Raad voor de Kinderbescherming Het verwijderde onderzoeksdeel toont dat rechters en het OM adviezen van de Raad over kinderen met een migratieachtergrond vaker links laten liggen.
De vestiging van de Raad voor de Kinderbescherming in het gerechtsgebouw in Breda.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een onderdeel laten verwijderen uit een omvangrijk onderzoek naar discriminatie dat dit voorjaar verscheen. In de eindversie van het onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut ontbreekt de deelvraag over de mate waarin de rechtspraak en Openbaar Ministerie adviezen van de Raad opvolgen. Dit gebeurt bij kinderen uit ‘klassieke migratielanden’ minder vaak dan bij andere kinderen. Dat blijkt uit onderzoek van NRC en documenten die zijn vrijgegeven na een beroep op de Wet open overheid (Woo)
De Raad voor de Kinderbescherming is de spil in het stelsel van kind- en gezinsbescherming. Vanuit zijn wettelijke taak kan de Raad de kinderrechter verzoeken om maatregelen zoals ondertoezichtstelling, en adviseert hij rechters en officieren van justitie in onder meer kinderbeschermingszaken, strafzaken en bij schoolverzuim.
Mede naar aanleiding van de Toeslagenaffaire gaf de Raad het Verwey-Jonker Instituut in 2023 opdracht een onafhankelijk onderzoek te verrichten naar vooroordelen en ongelijke behandeling rond de activiteiten van de Raad. Toenmalig directeur Iwan Bean benadrukte tegen de NOS dat maatregelen en adviezen van de Raad diep ingrijpen in het familieleven. „Daarom is het cruciaal dat we niet discrimineren. We moeten zeker weten dat we een Nederlands gezin in een gelijke situatie eenzelfde advies geven als een gezin met een andere culturele achtergrond.”
Voor het onderzoek, dat in april werd gepubliceerd, analyseerde het Verwey-Jonker Instituut de gegevens van alle bij de Raad bekende ouders en kinderen uit de periode 2018 tot en met 2023. De onderzoekers keken daarbij naar verschillende ‘cliëntkenmerken’ zoals sociaal-economische status, gezinssamenstelling en etnische achtergrond.
In veel gevallen werd geen verschil in behandeling gevonden. Maar dat lag anders bij taakstraffen en adviezen van de Raad over het niet vervolgen (sepot) van kinderen. De Raad is verantwoordelijk voor de coördinatie en uitvoering van taakstraffen voor minderjarigen. Daarbij hoort ook de beoordeling of die taakstraf goed is uitgevoerd. Taakstraffen van kinderen met een Nederlandse achtergrond werden vaker als geslaagd beoordeeld dan die van kinderen met een migratieachtergrond. Kinderen onder de armoedegrens kregen eveneens vaker een negatief oordeel. Bij zo’n negatief oordeel kan de officier of rechter vervolgstappen tegen een minderjarige nemen en bijvoorbeeld een zwaardere sanctie of vervangende jeugddetentie opleggen.
Een ander verschil in behandeling werd zichtbaar bij kinderen met een Nederlandse achtergrond die een strafbaar feit pleegden. De Raad adviseerde het OM vaker om hen niet te vervolgen en de zaak te seponeren dan bij kinderen met een migratieachtergrond. Of deze uitkomsten ook betekenen dat sprake is van discriminatie is onderwerp van vervolgonderzoek dat de Raad in april heeft aangekondigd.
Het Verwey-Jonker Instituut onderzocht ook hoe rechters en officieren van justitie omgaan met de adviezen die de Raad wettelijk moet uitbrengen. Het betreft daarbij onder meer adviezen aan de familierechter over ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen als adviezen in jeugdstrafzaken.
Die resultaten – die niet in de definitieve versie staan – laten zien dat adviezen over kinderen uit de ‘klassieke migratielanden’ zoals Suriname, Marokko en Turkije het minst vaak worden gevolgd.
Deze groep wijkt als enige „significant” af van de rest, kinderen met een Nederlandse, Europese of andere niet-Europese achtergrond. In de laatste drie onderzochte jaren werd het advies van de Raad voor kinderen met een ‘klassieke migratieachtergrond’ in ruim 10 procent van de gevallen niet gevolgd: ongeveer een derde vaker dan bij andere kinderen. Of dit te verklaren is door vooroordelen bij de magistratuur blijkt niet uit het onderzoek.
NRC legde dit voorjaar de hand op het conceptonderzoek van het Verwey-Jonker Instituut en constateerde dat de deelvraag over hoe OM en rechtspraak omgaan met adviezen ontbrak in de definitieve versie uit april. In een reactie stelde de Raad dat dit onderdeel geen betrouwbaar beeld opleverde en veel onduidelijkheden en feitelijke onjuistheden bevatte. Ook zou de vraag hoe rechters met adviezen omgaan nooit onderdeel van de opdracht zijn geweest omdat de Raad zich niet op andere organisaties wilde richten.
Interne documenten die onlangs na een Woo-verzoek zijn vrijgegeven, schuren met die reactie van de Raad aan NRC in april. Zo blijkt uit de offerte en opdrachtverlening aan het Verwey-Jonker Instituut dat hoe (kinder)rechters met Raadsadviezen omgaan van meet af aan een van de hoofdvragen van het onderzoek was.
Ook komt naar voren dat het niet de betrouwbaarheid van de data, maar de wens om zich niet over de rechtspraak uit te laten de boventoon voerde bij het schrappen van het onderzoeksdeel. Zo leert een e-mail van een senior onderzoeker van het Verwey-Jonker Instituut dat het onderdeel uit definitieve versie geschrapt is omdat de Raad het uiteindelijk „niet gepast” vond de resultaten „zonder ruggenspraak met de rechtspraak/OM” te publiceren. De Raad zou zich daarmee uitlaten over de activiteiten van anderen. De resultaten waren echter „belangrijk genoeg” om op te nemen in een interne versie van het onderzoek die naast de publieke versie bestaat.
Een woordvoerder van de Raad voor de Kinderbescherming stelt in reactie op nieuwe vragen van NRC dat de Raad alleen de eigen dienstverlening wilde onderzoeken en het inderdaad niet gepast vond andere organisaties zoals de rechtspraak daarbij te betrekken. Dat het deelonderzoek over de rechtspraak toch plaatsvond, is omdat de Raad bij het proces rond de opdrachtverlening „intern onvoldoende scherp is geweest”.
De Raad benadrukt dat er nog steeds inhoudelijke bezwaren bestaan tegen de data waarmee het Verwey-Jonker Instituut de analyse uitvoerde. Die data zou geen betrouwbaar beeld opleveren, onder meer omdat de Raad niet consequent bijhoudt of rechters adviezen van de Raad opvolgen.
Het Verwey-Jonker Instituut laat desgevraagd weten dat men ermee instemde het onderzoeksdeel te schrappen omdat men de redenering van de Raad kon volgen dat het de rechtspraak niet wilde onderzoeken.
Source: NRC