Home

Hiske Versprille eet de (waarschijnlijk) duurste boterham met hagelslag van Nederland

Een nacht in hotel Rosewood Amsterdam

In het pand waar ooit de armste kinderen van Amsterdam werden opgevangen, zit nu hotel Rosewood Amsterdam; het hyperkapitalisme ten top. Culinair recensent Hiske Versprille boekt er een kamer en voelt hoe haar verzet met het uur groeit.

Door Hiske Versprille

Fotografie Mark Rammers

Illustraties Michel Keppel

Ik heb nu kwaaiig wakker gelegen in een bed dat mijn halve bruto jaarinkomen moet hebben gekost. Ik heb 21 euro, plus van schrik ook nog 3 euro fooi betaald voor een boterham met hagelslag of, zoals dat bij Rosewood heet: Authentic Dutch De Ruijter sprinkles.

Ik heb lang in een grijs Piet Boon-zeteltje zitten uitkijken over de Prinsengracht.

In mijn kamer, 219, boven de oude weeshuispoort die nu de voordeur van het inpandige restaurant Eeuwen is, waren binnenklimaat en akoestiek zo secuur afgesteld, dat zintuiglijke categorieën als temperatuur en geluid niet meer leken te bestaan. Ik ervoer niks, op een vaag muskig huisparfum na.

Ik heb in de ondergrondse spa, een beige crypte met zitzakken die wordt omschreven als een ‘stedelijk heiligdom met op maat gemaakte en transformatieve behandelingen’, een Engelse vrouw zich volledig gekleed, sportschoenen en alles, in het natuurstenen bubbelbad zien laten zakken.

In vijf verschillende internationale accenten is me meegedeeld dat Streetart Frankey een heel belangrijke Nederlandse kunstenaar is. Ik heb cocktails gedronken die ‘Will of the People’, ‘Supremacy’, ‘Uprising’ en ‘J’Accuse’ heten, en daarna tot diep in de nacht liggen googelen. Naar de plattegrond van het Overlook Hotel uit Stephen King’s The Shining, naar internationale constructies die het mogelijk maken dat multinationals in Nederland vaak vrijwel geen winstbelasting betalen, naar wat er in dure hotels het allervaakst wordt gestolen en/of kapotgemaakt.

Ik heb mijn schoenen laten poetsen, en ze kwamen terug in een lichtblauwe, lederen doos, doordrenkt met de geur van honing en bijenwas – zo sterk dat ik het bij iedere stap die ik zette kon ruiken, nog twee weken lang.

Ik heb nog nooit zo vaak en zo hard aan geld gedacht als toen ik het in Rosewood met een euro per minuut voelde wegdruppelen, ik kon het bijna horen. Ook heb ik heel even overwogen een vergulde marmeren joint van 840 euro te kopen.

Rosewood Amsterdam, in het voormalige Paleis van Justitie, ging deze lente na een aanloop van meer dan tien jaar onder grote belangstelling open.

Stadszender AT5 maakte een documentaireserie over de verbouwing, Het Parool schreef meer dan tien stukken over de koop, de inrichting, de architectuur, de omvangrijke kunstcollectie.

Op de Engelstalige website van het vijfsterrenhotel staan vele duizenden woorden aan raadselachtige aanprijzingen, zoals (en ik heb echt mijn best gedaan dit zo helder mogelijk te vertalen): Rosewood: het vieren van Nederlandse voortreffelijkheid. Het herinterpreteren van een symbolisch baken dat Amsterdams grenzeloze creatieve geest echoot.’

Rosewood, las ik ook, hanteert wereldwijd een gepatenteerde A Sense of Place®-filosofie; een ‘kernbelofte’ die eruit bestaat dat alle hotels in deze keten op een authentieke manier geworteld moeten zijn op de plek waar ze staan, bijvoorbeeld door ‘het unieke karakter en verhaal van de plaats te omarmen en reflecteren’, en door ‘lokale initiatieven te steunen’.

De directeur van de Amsterdamse vestiging, een montere en frisgewassen Duitser die Thomas Harlander heet, hoorde ik in interviews vertellen hoe het voormalige Paleis van Justitie nu eindelijk, als gesamtkunstwerk, was ontsloten voor de stad. ‘It’s the people’s palace’, zegt hij trots,met de spirit of gezelligheid.

Maar Harlander vertelde tussen neus en lippen door ook aan de media dat een spiritueel schoonmaker voor de opening een volle week bezig was geweest om het pand te ontdoen van negatieve energieën uit het verleden.

Het klinkt misschien een beetje zweverig, zei hij tegen Het Parool, maar het gebouw, dat hij zag als ‘een sterke, krachtige, soms harde vrouw’, stribbelde tegen.

En volgens De Telegraaf, ‘met de glimlach van een overwinnaar’: ‘We noemen haar de Lady of Justice, en het voelde een tijdje alsof zij helemaal geen hotel wilde worden. Maar ze heeft zich uiteindelijk bij haar lot neergelegd.’

Het monumentale pand, las ik, is ruim 21 duizend vierkante meter groot, met 134 kamers, beginnend bij 1.200 euro per nacht en oplopend tot meer dan 16 duizend euro. Ik had hierover vele gedachten, waaronder: ‘hoe kan een hotelovernachting 16 duizend euro kosten?’, en: ‘zou je, om zo’n overnachting het geld waard te maken, nou zo veel, of juist zo weinig mogelijk moeten slapen?’, en ook: ‘wat zou het in vredesnaam kunnen betekenen, als een gebouw zich verzet tegen haar lot?’

Op een regenachtige zondagmiddag fiets ik er op de bonnefooi naartoe. Bij het Centraal Station kom ik bijna niet door de in rood gehulde menigte heen – het is de dag van de Rode Lijn-demonstratie op het Museumplein waarbij meer dan een kwart miljoen mensen aanwezig waren. Onder de spoorbrug aan het begin van de Prinsengracht zie ik hoe de politie een bibberende man op een oud matras in een aluminium reddingsdeken rolt.

Ik heb dat onthouden, omdat het zo’n gek gezicht was, alsof hij in bladgoud werd gewikkeld.

Als ik in de verte mijn bestemming zie verrijzen, ben ik opnieuw stomverbaasd dat het Paleis van Justitie me niet eerder is opgevallen. Het is een gebouw dat als een stuwdam boven de gracht uittorent, streng en dicht, met drie vooruitstekende pilasters en op elk daarvan vier Korinthische zuilen.

Ik zet mijn fiets tegen een van de jonge iepen voor het hotel en probeer de Latijnse tekst op de pui te ontcijferen, wat niet lukt. De puntige traliehekken bij de drie boogpoorten staan open. Op het dak wappert een grote Amsterdamse vlag.

De Amerikaanse schrijver David Foster Wallace schreef in 1996 een beroemd essay over een cruise die hij maakte door het Caribisch gebied. Het stuk van 18 duizend woorden werd eerst gepubliceerd in het tijdschrift Harper’s, met als titel ‘Shipping Out’. Later verscheen het als ‘A supposedly fun thing I’ll never do again’ in een gelijknamige essaybundel. We volgen de schrijver die zich op een schip van Celebrity Cruises onderwerpt aan een week lang troetelregime van comfort, ontspanning, entertainment en luxe – een aaneenschakeling van middernachtelijke buffetten met kreeft, smetteloze service en dansavondjes, alles gedetailleerd opgetekend en voorzien van een uitvoerig notenapparaat.

Wat het stuk naast heel geestig ook zo verontrustend maakt, is dat het opgelegde plezier, de stikverwende medepassagiers en het opgesloten zijn steeds meer bij Wallace naar binnen slaan naarmate de cruiseweek vordert – hij wordt ermee aangestoken. Uiteindelijk gaat hij bijna onderdoor aan een gevoel van onverzadigbare, ankerloze leegte, hebberigheid, claustrofobie en diepe wanhoop zonder enig land in zicht.

‘Er is iets aan een grootschalige luxecruise’, schrijft Wallace, ‘dat ondraaglijk verdrietig is.’

Het is mijn favoriete essay over luxe en doorgeslagen consumentisme, maar ik heb het altijd problematisch gevonden dat de schrijver niet zelf voor zijn cruise heeft hoeven betalen. De 3.000 dollar die Harper’s aan Celebrity Cruises overmaakte, worden alleen zijdelings genoemd – sowieso is geld in het stuk geen onderwerp. Als restaurantrecensent weet ik dat je de kwaliteit van een gelegenheid prima professioneel kunt beoordelen zonder dat je zelf voor de kosten opdraait. Maar ik betwijfel of je een volledig verhaal over je persoonlijke ervaring en opvattingen van luxe en de waarde daarvan kunt schrijven, als die jou niks heeft gekost.

Bij binnenkomst word ik ontvangen door een Italiaanse vrouw die zich voorstelt als Constanza. Ze draagt een ruimvallende witte bloes met een elegante zijden sjaal, en heeft een ontwapenende, open uitstraling en een prachtige huid.

Ze biedt me een glas champagne aan, terwijl haar eveneens Italiaanse collega achter een zwart marmeren gevaarte dat aan een familiegraf doet denken, geconcentreerd op zijn laptop timmert – er komen bijna nooit mensen zomaar binnenlopen, ze moeten even kijken of er een kamer vrij is.

Om me heen zie ik kasten en tafels met dikke boeken, grote bossen blauwe hortensia’s en allerhande kunstobjecten: de Grandfather Clock van Maarten Baas, een beeld van Gijs Assmann, en op de balie een grote bronzen lamp van Frederik Molenschot.

Op de tafel naast me, bij een uraniumglazen schaal met hopjes, ligt het fotoboek Feest van Ed van der Elsken. ‘We hebben duizend kunstwerken in het hotel, in alle ruimtes en in alle kamers, en vooral van Nederlandse makers’, zegt Constanza. ‘Zoals Streetart Frankey!’, zegt de man achter de receptie. ‘Als u Nederlands bent, kent u hem vast, hij is heel bekend. En we hebben een kamer voor u: u mag kiezen tussen een premier room met zicht over de gracht voor 1.150 euro en een grand premier zonder grachtenzicht voor 1.350 euro. Breakfast is not included.’

Ik weet nog steeds niet of het een stom idee is om zelf voor de kamer te betalen. Hoeveel woorden moet ik schrijven om de kosten van dit vreemde avontuur te dekken? Wat voor dingen moet ik ervoor laten, en is dat relevant voor de lezer?

Een vriend die veel geld heeft verdiend met crypto, vindt het een belachelijk plan. ‘Jij kúnt helemaal niet voelen hoe het voor de andere bezoekers is. Voor mensen die in dit soort hotels slapen, is die 1.200 euro net zoiets als 12 euro voor jou.’

Misschien heeft hij gelijk, en is mijn exercitie net zo koket als die van een politicus die onder het oog van de camera een nacht op straat doorbrengt om te ervaren hoe het is om dakloos te zijn.

Een zwetende, compacte man in een maatpak beent de receptie binnen. ‘Dit is belachelijk en frustrerend!’, roept hij in keurig Engels tegen niemand in het bijzonder. Hij heeft een kamer geboekt in het Conservatorium Hotel, maar de taxi kon er vanwege de Rode Lijn-demonstratie niet komen.

‘Het stond daar helemaal vol met mensen! Waar slaat dat op? Ik ben hiernaartoe gekomen, maar het duurde eindeloos.’

‘Och, dat spijt me’, zegt een toegesnelde jonge medewerker wel drie keer achter elkaar. ‘Meneer, wat vervelend voor u.’

‘Wat is het hier groot!’, merk ik dommig op.

Big is an understatement’, zegt Constanza.

Terwijl mijn premier room wordt klaargemaakt, geeft ze me een rondleiding door het paleis. In de eindeloze gangen stuitert ieder geluid op tegen marmer, eikenhout en tegels, en daarna meerdere hoeken om. Op de delen met terrazzovloeren klinken onze passen als een galop, op de stukken met tapijt hoor je niets. Behalve personeel komen we niemand tegen.

Langs twee grote Anton Corbijn-portretten van Sex Pistols-voorman Johnny Rotten loop ik met Constanza helemaal rond, om de twee binnentuinen die door Piet Oudolf zijn ontworpen, langs het restaurant dat Eeuwen heet, en cocktailbar Advocatuur. Zulke zonderlinge namen voor horeca, denk ik, die kunnen bijna niet verzonnen zijn door iemand die Nederlands spreekt.

We dalen af naar de spa. ‘Die was eerst openbaar, net als de lobby’, zegt Constanza. ‘Maar toen gingen er allemaal locals in, dus nu zit er een slot op – vergeet je sleutel niet.’

Ik zei geloof ik net dat Rosewood Amsterdam het duurste hotel van Nederland is, maar kwam er na mijn bezoek, en eerlijk gezegd tot mijn lichte ergernis, achter dat de kamers bij het Waldorf Astoria, even verderop in de Gouden Bocht van de Herengracht, nog net wat meer kosten. Daar opende in 2020 ook het appartement The Mayor’s Residence, destijds voor 24.450 euro per nacht.

Het is alsnog een schijntje vergeleken met de duurste suites wereldwijd. The Royal Mansion in het Atlantis Hotel in Dubai kost 85 duizend euro per nacht, en The Empathy Suite in Palms Casino Resorts Las Vegas hetzelfde, met een minimumverblijf van twee nachten. De suite is geheel ingericht door de Britse kunstenaar Damien Hirst en bevat onder andere een installatie van twee haaien in formaline.

Constanza heeft me verteld dat mijn kamer ook heel groot en mooi is, met een hoog plafond. Maar nu ik eindelijk in 219 sta, zou ik de ruimte zelf niet beschrijven als ruim. Eerder als knus, op het krappe af: het bed past nét tussen het raam en de muur van de badkamer.

Het uitzicht is wel mooi, en er staat inderdaad kunst: twee kleine sculpturen, en op de ronde salontafel een grote koperen deurklopper van een leeuw met een donut in zijn bek. ‘Ik weet niet welke kunstenaar die beeldjes heeft gemaakt, maar de klopper is van Streetart Frankey, elke kamer heeft er een’, zegt Constanza blij. ‘Ken je hem? Hij is beroemd, toch?’

Als ze zorgvuldig heeft uitgelegd hoe ik de gordijnen en het licht kan bedienen met een paneeltje in de muur, vertrekt ze. ‘En als je een verzoek hebt, hoe gek ook – bel de receptie!’ Dan plof ik op het bed, dat bijzonder lekker ligt. Maar is het lekker genoeg, vraag ik me af. Is het 1.150 euro-lekker? Hoe bepaal je dat? Dan ga ik in het stoeltje zitten en staar naar de gracht waarin het nu hard en geluidloos regent.

Ik had geen haaien in formaline verwacht, maar ben toch teleurgesteld als ik onderop de twee objecten die ik bij binnenkomst zag, stickers vind met streepjescodes en ‘made in India’. Ze komen van de interieurgroothandel Bloomingville.

In de kasten staat een aantal boeken, waaronder The Dinner van Herman Koch, stripboeken over Rembrandt en Van Gogh door Typex en Barbara Stok, een boek over cocktails, een reusachtig geel boek van fotografencollectief Magnum en een boekje van kunstenaar Coco Capitán.

In de minibar en het kastje erboven vind ik een menu voor snacks en drankjes, met onder een speciaal kopje ‘Sense of Place’ Wilhelmina pepermunt en stroopwafels. De Snickers kost 6 euro, de fles water en Nespresso zijn van het huis. Boven op het barretje staat een oranje dienblad met twee borrelglaasjes en een flesje jonge jenever. De jenever, die achter in de bar Advocatuur wordt gedestilleerd, heet Provo, op het flesje zijn teksten gekriebeld als ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf', ‘De straat is van ons’ en ‘Maak liefde, geen oorlog’.

De jenever, lees ik, is ‘rebellie in een fles’, ‘een ode aan de rebellerende geest van de verzetsbeweging provo uit de jaren vijftig en zestig’ [sic]. Het cocktailmenu van Advocatuur kreeg, ook geïnspireerd door deze beweging, de naam Will of the People, en ik heb de hoteldirecteur ook al in een interview horen vertellen dat de hotelfietsen wit zijn als verwijzing naar de verzetsbeweging.

Op internet vind ik de gegevens van de inmiddels 82 jaar oude provo-oprichter Roel van Duijn, en ik mail hem een foto van het flesje met wat vragen erbij. Dan vertrek ik naar beneden.

In het openbare café op de begane grond neem ik plaats op alweer een ander soort ronde bank. Overal liggen donzen kussentjes, die voortdurend door personeel worden rechtgelegd, opgefluft en opnieuw rechtgelegd.

Dat personeel is verschrikkelijk aardig en vooral de vrouwen zijn daarnaast opvallend knap. De dame die de bediening in The Court op zich neemt heeft kuiltjes in haar wangen en waarschijnlijk de mooiste glimlach die ik ooit in het echt heb gezien.

Ik overweeg een tompoes te bestellen – ze heten hier natuurlijk chic tompouce en liggen in een glazen vitrine te glanzen in drie verschillende smaken. ‘O ja, een tompouce is very special!’ zegt de vrouw, ze buigt zich samenzweerderig naar me toe en lacht alsof ze stante pede verliefd is geworden. ‘Het is een héél traditioneel, authentiek Nederlands dessert!’, zegt ze.

‘Maar ze zijn wel lastig om te eten, toch?’, stamel ik. ‘Hoe raadt u mensen hier nou aan dat te doen?’

‘Mevrouw’, zegt ze, en ze lacht nog breder. ‘U mag ’m eten zoals u maar wilt.

Aan de tafel naast me is een magere Amerikaanse op leeftijd gaan zitten die een glas heet water heeft besteld. ‘Dirty!’, hoor ik haar afgemeten tegen de serveerster blaffen. ‘The table is dirty!

De vrouw met de kuiltjes glimlacht alsof ze nog nooit zoiets leuks heeft gehoord, en zweeft onmiddellijk langs met een doekje.

De tompoes blijkt een extra laag bladerdeeg in het midden te hebben, wat het eten inderdaad vergemakkelijkt maar hem volgens mij transformeert tot millefeuille. Tijdens het nuttigen ervan – ik ben een ‘daklichter’, ik ken ook veel mensen die ’m op z’n kant snijden, maar werkelijk niemand die ’m als dessert eet – blader ik door een boek over de geschiedenis van het pand dat ik heb meegenomen: Vondelingen van Nanda Geuzebroek, die er al jaren onderzoek naar doet.

De imposante pui van het Paleis van Justitie mag uit de 19de eeuw komen, het binnenwerk is ouder. Wat nu het hotel is, werd in 1666 in gebruik genomen als Aalmoezeniersweeshuis; een laatste toevluchtsoord voor de armste en meest kwetsbare kinderen van de stad. Wie hier tot 1820 belandde, had geen ouders, geen kerkgemeente, geen burgerrechten en vaak ook geen naam, en kon daarom bij geen enkele andere hulpinstelling terecht.

Het weeshuis werd in eerste instantie gebouwd voor achthonderd jongens en meisjes, maar in de schrale periode rond 1800, toen er een reusachtig gat gaapte tussen de armen en rijken van Amsterdam, verbleven er meer dan vier keer zo veel.

Met vele honderden per jaar werden vondelingen door wanhopige ouders voor de deur gelegd – soms met hun gegevens op een briefje tussen de kleren, of een hartverscheurend berichtje van de moeder. Kinderen sliepen met vijf in een bed en aten het weinige eten met vier van een bord, baby’s werden aan minnen overgedragen.

Het weeshuis moest alles op alles zetten om geld bij elkaar te sprokkelen voor het allerhoogstnodige. Het Aalmoezeniersweeshuis werd betaald van onder andere de hondenbelasting, de verhuur van de gemeentelijke rouw- en trouwkoets, en van giften. Het sterftecijfer door ziekte en ondervoeding was torenhoog, en van de duizenden te vondeling gelegde baby’s overleefde maar ongeveer een vijfde.

Als ik in de schemering de lege gangen van het hotel doorloop naar de ondergrondse spa, betrap ik me erop dat ik hoop dat de spiritueel schoonmaker, waarover de hoteldirecteur in het Parool-interview vertelde, haar vak verstaat.

Als ik later Geuzebroek bel, vertelt ze gefrustreerd te zijn over hoe Rosewood met de erfenis van het weeshuis omgaat. ‘Ze pronken in alle uitingen met het feit dat het een 17de-eeuws pand is, maar vermelden alleen voortdurend het 19de-eeuwse Paleis van Justitie. De diepe armoede en ongelijkheid waaruit het weeshuis is ontstaan, staat natuurlijk ook in schril contrast met de luxe die er nu in dit gebouw is, maar als je daar niks van wil weten, doe dan niet net alsof de geschiedenis je aan het hart gaat.’

Rosewood Amsterdam laat achteraf desgevraagd weten juist een heldere doorgaande lijn te zien in het doel van het gebouw door de eeuwen heen: ‘Het is altijd een plek geweest gewijd aan mensen’, schrijft hun perswoordvoerder. ‘Eerst door zorg en bescherming, daarna door rechtvaardigheid en orde, en nu door gastvrijheid. Onze benadering is geweest om dit continuüm te eren, in plaats van een historisch moment te isoleren.’

Geuzebroek zorgde er wel voor dat de gemeente twee bruggen bij het Rosewood naar deze vergeten periode vernoemde: de Abel Weetnietbrug, naar een vondelingetje dat in juni 1791 werd gevonden op de hoek van de Keizersgracht en de Runstraat, en de Angenietje Swarthofbrug, naar een min die voor het weeshuis veel baby’s in leven hield.

Ik dwaal rond. Ik ga naar de sauna. Als ik terugkom, is mijn kamer geheel opgeruimd en rechtgetrokken, de gordijnen zijn gesloten en het licht is gedempt. Ik haal mijn bed uit elkaar om te zien waar de kussens en de boxspring vandaan komen en maak het daarna weer min of meer netjes op.

Ik ga dineren bij restaurant Eeuwen en ik neem een bad – dat is te klein om in te liggen, maar de temperatuur is perfect. Als ik een van de dikke badstof kamerjassen uit de kast pak, zie ik dat die vol kreukels en vouwen zit. Is dat oké, peins ik, voor 1.150 euro? Of is een gekreukte kamerjas juist chic, maar weet ik dat niet?

Provo-oprichter Roel van Duijn heeft gemaild: hij laat weten dat hij het oude Paleis van Justitie natuurlijk kent (‘Ik heb er zelf vastgezeten!’) maar van ‘dat snob-hotel’ nog nooit heeft gehoord. Mijn uitnodiging om de Provo-jenever te komen proeven slaat hij af, want hij woont tegenwoordig in Zutphen, maar hij wil me de volgende dag graag te woord staan.

In de hal beneden sta ik lang voor de verkoopautomaat van kunstenaar Casper Braat. Het is het soort machine waaruit je normaal gesproken Snickers en cola trekt, maar hierin liggen marmeren beeldjes in de vorm van een zak patat, een duif, een bitterbal, een haring, Amsterdamse huisjes, die marmeren joint met een gloeikop van bladgoud.

‘Braat verheft het alledaagse tot monumenten van consumentencultuur en pure extravagantie’, lees ik. Ze kosten tussen de 500 en 900 euro per stuk en er zijn er al veel verkocht. Ik voel me ongemakkelijk gevangen in een soort driedubbele bluf: is dit nu plat consumentisme verkocht als kritiek verkocht als consumentisme? Of is het toch kritiek, vermomd als plat consumentisme, vermomd als kritiek vermomd als consumentisme?

Ben ik, door me hierover druk te maken, nu onderdeel van deze grap?

Nog later klauter ik opgefokt uit mijn geluidloze bed, koortsachtig trek ik de kasten open. Ik voel de onweerstaanbare drang om dingen uit de kamer te stelen, die hele fucking huisraad van stoel tot deurklopper mee naar mijn hol te slepen. Ik laat alles door mijn handen gaan. De sloffen met nepbont, de groene pen met Rosewood erop, de Dyson-föhn, het badlinnen van het Italiaanse merk Rivolta Carmignani, het naaisetje uit de toilettas.

Waarom ben ik zo kwaad? Ik wéét toch dat er dure hotels bestaan? Ik ben hier toch zelf naartoe gegaan?

Ik word gammel wakker en zie dat Roel van Duijn me heeft gebeld. Hij is woedend, zeker als hij hoort dat Rosewood de naam Provo wettelijk als hun merk in het register voor intellectueel eigendom heeft gedeponeerd voor commerciële activiteiten.

‘Dat is gewoon diefstal, misbruik, toe-eigening van de meest cynische soort!’, roept hij aan de telefoon. ‘Provo was anarchistisch en antikapitalistisch, we waren juist tegen ongelijkheid, we wilden de stad beschermen tegen ‘de verslaafde consument van morgen’.

‘Eigenlijk verzetten we ons precies tegen alles waar zo’n hotel voor staat. Natúúrlijk hebben wij die naam destijds zelf niet gedeponeerd, we geloofden niet in copyright of privé-eigendom, dat was het hele punt. Provo is immers van iedereen? Dat juist deze mensen hem nu op deze manier, en op die plek, te gelde maken – het lijkt wel satire.’

Ik schrijf het allemaal op, en ik twijfel over mijn verhaal. We worden allemaal in zekere mate geregeerd en gecontroleerd en gedreven door geld. Dat is zo voor het Amsterdamse vondelingetje en voor de Kantonese kleermakerszoon, voor kunstenaars en criminelen en daklozen en toeristen, en voor de calvinistische journalist die bij gelegenheid nogal schrikt van haar eigen sneue krenterigheid. Maar wat zegt dat?

En het is ook zo voor steden die rijk worden over de rug van anderen, of arm worden onder het juk van overheersers, of door toeristen worden overlopen. En het is zo voor multinationals en voor gebouwen die van hand tot hand gaan.

Want wat er ook nog is, is dat er heel veel multinationals zijn die door middel van allerlei fiscale constructies hun winst wegsluizen naar landen waar ze er niet of nauwelijks belasting over hoeven te betalen.

Dit is weliswaar niet illegaal, maar wordt door velen gezien als zeer onrechtvaardig en schadelijk. Niet alleen omdat de lokaal gevestigde bedrijven deze mogelijkheid niet hebben en dus wél gewoon belasting moeten betalen, maar ook omdat het de schatkist jaarlijks miljarden euro’s kost.

Volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn zowel de directe als de uiteindelijke moedermaatschappijen van Rosewood Amsterdam — te weten Rosewood Hotels & Resorts Holding Limited en Chow Tai Fook Capital Limited — statutair gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. Dit land staat op nummer 1 in de Corporate Tax Haven Index van wat die index aanduidt als de grootste faciliteerders van belastingmisbruik, omdat er geen enkele vennootschapsbelasting wordt geheven.

Volgens de schatting van het Tax Justice Network is wereldwijd in 2024 rond de 300 miljard euro aan belasting ontweken, waarvan twee derde door multinationals. Nederland liep in 2024 meer dan 8,5 miljard euro belastinggeld mis door ontwijking. Ter vergelijking: in 2024 kostte de gehele Nederlandse jeugdzorg 6 miljard euro, er was daarnaast een tekort van 625 miljoen.

Of Rosewood Amsterdam dit ook doet, weet ik niet. Want het mag zo zijn dat dit bedrijf een hele website en tientallen ronkende persberichten heeft volgeschreven over hoe ontzettend geworteld het is in de stad, over hoe belangrijk het lokale initiatieven vindt, en aansluiting, en kunstenaars, en de Nederlandse waarden en mentaliteit, en verantwoordelijkheid, en het zorgen voor mensen – maar of ze wel of geen vennootschapsbelasting betalen willen ze me niet vertellen.

Ook op de vraag of de gepatenteerde Sense of Place®Filosofie zich uitstrekt naar fiscale geworteldheid en verantwoordelijkheid, krijg ik geen antwoord.

Laat ik het dan zo zeggen. Je kunt je neerleggen bij je lot, of je lot omarmen, of je kunt je ertegen verzetten. En misschien is dat verzet zinloos, maar moet je het toch doen – dat was althans wat de Provo’s schreven in hun eerste manifest, in 1965. Maar het ongevraagd incorporeren en te gelde maken van rebellie en verzet tegen kapitalisme als lege versiering, als verzetje, in misschien wel het meest diepkapitalistische project van 21ste-eeuws Amsterdam – dat lijkt me inderdaad eindeloos cynisch.

Als ik een Paleis van Justitie was met een verleden als Aalmoezeniersweeshuis, waar duizenden kinderen stierven aan honger en gebrek omdat er te weinig belasting binnenkwam, dan zou ik me ook met hand en tand verzetten als een multinational besloot me om te toveren in het Paleis van het Laatkapitalisme.

Wanneer ik ’s ochtends nog even bij het zwembad ben, zie ik directeur Thomas Harlander met twee collega’s een inspectie doen van de vloer bij de deur. Hij kijkt heel geconcentreerd naar een tegeltje bij de trap dat misschien wel of misschien niet een klein beetje scheef ligt – als zijn collega langsloopt pakt hij zacht haar elleboog om haar het trapje af te helpen. ‘You’re welcome’, hoor ik hem zeggen. Hij lijkt me een lieve, zorgzame man.

Terug op mijn kamer bel ik roomservice – ‘Good morning, how may I assist you?’ – en bestel die boterham met hagelslag: Brioche with sweet butter and authentic Dutch De Ruijter Sprinkles.

Hij wordt aan mijn deur gebracht op een zilveren blad, met zilveren bestek en een klein bosje bloemen. ‘Geniet u van uw verblijf in ons hotel?’, vraagt de breed lachende piccolo in het Engels.

‘Het is heerlijk’, zeg ik. ‘Bedankt voor alles.’

Echt smullen bij La Cebolla: bij de rendang van eend likken we het bord zowat af

Twee vakkundige liefhebbers, oudgedienden in de Dordtste horeca, begonnen succesvol opnieuw met ‘gewoon echt iets bijzonders’: La Cebolla.

Over het menu in O Anatolian Café is goed nagedacht, maar de uitvoering valt tegen

O Anatolian Café van museum Fenix in Rotterdam heeft een aantrekkelijk en betaalbaar menu van een Turkse sterrenchef. De uitvoering laat helaas nog veel te wensen over.

Voor de nieuwe koers van oude sterrenzaak Herberg Onder de Linden nemen we onze hoed af

Bij het prijswinnende sterrenrestaurant Herberg Onder de Linden in Aduard koken ze zonder zuivel en rundvlees, met zelfgekweekte groenten – en dat in het hol van de leeuw.

Source: Volkskrant

Previous

Next