Nooit geweten dat ginkgo’s zó stinken. En dat terwijl de Japanse notenbomen alom aanwezig zijn: in tuinen, op straat, in huidcrème – alles met ginkgo-extract bevat de belofte van eeuwige jeugd, want een boom die duizenden jaren leeft en als soort al 200 miljoen jaar meegaat moet wel goed zijn voor de menselijke overleving. Toch? Dat er aan die gezondheidsclaim een luchtje hangt bleek jaren geleden al, maar dat de vruchten van de boom zelf ook een misselijkmakende geur verspreiden merkte ik pas recent, in de Leidse Hortus Botanicus. Per ongeluk trapte ik een vrucht fijn en direct rook het zo sterk naar hondenpoep dat andere bezoekers me verwijtend aankeken. Beschaamd liep ik door naar mijn einddoel, de verwarmde winterkas.
Mijn queeste was dagen eerder begonnen op het plein voor station Heemstede-Aerdenhout, met een paneel waarop in grote knipperende letters stond: „Bent u voorbereid?” De waarschuwing was onderdeel van de Denk Vooruit-campagne, net als de paarse boekjes, maar zonder context leek het meer op een schreeuwerige aankondiging van de Dag des Oordeels – of op een aanmaning om nog gauw ragoutbakjes te kopen voor het kerstdiner.
Nee, ik was niet voorbereid. Noch qua noodradio, noch qua kerstboom. Met het oog op een kerstestafette waarbij ik niet één nacht in mijn eigen bed zou slapen had ik zelfs geen baby-boompje in huis. Levendig herinnerde ik me vorig jaar, toen ik begin december een amaryllisbol cadeau had gekregen. Omdat ik de kwetsbare groene stengel die net voor kerst tevoorschijn kwam niet alleen wilde laten, was de bol met me meegereisd per trein: van Amsterdam naar Heemstede naar Utrecht naar Brussel en weer terug. En passant hadden de amaryllis en ik zelfs een live-opname van Spijkers met koppen bijgewoond. Zoveel avontuur wilde ik een boom, hoe mini ook, besparen.
Toch begon het naaldboomtekort me op te breken. Afgunstig gluurde ik huiskamers binnen, bijna kwam ik in de verleiding om toiletverfrisser met dennengeur te kopen. Verlangend keek ik naar foto’s van Old Tjikko, met z’n 9.565-jarige wortels de oudste fijnspar ter wereld. En de eenzaamste: omringd door een hek, op een kale, winderige hoogvlakte in het Zweedse Fulufjäll, al millennia zonder leeftijdgenoten.
Mijn gedachten gingen uit naar de enige andere naaldboom die ik ken met een eigen, op maat gemaakt hek: de Wollemi-pine in de Amsterdamse Hortus. Net als de ginkgo (ook ooit begonnen als naaldboom) is de Wollemia nobilis een levend fossiel, een boomsoort die al voorkwam toen de dino’s nog rondliepen. Familie van de slangenden a.k.a. apentreiter – die ongezellige kruising tussen een naaktkat en een kunstkerstboom, met naalden die tot 24 jaar groen blijven – maar een stuk aaibaarder. Behalve in Amsterdam dus; daar staat-ie in eenzame opsluiting om te voorkomen dat hij wordt gestolen. Want de Wollemi is uiterst zeldzaam: pas in 1994 werden, in een Australische kloof, enkele tientallen exemplaren ontdekt. Om de oerplanten een toekomst te geven, worden ze nu opgekweekt in botanische tuinen over de hele wereld.
Zo ontdekte ik dat in de Leidse Hortus de hoogste Wollemi van Europa staat. Zonder hek. Als ik ergens mijn naaldboombehoefte kon vervullen dan was het daar. Met stinkende schoenzolen betrad ik dolgelukkig de kas. Oog in oog met de oerkerstboom.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag
Source: NRC