Pakketjes bezorgen in Beijing, nachtdiensten draaien in een distributiecentrum: jarenlang hield Hu Anyan zich staande aan de onderkant van de Chinese arbeidsmarkt. Het boek dat hij daarover schreef, werd in China een bestseller.
is China-correspondent van de Volkskrant. Ze woont in Beijing.
Hu Anyan ontvangt zijn gast op de plek waar hij bijna dagelijks schrijft: een verlaten bioscooplobby op de vierde verdieping van een winkelcentrum in Chengdu. Een raamloze ruimte waarin het tl-licht fel neerdaalt op een tegelvloer, en waar een boekenkast in de hoek enkel dummy’s bevat. Voornamelijk dozen met het opschrift BOOK.
Hu, die overigens schrijft onder pseudoniem, vindt het een prima werkplek. ‘Het is hier altijd rustig’, stelt de 46-jarige schrijver monter, een slungelige gestalte in korte broek en grijze hoodie. Verder is er airco, gratis wifi en de bioscoopmedewerkers verplichten je nooit iets te kopen. Voor zichzelf en zijn gast zet Hu twee flesjes water op tafel, van huis meegenomen.
De schrijver is wel erger gewend. Twintig jaar lang deed Hu het soort doodvermoeiende werk dat in China, zo benadrukt hij, doodnormaal is: ‘Met zo’n enorme bevolking zijn mensen gewend geraakt aan eenvoudig, fysiek werk met weinig zekerheid, beperkte rechten en een laag inkomen.’
Net als China’s 300 miljoen andere migrantenarbeiders wisselde Hu bijna jaarlijks van baan, en werkte hij door het hele land, van het noordelijke Beijing tot het zuidelijke Guangzhou. Hij had negentien banen in twintig jaar tijd: van bewaker in een winkelcentrum tot verkoper van nepmerkkleding en pakketsorteerder in een distributiecentrum. Op die laatste werkplek dreef de werkdruk een collega tot zelfmoord.
Zijn verhalen daarover publiceerde hij op een blogplatform. Toen een van zijn posts viraal ging, bood een uitgever hem een contract aan. In 2023 verscheen Ik bezorg pakketjes in Beijing. Het groeide in China uit tot een van de succesvolste boeken van dat jaar.
Vorige maand verschenen vertalingen van zijn eerste boek in het Engels, Duits, Koreaans en Nederlands; een dozijn andere vertalingen volgt nog. Hu leeft inmiddels van zijn schrijverschap, voornamelijk dankzij de inkomsten die zijn debuut opbracht. En dankzij zijn zuinige levenstijl, zo vertelt hij, met dezelfde onderkoelde humor als waarmee hij schrijft.
Het boek is grotendeels een bundeling van de online teksten. Wel werd een passage over de zelfmoord geschrapt, bemerkte de Financial Times eerder dit jaar. Hu zegt er niet mee te zitten, al beschouwt hij het als een daad van nodeloze zelfcensuur van de uitgever. ‘Ik wilde het vastleggen als ongewoon voorval’, stelt hij. ‘Elke Chinees weet ook dat zulke dingen bestaan.’
Inderdaad observeert Hu in zijn boek scherp, maar laat hij de feiten voor zich spreken. Hij schreef geen eenduidige maatschappijkritiek, zoals sommige buitenlandse media volgens Hu suggereren. Evenmin schreef hij het verheffende verhaal van een modelarbeider, zoals Chinese media soms stellen. ‘Mijn leven is geen inspirerende reis’, zegt Hu.
Zijn laatste baan, als pakketbezorger in Beijing tot eind 2019, was het zwaarst geweest. ‘Elk item heeft een afteltimer. De tijd tikt weg. Als je de verwerkingstijd overschrijdt, dan word je direct gebeld om dat te bespreken, of beter gezegd, om berispt te worden. Maar de deadlines die ze stellen zijn simpelweg onhaalbaar.’
Hu werkte 26 dagen per maand, elf uur per dag. Eenmaal gearriveerd bij zijn bezorgwijk, met een volgeladen elektrische tuktuk, moest hij elke vier minuten een pakketje afleveren. Met iedere bezorging verdiende hij zo’n 2 yuan (0,25 euro). ‘Gaandeweg raakte ik eraan gewend om alles puur economisch te bekijken’, schrijft hij. ‘Zo kostte het me bijvoorbeeld 1 yuan om te plassen, want elke minuut van mij was 0,50 yuan waard.’
De klanten waren veeleisend, en vaak onredelijk. Op een dag vraagt een man hem aan de telefoon een half uur te wachten bij de plek die hij als bezorgadres heeft opgegeven. Hu weigert beleefd, maar wordt later op de dag door de klant briesend staande gehouden. De man werpt hem toe dat ‘de klant God is’ – de Chinese variant van ‘klant is koning’. Hu antwoordt: ‘Maar normaal is er maar één God! Ik moet er elke dag honderden dienen!’
Daarop schiet de man in de lach: ‘Hij bleek niet echt boos te zijn’, schrijft Hu. ‘Met het nodige gevoel voor humor wuifde hij met het pakje in zijn hand en fluisterde tegen me: ‘Ik mocht dit niet kopen van mijn vrouw, daarom kon je het niet bij mij thuisbezorgen.’’
Het is een van de weinige keren dat u even contact legt met een ander in dit boek. En de enige keer dat u een klant van repliek durft te dienen.
‘Ah ja, ‘de klant is God’. Die uitdrukking gaat al vele jaren rond in China. Het is een uitdrukking die de dienende houding binnen de dienstensector belichaamt: de klant heeft altijd gelijk, zelfs als hij ongelijk heeft. Waarschijnlijk afkomstig uit westerse landen, dat idee is in ieder geval niet door de Chinezen bedacht. Net zoals het concept van God niet in China is ontstaan.
‘Vaak was ik ook woedend hoor, als een klant het me moeilijk maakte. Maar als ik daar uiting aan zou geven, dan was er onmiddellijk een klacht ingediend. Ruzie maken met een klant leidde direct tot ontslag. Dus het was altijd zaak om een gemeenschappelijke basis te vinden. In deze situatie vond ik humor de beste aanpak om te voorkomen dat de kwestie zou escaleren. En ach, privé ben ik eigenlijk wel iemand die van een beetje geklets houdt.’
Niet bepaald tijdens uw werk. U beschrijft uzelf als een ‘bezorgrobot’. Hoe veranderde uw werk u?
‘Tijdens het hele werkproces pushte ik mezelf voortdurend om elke taak zo snel mogelijk af te handelen. Maar eerlijk gezegd, als je eenmaal in dat ritme zit, is het te doen.
‘Het is net als wanneer je gaat hardlopen. In het begin, voordat je bent opgewarmd, voelt het zwaar. Maar als je eenmaal 2 of 3 kilometer hebt afgelegd en je ritme hebt gevonden, voel je die druk op je longen, dat bonzen van je hart niet meer. Op dezelfde manier vergeet je het geleidelijk aan als je onder intense druk werkt. Je raakt zo afgestemd op de taak dat je niets meer voelt – je gaat gewoon mechanisch door.
‘Vanuit het perspectief van mijn klanten kwam ik daardoor misschien koel over, omdat ik geen enthousiasme kon opbrengen – dat kost tijd en emotie. En ik had daar gewoonweg niet genoeg emotionele bandbreedte voor. Dus ik probeer de communicatie tot een absoluut minimum te beperken.’
In de wereld die u in uw boek schetst denken mensen bijna alleen aan zichzelf. Klanten stellen absurde eisen, en tijdens uw werk in het distributiecentrum pesten collega’s een langzaam werkende vrouw uit het team, omdat ze vrezen dat zij anders moeten opdraaien voor het werk dat zij niet aankan.
‘Waar ik me ongemakkelijk over voel is het feit dat de mensen die zich meedogenloos gedroegen, en tot het bittere einde vochten om hun zin te krijgen, dat dit mensen waren zoals ik – wat we Beipiao noemen (‘dwarrelaars in Beijing’, oftewel migrantenarbeiders, red.). Mensen die in de hoofdstad een gedeelde flat huren, met zes of zeven vreemden samenwonen, en laagbetaalde maar stressvolle banen hebben.
‘In mijn persoonlijke ervaring in Beijing zijn mensen in meer bevoorrechte posities over het algemeen beleefder en attenter tegenover bezorgers zoals wij, inclusief maaltijdbezorgers.’
Hoe kijkt u daarnaar? Haalt het systeem waarbinnen u werkte dan het slechtste in de mens naar boven?
‘De menselijke natuur zelf is fundamenteel hetzelfde, maar sociale omgevingen zorgen ervoor dat bepaalde aspecten ervan tot uiting komen, terwijl andere worden onderdrukt. Zo zie ik het.
‘Deze mensen verdienen weinig, zijn ontevreden over hun leven, staan onder enorme werkdruk, en worden soms lastiggevallen of vernederd. In dergelijke omstandigheden kunnen ze zich niet veroorloven tolerant of begripvol tegenover mij te zijn. Ze kunnen mij niet vriendelijk behandelen, omdat het leven hén niet vriendelijk behandelt.
‘Weet u, tijdens de Lente- en Herfstperiode (770-476 v. Chr., red.) was er een staatsman genaamd Guan Zhong in de staat Qi, het huidige Shandong. Hij zei: ‘Wanneer de graanschuren vol zijn, leren mensen wat beleefdheid is; wanneer ze genoeg eten en kleding hebben, kennen ze eer en schaamte.’’
Maar tegelijkertijd lijkt u in uw werk wel degelijk het goede te willen doen, en zeer gewetensvol te werken. U trekt het zich ook enorm aan als u een slechte beoordeling krijgt via de app.
‘O, zeg dat niet! De eisen die ik aan mezelf stelde – de ‘gewetensvollere’ aanpak die u noemt – kwam voort uit de angst om fouten te maken. Ik zat me dag in dag uit op te vreten, doodsbang om door mijn leidinggevende in een vergadering ertussenuit te worden gepikt en bekritiseerd.
‘Sommige collega’s gaven daar helemaal niets om. Ze vatten het niet persoonlijk op. Ik was jaloers op zulke mensen. Ze leefden heel egocentrisch, terwijl ik extreem zelfbewust ben.’
En was het beter, om binnen dat systeem egocentrisch te zijn?
‘Als je in een economisch systeem met zeer hoge druk zit waarin je dit soort snelle werkzaamheden of logistiek werk doet – hoe zal ik het zeggen? Als je dan overdreven vriendelijk bent, dan word je uitgebuit, nietwaar?
‘Het is een beetje zoals we in mijn jeugd, in de jaren negentig in Guangzhou, over buitenlanders dachten. We vonden hen naïef en eenvoudig van geest. Gul, goedhartig en dwaas. Ze werden misbruikt, maar bleven er toch vrolijk onder.
‘Als ik er nu op terugkijk, dan realiseer ik me dat de buitenlanders die het zich konden veroorloven om naar China te komen niet bepaald de meest kansarmen waren. Zogezegd geen arme Afro-Amerikanen uit de sloppenwijken. Zij hoefden in hun oorspronkelijke omgeving niet op hun hoede te zijn. Dus als ze eenmaal in China aankwamen, dan waren ze gemakkelijk te misleiden – ze geloofden alles wat je zei.
‘In Guangzhou, waar ik opgroeide, prijzen we een kind door te zeggen dat hij slim en vindingrijk is. Niet omdat hij goedhartig is. Dat zou eerder tot bezorgdheid leiden.’
Maar waarom was u dan zo angstig en zelfbewust?
‘Ik denk dat dit vooral komt doordat er een bijzondere culturele kloof bestond tussen mij en de omgeving waarin ik ben geboren en getogen. Guangzhou is altijd een van de economisch meest ontwikkelde steden van China geweest, vlak bij Hongkong. Men was er altijd meer gebrand op geld verdienen.
‘Maar ons gezin leefde als een geïsoleerd eiland, afgesneden van de rest. Mijn moeder verhuisde naar Guangzhou toen ze 6 was, en mijn vader pas in 1978, toen hij uit militaire dienst kwam. Hij kwam van het platteland en profiteerde echt van het communistische regime. En ook mijn moeder zette zich van ganser harte en actiever dan de mensen om haar heen in voor die ideologie. Voor haar was het een manier om haar persoonlijke gevoel van veiligheid te waarborgen, in een tumultueuze tijd.
‘Ze voedden mij op met nadruk op gehoorzaamheid en discipline. Als ik fouten maakte, bekritiseerden ze me in het bijzijn van anderen – vaak harder dan buitenstaanders dat zouden doen. Ze vonden dit juist: geen voorkeuren tonen, hun eigen kind niet beschermen. Ze zagen dit soort opvoeding als bewijs dat ze rechtschapen, morele, respectabele mensen waren.’
Vond u het werk dat u deed eigenlijk waardevol?
‘Er is een Amerikaans boek, ik heb het niet gelezen, maar dat stelt dat bepaalde banen zouden kunnen verdwijnen zonder dat dit invloed heeft op het functioneren van de samenleving.’
Bullshit Jobs, van David Graeber?
‘Ja, precies. Was mijn werk als koerier bullshit? Nee. Er stond iemand voor me, die bedankte me, en de volgende persoon ook, talloze keren per dag. Mijn werk had betekenis en waarde voor deze mensen, naast het feit dat ik er mijn geld mee verdiende. Maar omdat dit werk door iedereen kan worden gedaan, kon ik er geen eigenwaarde aan ontlenen.’
Rond uw 30ste bent u gaan schrijven. Waarom?
‘Dat kwam puur voort uit mijn mislukking op het gebied van werk – ik had niets bereikt, niets volbracht, ik had volledig gefaald. Ik koos voor schrijven omdat ik hoopte dat deze creatieve bezigheid me zou helpen betekenis te vinden in mijn leven. Ik heb het nu over de ietwat extreme overtuiging die ik rond mijn 30ste had.
‘Het schrijven dat ik koos, was in mijn ogen een puur, idealistisch streven – vrij van wereldse, utilitaire motieven. Het was alsof ik een verbinding tot stand bracht tussen mezelf en God, zonder dat ik daarvoor een kerk of een priester nodig had. Destijds werkte ik echt op deze manier: in eenzame dialoog met mijn ziel.
‘Maar ondanks deze geïdealiseerde puurheid zoeken de meeste schrijvers, en ikzelf ook, naar externe bevestiging. We dienen ons werk in voor publicatie, in de hoop erkenning te krijgen en zelfs inkomsten te genereren met ons schrijven.’
Die hoop werd in uw geval vervuld. Een literair sprookje: uw debuut werd een bestseller. Hoe verklaart u zelf dat succes?
‘In eerste instantie: nieuwsgierigheid. Je moet bedenken: de overgrote meerderheid van de Chinese bevolking heeft dagelijks contact met koeriers. Maar ze weten niet wat ze denken, of het goed met hen gaat, hoe hun werk in elkaar steekt.
‘Maar na een half jaar veranderde er iets in de lezersreacties. Veel lezers herkenden zich in mijn ervaringen, ook al hadden de meesten een kantoorbaan. Ook zij voelen weinig ruimte op hun werk om voor zichzelf op te komen. Weiger je iets, dan neemt een ander wel je baan over. Ook zij voelen zich gedwongen de omstandigheden te accepteren, hun ware zelf te onderdrukken.’
Door uw succes kwam u opeens in de schijnwerpers te staan. Uw schrijven was niet meer alleen van uzelf. Hoe was dat?
‘Het is mooi dat mijn boek bij andere mensen resoneert. Tegelijkertijd ligt de waarde van schrijven voor mij in het proces van zelfreflectie. Zonder het schrijven had ik misschien nooit teruggekeken op gebeurtenissen van meer dan tien jaar geleden – specifieke handelingen, interacties met bepaalde mensen. Waarom heb ik die dingen toen gezegd of gedaan?
‘Om dit boek te schrijven, moest ik terugkijken naar het verleden, mezelf kritisch bekijken en opnieuw onderzoeken. Daardoor geloof ik dat mijn huidige toestand – inclusief hoe ik met u communiceer – in ieder geval volwassener is dan vijf jaar geleden, voordat ik over dit thema begon te schrijven.’
U heeft sindsdien nog twee essaybundels geschreven. En nu?
‘Op 46-jarige leeftijd is mijn levensverhaal al volledig geschreven. Ik kan en wil niet het schrijven in deze stijl voortzetten. Dus ik zal in de toekomst fictie schrijven. En als ik dat doe, vermoed ik dat maar weinig mensen het zullen lezen.
‘Ik schaam me een beetje om het te zeggen, maar als ik er zo over nadenk, dan kijk ik tevreden uit naar mijn toekomst. Ik heb geen brandende ambities of obsessieve bezigheden meer; ik heb het gevoel dat ik alles heb bereikt wat ik ooit wilde. Ik wil gewoon zo vredig mogelijk verder leven en de mensen die ik ken vriendelijk behandelen, binnen mijn mogelijkheden. En sociale contacten beperken.
‘Op een dag hoop ik te verdwijnen. Ik heb het gevoel dat het niet lang meer zal duren.’
Verdwijnen? U bedoelt verder leven als een kluizenaar, ergens op een berg?
‘Het hoeft niet op een berg te zijn. Als ik maar niet meer mijn gezicht hoef te laten zien. Ik zou ook in Chengdu kunnen blijven, aangezien mijn vrouw hier vandaan komt en zij dol is op de stad. Maar geen contact meer hebben met mensen, geen interviews online of waar dan ook.
‘Weet u, er is een oud Chinees gezegde, dat luidt: een mindere kluizenaar trekt naar de bergen, een grootse kluizenaar trekt zich terug in de stad.’
1979 Geboren in Guangzhou.
1999 Rondt een mbo-opleiding af.
1999 Begint aan een twintig jaar lange successie van baantjes, in onder meer Shanghai, Beijing, Dali, Nanning, Foshan. Zo werkt hij als ober, pompbediende, straatverkoper, bewaker, snackbareigenaar en fietsverkoper.
2018 Hu begint in Beijing zijn werk als pakketbezorger.
2019 Het bedrijf waar Hu werkt wordt opgeheven en Hu wordt ontslagen.
2020 Tijdens de coronaperiode is Hu werkloos. Hij begint over zijn loopbaan te publiceren op het platform Douban.
2023 Ik bezorg pakketjes in Beijing wordt uitgegeven in China.
2024 Essaybundel Ik kwam later tot bloei dan de wereld verschijnt.
2024 Essaybundel Leven in een laag oord verschijnt.
Hu Anyan (pseudoniem) woont in Chengdu met zijn vrouw, die ook schrijver is. Hij werkt aan een roman.
Hu Anyan: Ik bezorg pakketjes in Beijing. Uit het Chinees vertaald door Silvia Marijnissen. De Arbeiderspers; 288 pagina’s; € 24,99.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant