Joke verhuisde met haar man naar Nieuw-Zeeland, kreeg heimwee en wilde terug. Maar toen ze terugkwam, kreeg ze spijt; ze had toch dáár moeten blijven. Een serie over mensen die spijt hebben van hun beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
‘Het begon met de woningnood, eind jaren zeventig. We woonden met een baby op een etage in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam op vier hoog. We leefden in de veronderstelling dat er wel een groter huis op ons pad zou komen, maar dat kwam niet. Op een gegeven moment kregen we een woning in Lelystad aangeboden, maar dat was zo’n raar huis dat we ervoor bedankt hebben. Daardoor werden we van de lijst van woningzoekenden geschrapt.
We kwamen vrienden tegen die ons vertelden dat ze gingen emigreren naar Nieuw-Zeeland. Omdat mijn man en ik allebei reislustig en avontuurlijk zijn, leek het meteen iets voor ons. We gaven ons op bij de emigratiedienst waarna alles in gang werd gezet. Er zou een woning in Christchurch voor ons klaarstaan, en voor mijn man, die typograaf was bij de krant, zou werk worden geregeld. Voor het verhuizen van onze huisraad van Nederland naar Nieuw-Zeeland kregen we zelfs veel kuub vergoed. Dat ging allemaal ontzettend soepel.
In het vliegtuig zaten we naast mensen die hun sportschool hadden verkocht en gingen reizen door Nieuw-Zeeland. Het waren leuke mensen met wie we contact zouden blijven houden. Toen we drie maanden in Christchurch zaten, lieten ze ons weten dat we naar Nelson moesten gaan. Dat ligt in het noorden van het Zuidereiland en volgens hen was dat de mooiste plek van het land. We hebben een auto gehuurd en zijn gaan kijken. Het was er inderdaad zo adembenemend mooi dat we ons daar definitief wilden vestigen.
We hadden niet meer dan 20 duizend gulden, maar volgens de makelaar was dat geen probleem. Hij reed ons rond en wees het ene mooie huis na het andere aan. We voelden ons kapitalisten. Huizen met zwembaden sloegen we zelfs af. Op een gegeven moment kwamen we bij een huis op een berg met uitzicht over de Tasmanbaai. Het huis zelf was ontzettend gerieflijk, de tuin enorm groot. Vanaf ons terras zagen we de zee, in de verte zag je de dolfijnen uit het water opspringen. Op de achtergrond zag je de bergen, soms met sneeuw erop. Het was een droom.
Vrij snel kon mijn man bij een krant aan de slag, The Nelson Evening Mail. Ik ging zo stoer als ik was, de taal niet bepaald machtig, de ziekenhuizen langs om te vragen of ze werk voor me hadden. Een privéziekenhuis bood me een baan aan in de nachtzorg. Overdag was ik thuis bij onze dochter van acht maanden, ’s nachts werkte ik. We kregen een tweede kind, een zoontje. Een echte Kiwi, zo word je genoemd als je geboren bent in Nieuw-Zeeland. We hadden het echt heel goed voor elkaar.
Maar het vakantiegevoel van de begintijd ebde weg en ging over in het ritme van werken en de zorg voor kleine kinderen. Dat heb je natuurlijk overal, maar het viel ons zwaar. Ik kreeg last van pittige heimwee. Ik had het idee dat ik hele bijzondere kinderen had, maar ik kon ze niet laten zien aan mijn familie. Je had geen internet, geen FaceTime en telefoneren naar Nederland was veel te duur. Mijn bijzondere kinderen konden door niemand worden bewonderd.
Mijn man had ook het gevoel dat zijn oude jas nog in Nederland aan de kapstok hing. Hij begon naar haring te verlangen terwijl hij in Amsterdam nooit haring at. Hoewel het bij mij veel meer knaagde, begonnen we de heimwee samen te cultiveren. Op een nacht was er een lichte aardbeving. Dat komt daar wel vaker voor, want het is een vulkanisch gebied. Wij grepen het aan als druppel die de emmer deed overlopen: we besloten terug te gaan.
We hebben alles in het werk gesteld om te remigreren, wat nog niet zo makkelijk bleek. We schreven gemeenten aan maar we voelden ons niet welkom als gesjeesde emigranten. Het was de tijd dat de bootvluchtelingen kwamen. Destijds kwamen ze uit Vietnam en ze moesten ook huisvesting hebben, het is een probleem van alle tijden. Uiteindelijk konden we in Enkhuizen, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, een huisje krijgen.
Op Schiphol wist ik het meteen: ik had spijt. Ik zag hoe de familie die ons stond op te wachten naar onze kinderen keek en begreep meteen dat we hele normale kinderen hadden, niks bijzonders. Ik had heel snel het gevoel dat ik de familie al gezien had. Mijn schoonzus had ik vreselijk gemist, maar toen we ’s avonds bij haar aan tafel zaten moesten we bidden. Mijn kinderen kenden dat helemaal niet. Ik ben weliswaar van gereformeerde huize maar we deden er niets meer aan. Toen ik de volgende ochtend de gordijnen van ons huis in Enkhuizen opendeed, kon ik bij de buren aan de overkant op tafel kijken.
Er brak een heel moeilijke tijd aan. Over mijn spijt sprak ik niet, in plaats daarvan ging ik observeren. Ik sloeg gade hoe de Nederlanders zich gedroegen, hoe dicht op elkaar de huizen waren gebouwd, en hoe de mensen zaten te teuten over een chippie en zeurden over het weer. Ik werd kritisch op het land, op het weer en op de mensen. Het meest mopperde ik op mezelf, want ik verweet het mezelf enorm dat we het in Nelson hadden opgegeven. Mijn man had er geen moeite mee, hij vond het hier prima. Ik kon met mijn verhaal geen kant op. Ik wilde zo graag terug, maar het was niet terug te draaien. Wie garandeerde ons dat ik niet opnieuw last zou krijgen van heimwee? ‘Liever heimwee dan Holland’, een zin uit een gedicht van Leo Vroman, die naar Amerika verhuisde, spookte járen door mijn hoofd.
Ik troostte mezelf met de gedachte dat onze kinderen, inmiddels hadden we er drie, in ieder geval bij ons in Holland zouden blijven. Maar niks ervan, ze gingen de wereld over. Ze hebben alle drie een avontuurlijke aard, zijn echte buitenmensen. Onze dochter werkte jaren als expat in Oman en woonde daarna vier jaar in Nieuw-Zeeland. Tijdens een vakantie die wij bij haar doorbrachten zijn we naar Nelson teruggegaan, naar ons huis met uitzicht op de baai. Toen we daar in de tuin zaten, rond de berk die er nog steeds stond, kreeg ik het echt te kwaad. Dat was een heel moeilijk moment. Nu nog, nu ik erover praat. We hadden daar kunnen zitten, de mensen die er woonden hadden wij kunnen zijn.
Ik droom nog steeds vaak dat ik toch terugga. We hebben alles al ingepakt en zijn klaar voor vertrek. Maar dan kom ik op een punt dat ik het aan de mensen moet vertellen en dat durf ik niet. Op dat punt stopt de droom altijd. Ik ben tegenwoordig taalmaatje van een Poolse, van een Turkse en van iemand uit Jemen. Dat geeft me veel voldoeding en dat heeft voor mij de link gelegd.
Ik weet hoe lastig het is om in een land te komen met een andere cultuur waar je de taal niet goed beheerst. Als ik een taalmaatje had gehad in Nieuw-Zeeland, iemand die me bij de arm had gepakt en me de weg had gewezen, was ik vast gebleven. Hoewel de spijt niet zal verdwijnen, kan ik me inmiddels verzoenen met het feit dat het leven gegaan is zoals het is gegaan. Om dat te kunnen relativeren heb ik 77 moeten worden.’
Kampt u ook met diepe gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant