwaarloosde gebit van meneer J. had getrokken. ‘Bij nabloeding opnieuw stevig dichtbijten op schone gazen’, aldus de tandarts. Mogelijk kwamen er witte, scherpe stukjes uit het tandvlees tevoorschijn. ‘Dit noem je botsplinters, deze groeien vanzelf uit en kunnen geen kwaad.’
Meneer J. diende ‘zacht voedsel’ tot zich te nemen, dus zeker geen verkoolde spareribs. Hij mocht absoluut niet roken of alcohol gebruiken. Dat zal lastig zijn geweest, hij hield van bier en cannabis.
In de slaapkamer, waar de geur het scherpst scheen te zijn, zag de inbreker twee breedbeeldtelevisies staan. Het was half bewolkt die nacht, de maan gaf nog aardig wat licht.
Op het oorspronkelijk best wel luxueuze bed, met verend onderstel, lag het ontbindende lichaam van meneer J. Al ruim een maand: in oktober eindigde het pinnen van kleine bedragen abrupt, blijkt uit de afschriften.
Bliksemsnel maakte de inbreker zich uit de voeten, zijn belangstelling voor de apparatuur was op slag verdwenen. De pop, die in het tumult haar angstaanjagende stem opzette, bespoedigde zijn onstuimige vlucht.
De inbreker was geen slecht mens. De volgende ochtend meldde hij zich bij de politie, danig in de war en heel erg geschrokken. De agenten namen hem niet in hechtenis.
Weliswaar was sprake geweest van huisvredebreuk, maar een inbraak is niet echt een inbraak als er niets is gestolen. De recherche werd opgeroepen, een oploop ontstond aan de Bottemastraat.
Het lichaam en het vuile huisje werden grondig onderzocht, van een misdrijf was geen sprake. De doodsoorzaak heet dan ‘natuurlijk’ te zijn. Autopsie kon uitwijzen wat meneer J. fataal is geworden, maar nabestaanden moeten daar opdracht toe geven.
Voor ze naar nabestaanden op zoek konden gaan moest vaststaan dat meneer J. inderdaad meneer J. was. De identificatie verliep moeizaam, nergens was een paspoort of iets dergelijks te vinden.
Ten slotte lukte het een deugdelijke vingerafdruk te maken. Meneer J. kwam in een database van de politie voor. Ooit was hij betrapt op zwartrijden en een winkeldiefstal. Ze wisten nu zeker dat hij het was.
Hij is nooit getrouwd geweest, voor zover bekend had hij geen kinderen: in elk geval zijn ze niet door hem erkend. In de jaren negentig kwam hij naar Nederland. Met hulp van de Britse ambassade werd in Belfast tevergeefs naar familie gezocht.
Op internet liet hij minimale sporen na. Ik vind wat muziek. Driftige techno, die hij met hulp van de bijna gestolen synthesizer en het mengpaneel componeerde in het huisje aan de Bottemastraat.
Nog altijd biedt hij zich als dj aan, op een in onbruik geraakt digitaal platform. Tegen een schappelijke prijs is hij te huren, voor bruiloft en partij. Maar ook voor griezelige themafeesten, allicht in gezelschap van de krijsende pop.
2006 was een succesvol jaar. Zowat elke vrijdagavond draaide hij ‘globaltrance’ in de Crazy Club, een inmiddels verdwenen discotheek bij het Amsterdamse Rembrandtplein waar ze ook tapas serveerden.
Het geweld in Noord-Ierland tekende zijn jeugd, valt op te maken uit een tekstje dat hij over zichzelf schreef op het digitale platform. Regelmatig ontploften bommen in zijn omgeving.
The Troubles, het eeuwige conflict, vermoeide hem. Hij was van protestantse huize, maar weigerde partij te kiezen. Liever organiseerde hij technofeesten, waar zowel nationalisten als unionisten welkom waren.
Op een van die feesten zou de politie xtc in beslag hebben genomen. Kortstondig verdween meneer J. in de gevangenis. Na zijn vrijlating verliet hij Belfast voorgoed.
Hij reisde door Europa en spoelde aan in Amsterdam. Een poosje trok hij op met de Stadsnomaden, een volkje dat nergens bij wil horen. Tot hun kampement in het Westelijk Havengebied werd ontruimd.
Een maatschappelijke organisatie hielp hem aan een baan als onkruidverdelger. Met een postadres kon hij zich registeren. Hij volgde Nederlandse les en kreeg de voormalige bejaardenwoning toegewezen.
Een tijdje ging het goed. Hij ontfermde zich over een zwerfhond, Trippy genaamd. Maar op een dag vloog Trippy hem aan. Ruw werd hij in z’n arm gebeten, geschrokken ging het beest ervandoor.
Hij miste de hond, vergeefs hing hij pamfletjes op. Trippy kwam niet weerom, de wond raakte ontstoken. Meneer J. begon vreemd te doen. Een buurman zegt dat hij verkleed als soldaat door de buurt liep. ’s Nachts hoorden ze hem blaffen.
Er zit plastic om de kist. Anders was het ‘qua geur’ niet te doen voor de chauffeur van de rouwwagen, zegt de uitvaartleider als we vrijdag 19 december om tien uur ’s ochtends de kapel van de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara betreden.
Nooit eerder heb ik techno in de kapel gedraaid, nu doe ik het, want het is de techno die meneer J. zelf maakte. De bas dreunt, de kist trilt. Yanaika Zomer leest haar gedicht.
Ik denk aan de goede inbreker. Misschien had hij erbij willen zijn. We volgen de rolbaar naar het graf. De dragers verwijderen het plastic, dat mag niet mee in de grond.
Vlak voor Kerstmis komt er nieuws uit Groot-Brittannië. Dankzij een ambtenaar uit Sussex, die ik vorig jaar op een congres over eenzame uitvaarten in Berlijn ontmoette. Ik vertelde haar over meneer J., ze schakelde een genealogisch specialist in.
Deze specialist ontdekte dat meneer J. als kind voor adoptie werd afgestaan. Hij kwam in een pleeggezin terecht. Vandaar dat ze geen familie van hem hadden kunnen vinden.
Aan de telefoon vertelt zijn pleegbroer dat de moeder van meneer J. er na zijn geboorte vandoor was gegaan en nooit meer iets van zich had laten horen. Vervolgens overleed zijn vader, toen hij 7 was.
Als puber haalde meneer J. allerlei strapatsen uit. De pleegouders probeerden hem in het gareel te houden, dat lukte niet echt.
Hij zat niet vanwege xtc in de gevangenis, vertelt de pleegbroer, maar omdat hij in Manchester een postkantoor probeerde te overvallen. Vervolgens zou hij zich in Belfast met drugshandel hebben ingelaten.
De markt voor verdovende middelen was in handen van de IRA, aldus de pleegbroer. Meneer J. kwam in conflict met de militante club, er volgden doodsbedreigingen, ook aan het adres van het pleeggezin. Daarop besloot hij Noord-Ierland te verlaten.
Ze hoorden nauwelijks nog iets van hem. Hij wisselde constant van telefoonnummer en reageerde niet als ze informeerden hoe het met hem ging. De pleegbroer denkt dat meneer J. zich voor alles schaamde.
Het is een tragedie, zegt de pleegbroer. In ieder geval is het niet de lange arm van de IRA geweest die meneer J. alsnog vond, iets waarvoor ze altijd vreesden, maar een berouwvolle inbreker. Overigens verbaast het de pleegbroer niet dat het huis van meneer J. zo rommelig was. ‘Vroeger ruimde hij z’n kamer ook nooit op.’
Een dennenpijlstaart draait zich vast
in stoffelijkheid en spinnenrag. Zachte nachtvlinder,
dik bevacht, gelijk een zoogdier dat per ongeluk
ook vleugels kreeg.
Geleefd te hebben, steeds opnieuw
het donker opgezocht omdat het lichter was dan dagen.
Iets achterlaten, je naam aan straatstenen in een stad
die bruiste van de hopeloosheid. De tijd uitdrijven
met een ritme, in een maat, op rijm. Een nachtdier zijn.
Plezier een daad van verzet.
Mensen laten dansen.
En het is niet dat je niet gezocht hebt
naar het daglicht. Naar uitzicht of inzicht,
verlichting bij God of Krishna, het achtvoudig pad.
De belofte van een nieuwe stad,
een nieuwe vorm, een nieuw geluid.
Alleen maar uit te vinden
hoe je loskomt van oud gewicht.
Een dennenpijlstaart, vastgedraaid in
stof en rag. De dag voorzichtig binnen
op een tegendraads cocon. Opnieuw beginnen
in zonlicht en de hoop dat Boeddha toch gelijk had.
Nog één keer terug te mogen komen als een rups.
Yanaika Zomer schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant