De druk die op de regering wordt uitgeoefend om de prijzen van dure geneesmiddelen voortaan te toetsen aan de hand van een rekenmodel, komt neer op een soort prijsdictaat.
De maatschappelijke organisatie Wemos zet zich in voor een betere gezondheidszorg wereldwijd. In een open brief gericht aan onze regering pleit zij er nu voor om inzage af te dwingen in de prijsopbouw van dure medicijnen, met name in de ontwikkelkosten, winstmarges en kortingen.
In een in 2023 door Tweede Kamer aangenomen motie is de regering overigens al verzocht een en ander te onderzoeken. Ook een aantal zelfstandige bestuursorganen (het Zorginstituut respectievelijk de Mededingings- en Zorgautoriteit) neigt sinds kort naar zo’n aanpak. Wemos wil, zo blijkt ook uit zijn rapport, dat de overheid niet langer geblinddoekt onderhandelt over de prijs van een nieuw, duur medicijn. Een benadering die veel gehoor vindt: simpelweg via een rekensom bepalen wat de medicijnprijs ten hoogste mag zijn.
Een soort prijsdictaat dus. Waarmee de huidige prijsonderhandelingen tussen de overheid en medicijnfabrikanten – beslissend voor het al dan niet opnemen in het basispakket van onze zorgverzekering – in een ander daglicht komen te staan. Van een zekere gelijkwaardigheid tussen partijen zal geen sprake meer zijn.
Harry Suykerbuyk was werkzaam zowel in de farmaceutische sector als binnen de overheid, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor het geneesmiddelen- en medische hulpmiddelenbeleid op het ministerie van VWS.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Aan de goede intenties van Wemos valt niet te twijfelen. Hoe lager de medicijnprijzen, hoe groter de toegankelijkheid. Dat is een open deur. Maar de bezwaren tegen haar voorstellen, praktisch en principieel, zijn legio. De af te dwingen transparantie vereist verstrekkende boekhoudkundige aanpassingen, die ver voorbij de internationale (IFRS of US-GAAP) standaarden gaan.
De verplichting schept bovendien een uitzonderingspositie voor één categorie onderneming. En in sommige gevallen een moeilijk aan te brengen scheidslijn binnen één onderneming tussen farmaceutische en niet-farmaceutische activiteiten. Fabrikanten zullen op goede gronden de gevraagde informatie hier en daar als zeer concurrentiegevoelig (denk bijvoorbeeld aan kortingen) en derhalve als confidentieel beschouwen.
Het is teleurstellend dat Wemos voor het vaststellen van wat zij als een acceptabele prijs ziet, het omstreden ‘cost-plus pricing’ model omarmt. Daarin wordt die prijs direct en volledig afgeleid uit de feitelijke ontwikkelkosten plus een redelijk geachte winstopslag, inclusief een klein (geschat) plusje ter compensatie van de R&D-kosten van medicijnen die de eindstreep niet haalden. Dat klinkt als een rationeel ‘terugverdienmodel’, maar is economisch gezien een dwaalspoor.
De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zijn namelijk verzonken kosten. Ze zijn al gemaakt voordat het middel op de markt komt, betaald uit eerdere opbrengsten van verkochte medicijnen of door investeerders. Ze zijn ook niet ongedaan te maken. Ze zeggen weinig over de medische en maatschappelijke waarde van het marktrijpe product. Sterker nog: ‘cost-plus pricing’ beloont inefficiëntie. Hoe meer geld een bedrijf in de ontwikkeling stopt, hoe hoger de ‘gerechtvaardigde’ prijs. Daardoor kan een baanbrekend, effectief medicijn juist te goedkoop worden gewaardeerd, terwijl een matig werkend middel met hoge ontwikkelkosten te duur uitvalt.
De door Wemos voorgestelde methode heeft nog een serieus manco. Er is namelijk één uiterst onzekere variabele die bepalend is voor de uitkomst van dit prijsmodel. Het uitgangspunt van de ‘cost-plus pricing’ rekenerarij, is één vast, terug te verdienen bedrag, opgetuigd met diverse extra’s. Om de prijs per doseereenheid (meestal tablet of capsule, maar het kan ook een injectie zijn) te berekenen, moeten vervolgens de aldus gemaakte kosten worden gedeeld door het aantal doseereenheden, dat in de markt wordt afgezet, logischerwijs beperkt tot de resterende looptijd van het octrooi.
Gegeven zijn de door fabrikant voorgeschreven doses in combinatie met de gebruiksduur (eenmalige toediening, kortdurend of chronisch). Die doses moet dan alleen nog worden vermenigvuldigd met het totaal aantal gebruikers gedurende die periode. Waarna het quotiënt (lees: de acceptabel geachte prijs) kan worden berekend. Maar wie bepaalt dat aantal patiënten, op grond waarvan en met welke bandbreedte?
Een farma-onderneming stelt gewoonlijk de prijs van een nieuw middel vast via een reeks afwegingen. Deels van bedrijfspolitieke aard zoals de verwachtingen onder aandeelhouders, deels van financieel-economische aard. Denk aan het beoogde rendement op het eigen vermogen dan wel de gewenste dekkingsbijdrage. Maar hoofdzakelijk op minder harde criteria, waarbij de innovatieve, klinische en maatschappelijke waarde van het medicijn voorop staat. Maar ook rekening houdend met het concurrentielandschap en de prijs- en belastingdruk in afzonderlijke markten. En moeilijk te kwantificeren zaken zoals de juridische hardheid van het octrooi, de doorlooptijd van nationale vergoedingsprocedures, de acceptatie onder voorschrijvers en de mogelijke reacties op de prijsstelling vanuit het maatschappelijk en politiek krachtenveld.
Volgens Wemos behoort voortaan de overheid aan de hand van een, in een beleids- of maatregel vervat rekenkundig regiem, nauwkeurig de maximumprijs aan te geven, een rekensom met de charme van eenvoud. Rest alleen vast te stellen wat het aantal toekomstige medicijngebruikers is. Met als gevolg dat voortaan prijsonderhandelingen in de toekomst nog uitsluitend dáárover gaan.
Zou het niet verstandiger zijn om onze academia uit te dagen een methodiek te ontwikkelen waarmee een medicijn overtuigend op gezondheidswinst en medische relevantie wordt gewogen? En met behulp van de uitkomsten daarvan – dus pas in tweede instantie – de betalingsbereidheid van de maatschappij in de afweging te betrekken, gesteund door een zinnige financiële analyse. Om zo de prijs-/prestatieverhouding van het nieuwe medicijn goed in beeld te krijgen.
De marktmacht van de farma-industrie vraagt om tegenmacht. Maar dan wel in de gedaante van een overheid die niet louter acteert met dubieuze rekenkundige dwang, maar met een breed opgezette waardebepaling.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant