De Belgische dichter Leonard Nolens publiceerde een omvangrijk oeuvre, waarin het verhaal van velen wordt verteld vanuit een hyperpersoonlijk, doorvoeld perspectief. Voor zijn muzikale werk ontving hij zo ongeveer alle poëzieprijzen die er zijn. Hij overleed vrijdag op 78-jarige leeftijd.
Een meer dan levensgrote man prijkte op het omslag van een van de laatste bundels van de meer dan levensgrote dichter die afgelopen vrijdag, 26 december, overleed. Ron Muecks Big Man, een naakte kolos met melancholieke blik, alleen in een hoekje gezeten, het hoofd gesteund door een zacht gebalde vuist, even omvangrijk als verloren.
Leonard Nolens, geboren op 11 april 1947, was een van de meest solide en muzikale dichters van zijn generatie, en zeker de meest vooraanstaande dichter in België. Het is moeilijk hem niet te associëren met dat omslagbeeld: hij had als dichter een huidoppervlak als van de Big Man. Alles kon hem raken.
Hij was het type kunstenaar dat zich zelfs haast te véél liet raken – een open zenuw die probeerde woorden te geven aan wat hem, en mogelijk daarmee ook andere mensen, bewoog. Juist die sensitiviteit, het talent zich te laten beroeren, maakte het wezen uit van zijn poëzie. Hij publiceerde een omvangrijk oeuvre van ongeveer dertig bundels; plastisch, sensitief en muzikaal werk waarin het persoonlijke universeel werd en omgekeerd. Waarin het verhaal van velen wordt verteld vanuit een hyperpersoonlijk, doorvoeld perspectief.
Zoals dichter Piet Gerbrandy over Nolens schreef: ‘Als er één reden is waarom Leonard Nolens heeft kunnen uitgroeien tot een van de meest geliefde dichters van ons taalgebied, is het zijn vermogen tot identificatie. Ontworteld in Antwerpen, principieel aan de zijlijn van de maatschappij, worstelend met angsten en drankzucht, heeft hij zich ontwikkeld tot welsprekend navelstaarder, waarbij hij juist in zijn dagelijkse afdaling naar de bodem van zijn ziel een stem heeft weten te vinden die verwoordt wat zijn lezers, zijn land en zijn generatie uit de slaap houdt.’
Meteen sinds zijn debuut in 1979, de bundel Orpheushanden, en tot zijn laatste publicatie uit 2017, nam hij zijn plaats in, na de generatie van Hugo Claus en voor die van Delphine Lecompte en Peter Verhelst. Een dichter die de zaal de adem liet inhouden als hij voorlas en minstens om het jaar een nieuwe bundel publiceerde. Een greep: Twee vormen van zwijgen (1975), Liefdes verklaringen (1990), En verdwijn met mate (1996) en Bres (2007). Bekroningen volgden elkaar op, beginnend met een debuutprijs, kort daarop de Arkprijs van het Vrije Woord en daarna alle grote poëzieprijzen die er zijn – de Jan Campertprijs, de Constantijn Huygensprijs, de VSB Poëzieprijs en in 2012 de Prijs der Nederlandse Letteren.
In de genoemde bundel met de naakte man voorop, Zeg aan de kinderen dat wijniet deugen uit 2011, gaat het expliciet over een generatie, die van hemzelf: de boomers en hun failliet. Gestreden voor vrijheid, maar toch vooral voor die van henzelf. ‘Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen. / Zij moeten de mestkuil betalen, de beerput / Die wij in ons wolkenveld dolven, zij moeten / De hemelriolen ruimen, die stortplaats / Van stront in azuur waar de Ouden van zongen.’ In 2022 maakten Toneelhuis en Behoud de Begeerte een voorstelling gebaseerd op de bundel, gespeeld door acteur Johan Leysen.
‘Gedichten spelen kan natuurlijk niet’, zei die, maar hij deed het toch en de poëzie werd een huiveringwekkend verhaal van grote schoonheid, een schuldbekentenis en belijdenis ineen. Nolens was een romanticus, schrijver van vele erotische liefdesgedichten aan zijn vrouw, en liefhebber van barokke taal. In het calvinistische Nederland werd hij daar wel om bekritiseerd; de combinatie van ronkende zinnelijkheid en zelfkastijding was hier sommigen te veel. Maar zijn lyrische muzikaliteit raakte onverbiddelijk iedere lezer.
Ondanks de soms inhoudelijke zwaarte was Nolens een zingende dichter. Vanaf 1989 publiceerde hij ook dagboeken, notities die zijn worsteling toonden met schrijven, liefde, zijn drankzucht en de angst om te falen. Somber vaak (‘Ik verlang naar een plek buiten dit bestaan’), maar ook ontroerend (‘Woorden gebruiken werd een manier om alleen te blijven en toch van iedereen te worden.’). Alle dagboeken werden in 2009 gebundeld in Dagboek van een dichter 1979-2007 en uitgegeven samen met de uit 1.200 pagina’s bestaande verzamelde gedichten Manieren van leven.
Erna verscheen nog de bundel Opzichtige stilte (2014) over het verblijf in een inrichting waarbij hij opnieuw stem gaf aan een groep, een wereld groter dan hijzelf. In zijn laatste bundel, Balans, keerde hij terug naar zijn kindertijd, de taal en de liefde. De kracht van zijn werk werd ijler, zijn houvast in het leven ook, al leefde hij tot het einde gelukkig samen met zijn grote liefde Leen. Hij had twee zoons; eentje, David Nolens, werd ook schrijver.
Hoe poreus Nolens ook was, moeizaam levend, de greep naar het grote en hoge schuwde hij nooit. Elke dag stond hij op om te schrijven. In 1993 noteerde hij in zijn dagboek dat het schrijven voortkwam uit een oneindig gecultiveerd verlangen dat slechts door de dood kon worden stopgezet. ‘Pas daar, in dat sprakeloze einde, vindt het zijn voltooiing.’
Nu zijn verlangen – het schrijven – dan is stopgezet, zijn zijn gedichten voltooid. Al lukte het hem de laatste jaren niet meer om nieuw werk te publiceren, dichten en leven was voor hem hetzelfde. En hoezeer hij zich ook bewust was van zijn tekort, hij wist dat het goed was wat hij maakte. Lees zijn bundel Bres, waarschijnlijk zijn beste.
Het is een prachtig boek
Dat ik pen, dat ik ben dat ik nooit
Zal kennen. Geen doek dat hier valt.
Geen mens die dat boek ooit kan schrijven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant