Home

Van ‘feestelijke ongevallen’ naar verbod: hoe Nederland in veertig jaar anders naar vuurwerk ging kijken

Er komt een landelijk vuurwerkverbod. Al in 1985 werd erover gedebatteerd, maar ontbrak elk politiek draagvlak. Veertig jaar oplopende schade, medische noodkreten en veranderend bewustzijn later, komt het verbod er alsnog.

schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.

Het was maar een kort nieuwsbericht, een eenkolommertje in krantenjargon, met een kop van één woord: ‘Vuurwerkverbod’. Korte boodschap: het kabinet ziet geen reden voor een verbod op consumentenvuurwerk. In antwoord op vragen van de Tweede Kamer schreef staatssecretaris Joop van der Reijden (Volksgezondheid) in februari 1985 dat ‘de overheid terughoudendheid moet betrachten bij het ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer’.

In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.

In Kamerstukken uit die tijd staat het wat formeler: ‘Een totaal verbod van de handel in en het gebruik van vuurwerk [zal] als uiterste consequentie eerst overwogen worden nadat op alle andere wijzen, via eisen aan vuurwerk en via voorlichting, getracht is het aantal en de ernst van deze ongevallen terug te brengen.’

Veertig jaar later komt dat vuurwerkverbod er alsnog. Afgelopen voorjaar stemde de Tweede Kamer op initiatief van Jesse Klaver (GroenLinks-PvdA) en Esther Ouwehand (PvdD) voor een landelijk vuurwerkverbod. Dat betekent dat tijdens de aankomende jaarwisseling voor het laatst legaal geknald kan worden. Vanaf 2026 geldt een vrijwel volledig verbod op consumentenvuurwerk.

In 1985 waren de geesten nog lang niet rijp voor een dergelijk verbod. Tijdens een commissiedebat over consumentenveiligheid spraken PvdA-Kamerlid René Toussaint én CDA-staatssecretaris Van der Reijden allebei met een vleugje ironie over ‘feestelijke ongevallen’. De bewindspersoon noemde ook het aantal van dergelijke feestelijke ongevallen – toen ongeveer 1.500 per jaar, iets meer dan het huidige gemiddelde van 1.200 slachtoffers per jaar.

Consequenties had dat niet. Rond diezelfde tijd werden wel drie parallelle trends ingezet die uiteindelijk leidden tot een verbod: de komst van steeds meer, steeds zwaarder illegaal vuurwerk, oplopende kosten van schade in de nieuwjaarsnacht en, daarmee samenhangend, groeiend publiek bewustzijn over de gevolgen van vuurwerk.

Vuurwerkcampagnes

Dat groeiende bewustzijn kwam de eerste jaren vooral tot uiting in de vuurwerkcampagnes van Sire. De ideële reclameclub was in de jaren zeventig begonnen met de beetje tamme slogan ‘Van een rotje naar rottigheid is soms ‘n klein stapje’. In 1985 bedachten reclamemakers de aanmerkelijk scherpere cartoon van een jongeman met blindengeleidehond met als begeleidende tekst: ‘Dankzij dat veel te korte lontje heb ik nu eindelijk een hondje.’ Kort daarna kwam de vuurwerkcampagne echt op stoom met de iconisch geworden ‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’, verzonnen door copywriter Marijke Liebregts.

Iconisch, maar onbewust ook een bevestiging van het liberale idee dat de verantwoordelijkheid voor vuurwerk en vuurwerkongelukken vooral bij de gebruiker ligt. De werkelijkheid was al die jaren anders. Het aandeel omstanders onder de vuurwerkslachtoffers schommelt al jaren tussen de 40 en 50 procent, met af en toe een uitschieter naar boven.

In 2015 pleitten achttien organisaties van onder meer plastisch chirurgen, oog-, jeugd-, kinder- en spoedeisendehulpartsen mede daarom voor een landelijk verbod op consumentenvuurwerk. Een van de initiatiefnemers van dat zogeheten Vuurwerkmanifest was de Rotterdamse kinderoogarts Tjeerd de Faber, die 26 jaar achtereen administreerde wat voor verwondingen hij tijdens de nieuwjaarsnacht behandelde. ‘Gedogen kost ogen’, zei hij op 1 januari 2024 tegen de Volkskrant. ‘Een van mijn jonge collega’s noemde het oorlogsgeneeskunde. (…) De oogletsels zijn daarmee te vergelijken.’

Kwestie van tijd

Twee jaar nadat vrijwel de hele Nederlandse medische stand zich had uitgesproken voor een vuurwerkverbod, volgde ook de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Toen daarna óók landelijke politiebaas Erik Akerboom opriep tot een verbod, was het alleen nog een kwestie van tijd.

Staatssecretaris Van der Reijden deed tijdens de discussie in 1985 nog een korte bekentenis. De bewindsman vertelde in een commissievergadering dat hij als kind, nadat hij vuurwerk had gekocht, een zelf afgeschoten pijl in zijn gezicht kreeg. Die uitspraak ging onopgemerkt voorbij. Geen van de aanwezige Kamerleden, of journalisten, of de staatssecretaris zelf leek op dat moment te zien dat die pijl ook iemand anders had kunnen treffen. Vuurwerk was op dat moment inderdaad nog, zoals het kabinet dat zei, ‘een privéaangelegenheid’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next