Drie jaar geleden vluchtte de Palestijnse Monaliza naar Nederland. Haar kinderen Ismail en Hala zijn hier pas sinds april, net als hun vader Anwar. Na anderhalf jaar oorlogsgeweld in Gaza, vechten ze nu om zichzelf en elkaar terug te vinden.
Fotografie Linelle Deunk
Onder een parasol in een tuin in Wageningen lopen half juni de gemoederen torenhoog op. ‘Jullie hebben geen idee hoe mijn leven was in Gaza’, schreeuwt Ismail. Zijn moeder Monaliza huilt, zijn zusje Hala kijkt wanhopig van de een naar de ander. Ismail raast verder: ‘Ik stond er alleen voor.’
De drie zijn vluchtelingen uit Gaza. Monaliza (49) kwam drie jaar geleden als asielzoeker naar Nederland. Ismail (19) en Hala (16) zijn hier pas sinds april, net als hun vader Anwar (54), die sinds een hersenbloeding in 2020 lichamelijk en mentaal beperkt is. In afwachting van eigen woonruimte hebben Monaliza en de kinderen tijdelijk onderdak gekregen bij een gezin in Wageningen, Anwar zit in een verpleeghuis in Ede.
Nu ze als gezin zijn herenigd, proberen ze weer aan elkaar te wennen. Dat is ingewikkeld. In de weelderig groene tuin van de twee-onder-een-kapwoning maken de drie veel ruzie. Over schijnbare onbenulligheden zoals die er nu eenmaal zijn in huishoudens met pubers, maar ook over de vraag wie schuldig is aan welk leed.
In juni poseert Monaliza met haar dochter Hala en zoon Ismail voor de ingang van het IND-loket in Den Haag, met hun zojuist verkregen verblijfsvergunningen. Monaliza draagt de rode jurk die ze de dag ervoor ook aanhad tijdens de Rode Lijn-demonstratie.
‘Alles is de schuld van Hamas’, roept Ismail, een tengere jongen die net als zijn zusje vloeiend Engels spreekt. ‘Dat moet je niet zeggen’, werpt Hala tegen. ‘Wie vecht anders voor onze vrijheid?’ Ismail springt op en duwt de tuinstoel aan de kant. ‘Ik mag alles zeggen Hala, hier in Nederland kun je zeggen wat je wil. En ik haat Hamas.’
Monaliza huilt met lange halen, haar handen voor het gezicht. ‘Dit begon niet met Hamas, mijn jongen’, zegt ze tussen het snikken door. ‘De genocide duurt al sinds 1948. Israël wil ons uitroeien, ze willen ons de woestijn in jagen.’ Ismail kijkt geïrriteerd naar zijn moeder: ‘Waarom huil je de hele tijd? Ik kan er niet tegen dat je…’ Monaliza valt hem in de rede: ‘Waarom schreeuw je zo?’
Monaliza
maakte zich grote zorgen over haar gezin in Gaza
Hala staart met haar grote groene ogen stilletjes voor zich uit en frunnikt wat aan de zwarte hoofddoek die losjes om haar haar is gebonden. ‘Ik wou dat ze een keer ophielden met ruzie maken’, zegt ze zacht. Hala, een opmerkzaam meisje met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, verlangt naar rust. ‘Ik ben zo ontzettend moe, het liefst wil ik alleen nog maar slapen.’
De Volkskrant sprak twee jaar geleden voor het eerst met Monaliza, toen ze in afwachting was van een besluit over haar asielaanvraag. Daarna volgden nog zeven ontmoetingen. Eerst alleen met Monaliza, die vanuit asielzoekerscentra contact hield met haar kinderen. Sinds april ook met Ismail en Hala, die de oorlog zonder hun moeder moesten zien te overleven en noodgedwongen ook gescheiden leefden van elkaar en hun vader.
Na anderhalf jaar oorlogsgeweld en een zenuwslopende tocht uit Gaza proberen ze in Nederland nu een nieuw leven op te bouwen. Ze leren Nederlands, fietsen, en proberen niet de hele dag aan Gaza te denken. Maar bovenal zoeken ze een manier om zichzelf en elkaar terug te vinden. Om pijn een plek te geven zonder erin te verdrinken.
Vanaf het moment dat Monaliza in de zomer van 2022 een uitnodiging krijgt om deel te nemen aan een conferentie in Amsterdam, spookt de vraag door haar hoofd: zal ik asiel aanvragen? Ze vreest voor haar leven. Vlak daarvoor zijn er opnieuw dodelijke Israelische luchtaanvallen geweest op Gaza.
Monaliza en Ismail, na een heftige discussie, in de tuin van hun tijdelijke verblijf bij een gezin in Wageningen via Takecarebnb.
Bovendien ligt ze onder vuur vanwege haar werk. Monaliza is jurist en ontwikkelde Faraman, een app waarmee vrouwen informatie kunnen vinden over hun rechten en die online toegang biedt tot juridische hulp. Maar de wetten in Gaza laten het niet toe om de rechten van vrouwen te verdedigen.
Haar man Anwar kan sinds zijn herseninfarct niet meer lopen. Praten gaat zeer moeizaam en hij is ook mentaal beperkt geraakt. Anwar heeft zijn werk als wiskundeleraar moeten opgeven en heeft bij alles hulp nodig. Tot in het vliegtuig naar Amsterdam breekt Monaliza zich het hoofd: kan ik Anwar en de kinderen alleen laten in Gaza-Stad?
Op de site van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) had ze gelezen dat de wachttijd voor een asielaanvraag in Nederland een half jaar is. Dat is te overzien, besluit ze. Ze gunt zichzelf en haar gezin een leven in vrijheid, in plaats van in de openluchtgevangenis die Gaza is. Dus ze meldt zich op Schiphol bij de marechaussee en vraagt asiel aan.
Hala is dan 13 jaar oud, houdt van theater en literatuur, en is een van de besten van haar klas. ‘Toen mama niet terugkwam, moest mijn vader naar een verpleeghuis’, vertelt ze. ‘Ismail en ik gingen bij mama’s ouders wonen. Maar het was daar heel druk, ik kon er geen huiswerk maken, toen zijn we teruggegaan naar onze eigen flat.’
Monaliza en Hala aan het bed van Anwar in het verpleeghuis
in Ede.
Monaliza is dan al acht maanden weg. ‘Ik was boos op haar’, aldus Hala. ‘Ze had voor haar vertrek niet verteld dat ze asiel zou aanvragen. Ik voelde me in de steek gelaten.’ Ook Hala leest op de site van de IND dat de asielprocedure maximaal zes maanden duurt. Dat die informatie hopeloos verouderd is en asielzoekers vaak anderhalf jaar moeten wachten voor een besluit valt, vermeldt de IND niet. ‘Ik begreep niet waarom we niet naar Nederland konden, ik dacht dat mama tegen ons loog.’
Dan belt Hala’s oom, een broer van haar vader. ‘Hij zei dat ik bij hem moest komen wonen. Hij vond me te jong om zonder ouders te wonen, ook omdat ik een meisje ben.’ In de Wageningse tuin kijkt Ismail zijn zusje aan. ‘Je hebt me toen alleen gelaten’, zegt hij. Hala schudt het hoofd. ‘Ik had geen keuze’, zegt ze. ‘Dat weet jij ook.’
Hala trekt in bij haar oom in Khan Younis, in het zuiden van Gaza. Ismail, destijds 17 jaar oud, blijft in Gaza-Stad. ‘Ik zat in mijn eindexamenjaar en werkte in een koffietentje aan zee’, vertelt hij. ‘Dat was leuk en het verdiende prima.’ Ismail denkt dat de familie van zijn vader een hekel heeft aan hem: ‘Ik was er niet welkom. Toen ik een keer bij Hala op bezoek ging, kreeg ik van mijn oom alleen een paar sardientjes te eten.’
Ismail
was maandenlang op zichzelf aangewezen in Gaza
In Nederland wacht Monaliza nog altijd tot de IND haar asielaanvraag in behandeling neemt. Vanwege een chronisch tekort aan structurele opvangplaatsen, wordt ze net als veel andere asielzoekers van het ene naar het andere azc verplaatst. ‘Tot 7 oktober was dat nog te doen. Ik had pijn in mijn hart vanwege de kinderen, maar wist dat ik het deed voor hun toekomst.’
Op 6 oktober 2023 gaat Ismail na het werk eten bij Monaliza’s moeder. ‘Ik had een goede dag gehad’, vertelt hij. ‘Mijn manager had me meegenomen voor een ritje in zijn BMW.’ Ismail blijft slapen en de volgende ochtend horen ze de raketten van Hamas. ‘Het was totaal onduidelijk wat er aan de hand was.’
Nog diezelfde middag regent het Israëlische vergeldingsbommen in Gaza-Stad. Met zijn opa en oma vlucht Ismail naar het zuidelijker gelegen Al-Zahra, waar een tante woont. Op 19 oktober krijgt een lokale arts daar een telefoontje van het Israëlische leger. De arts krijgt te horen dat hij alle inwoners moet evacueren omdat ze woonblokken gaan bombarderen.
‘Er brak enorme paniek uit’, vertelt Ismail die op dat moment met zijn grootouders, twee ooms, twee tantes en hun negen kinderen in een van de appartementen verblijft. ‘Mensen renden in hun pyjama hun huizen uit, zonder spullen, zonder schoenen zelfs.’ Ze schuilden in de universiteit en zagen hoe het ene na het andere gebouw met de grond gelijk werd gemaakt.
Vader Anwar toen hij nog wiskundedocent was in Gaza.
‘Er waren mensen achtergebleven, dat wist ik’, zegt Ismail. ‘Een verlamd meisje, een vrouw in een rolstoel.’ Ismail gaat niet terug om ze te redden. ‘Stel je zit in een zinkende boot. Wat doe je dan? Je redt jezelf en je familie.’ Hij is even stil. ‘Iedereen wil overleven, dat maakt je geen slecht mens. Toch?’
In de tuin in Wageningen ontwijkt Ismail de ogen van zijn moeder terwijl hij dit vertelt. Ze spreken onderling nauwelijks over alles wat ze hebben meegemaakt. Monaliza heeft alle ruimte in haar hoofd nodig om praktische zaken te regelen, Ismail is van mening dat het geen zin heeft terug te kijken, Hala is van nature introvert. Als ze al over Gaza spreken, gaat het over de achtergebleven familie, en de vraag hoe lang die nog in leven kan blijven.
Na de verwoesting van het huis van zijn tante in Al-Zahra, moeten Ismail en zijn grootouders op zoek naar een ander onderkomen. Ze schuilen een tijdje in de kelder van een bakkerij in Al-Bureij, verkassen dan naar een klein appartement in Al-Nusrat en vinden vervolgens onderdak bij kennissen in Deir Al-Balah. ‘Ik vind het moeilijk om me de chronologie te herinneren’, aldus Ismail. ‘Alles loopt door elkaar in mijn hoofd.’
Hala
kreeg meermaals robottelefoontjes van het Israëlische leger
Via een Facebookgroep van oude klasgenoten komt Ismail erachter dat zijn beste vriend Yahya bij een bombardement in Gaza-Stad is gedood. ‘Die pagina was ooit bedoeld om leuke nieuwtjes te delen. Nu worden er alleen nog doden gemeld.’
Zelf denkt hij, vluchtend voor de bommen, ook vaak na over de dood. ‘Ik wilde leven’, zegt hij. ‘Maar ik dacht ook: als ik doodga in een bombardement voel ik waarschijnlijk niks, dus is het niet zo erg.’ Hij heeft wel vrees voor een langzame dood: ‘Er lagen overal mensen onder het puin. De meesten dood, sommigen levend. Ik stelde me voor hoe het zou zijn om er uren of zelfs dagen over te doen om te sterven.’
Kort daarop vluchten zijn grootouders naar Egypte, waar familie woont. ‘Ik mocht niet mee’, zegt Ismail. ‘Ik weet niet waarom, waarschijnlijk was het te duur.’ De Egyptische grenswachten vroegen toen al duizenden dollars smeergeld. ‘Ik voelde me ontzettend verlaten, mijn opa was heel belangrijk voor me. Met mijn oom had ik aan de lopende band ruzie dus ik vertrok naar het zuidelijker gelegen Suwayda. Daar kon ik terecht bij een vriend.’.
Zijn zusje heeft hij dan al een hele tijd niet gezien. ‘Ik ging op 7 oktober gewoon naar school’, vertelt Hala. ‘Daar hoorde ik iets over een aanval van Hamas. Iedereen was blij, we dachten dat de bezetting van Israël misschien zou stoppen.’
Die hoop vervliegt met de eerste bombardementen. ‘Ik werd gebeld door een Israëlisch nummer’, vertelt Hala. ‘Ik hoorde een enge stem, een soort computer. Die zei dat ze gingen bombarderen, dat we weg moesten, dat het je eigen schuld zou zijn als je dood zou gaan.’ Het Israëlische leger pleegt dit soort robottelefoontjes vaker, naar eigen zeggen om burgerdoden te voorkomen. ‘Maar terwijl ik die stem aan de telefoon had, vielen er al bommen.’
Monaliza zit ondertussen in een azc in Wageningen en kan soms dagenlang geen contact krijgen met haar familie. ‘Ik lag iedere nacht wakker, als ik wel sliep had ik gruwelijke nachtmerries’, vertelt ze. Op haar telefoon volgt ze 24 uur per dag het nieuws uit Gaza, in haar hoofd herhaalt zich een film met doemscenario’s: het lichaam van Hala bedolven onder puin; Ismail, gemarteld door Israëlische militairen; het verpleeghuis van haar man kapotgebombardeerd.
Nog geen drie maanden na 7 oktober besluit de Nederlandse regering om asielaanvragen van Palestijnen voor een half jaar op te schorten. Volgens toenmalig staatssecretaris Eric van der Burg is de veiligheidssituatie in de Palestijnse gebieden weliswaar ‘zeer slecht’, maar is het ‘ongewis’ hoe die zich zal ontwikkelen. Met andere woorden: in de hoop dat Palestijnen straks snel terug kunnen, is het beter hen nu geen asielstatus te verlenen.
Het is onduidelijk hoeveel mensen dit treft, er zijn geen betrouwbare cijfers over het aantal asielaanvragen van Palestijnen. Dit komt doordat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent. Vluchtelingen uit Palestijnse gebieden worden geregistreerd als ‘statenloos’, of ‘nationaliteit onbekend’. Dat laatste staat ook op Monaliza’s IND-pasje.
Als Monaliza over het besluitmoratorium hoort, stort ze in. In het azc in Wageningen wordt ze verteerd door schuldgevoelens en slikt ze medicatie tegen de angst en paniek die in golven op haar inbeuken. Werken mag ze nog niet, dus ze stuurt zo veel mogelijk van het leefgeld dat ze van het COA krijgt naar Gaza. Banken functioneren dan allang niet meer, om geld te sturen is ze aangewezen op ingewikkelde constructies met tussenhandelaren.
In de Wageningse tuin luistert Hala geconcentreerd naar het verhaal van haar moeder. ‘Mama’, zegt ze dan. ‘Ik heb al het geld dat je stuurde aan maandverband opgemaakt.’ Monaliza lijkt even verbaasd maar knikt dan begripvol. ‘Veel meisjes slikten pillen die ervoor zorgden dat ze niet meer menstrueerden’, gaat Hala verder. ‘Maar ik had die pillen niet.’
Hala vlucht naar een tante in Rafah, een stad aan de grens met Egypte die inmiddels helemaal is volgelopen met vluchtelingen uit Noord-Gaza. Internationale leiders hebben de Israelische premier Benjamin Netanyahu gewaarschuwd dat de rode lijn in Rafah ligt. Als Israël daar een grootschalig grondoffensief begint, zo zegt de Amerikaanse president Joe Biden, heeft dat gevolgen voor de wapenleveranties. Ook demissionair premier Mark Rutte noemt een aanval op Rafah een ‘gamechanger’.
Maar de robotstem blijft Hala ook in Rafah bellen, bommen verwoesten het huis van haar tante waarna ze naar een tentenkamp in het westen van de stad verkassen. ‘Soms gooiden ze flyers uit de lucht. ‘Deze plek is gevaarlijk, je moet weg’, stond erop. Maar we konden nergens heen.’ De Israëliërs vegen de stad van de kaart, de internationale waarschuwingen blijken holle woorden en Hala vlucht terug naar Khan Younis. ‘Daar woonde ik met de zus van mijn vader, haar man en hun drie kleine kinderen in een tent.’
Ze prijst zich gelukkig. ‘Onze tent was niet lek. Als we tijdens regenbuien alle matrasjes in het midden legden, bleven we meestal droog.’ Haar oom heeft spaargeld, haar tante heeft familieleden in de Emiraten die geld sturen. ‘Ze hadden ook vier zoons die de straat op konden op zoek naar eten. Ik mocht als meisje het kamp niet uit en besteedde mijn tijd aan het schoonmaken van de tent. Er was ook een leraar die les gaf, daar ging ik zo vaak mogelijk heen.’
Hala bidt veel, Ismail verliest juist zijn geloof en probeert te overleven in een steeds vijandiger omgeving. Niet alleen de Israëlische drones en bommen vormen een gevaar, ook onderling is er veel geweld. Gewapende bendes roven de steeds schaarsere hulpgoederen om die voor woekerprijzen te verkopen op de zwarte markt. Ismail wordt twee keer beroofd van geld en telefoon. ‘Er is geen regering meer in Gaza, geen politie, alleen nog het recht van de sterkste’, zegt hij. ‘Oorlog maakt slechte mensen van goede mensen.’
Als Ismail 100 euro krijgt opgestuurd van zijn moeder, koopt hij daar sigaretten van. ‘Dat was een investering’, legt hij uit. ‘Hoe meer bommen, hoe meer Palestijnen willen roken. Het verbetert hun humeur.’ Eerst verkocht Ismail sigaretten per pakje, toen ze schaarser werden, verhandelde hij ze per stuk, en uiteindelijk per centimeter. ‘Twee trekjes voor 8 euro.’
Monaliza en Ismail zeulen de tassen met huisraad naar de ingang van hun nieuwe appartement in Ede.
In april 2024 besluit de Raad van State dat het besluitmoratorium voor Palestijnen nooit afgekondigd had mogen worden en dus moet worden teruggedraaid. Drie maanden later wordt Monaliza’s asielaanvraag goedgekeurd, nog eens twee maanden later geeft de IND groen licht voor gezinshereniging. In een azc in Voorschoten, een hotel dat dienstdoet als noodopvanglocatie, huilt ze van geluk als ze de brief van het IND leest.
Maar de grens tussen Gaza en Egypte zit op dat moment potdicht en Israël weigert mensen elders Gaza uit te laten. Monaliza heeft inmiddels een baantje en stuurt alles wat ze mogelijkerwijs kan missen naar Gaza. Pas een half jaar later, in maart 2025, komt het verlossende telefoontje van Buitenlandse Zaken: haar gezin heeft toestemming van Israël om via de Westelijke Jordaanoever en Jordanië naar Nederland te reizen.
Ismail gaat eerst met een gehuurde tuktuk naar het noorden om zijn vader op te halen. ‘Daarna ging ik naar het zuiden voor mijn zusje.’ Ze zouden de laatste woensdag van de Ramadan vertrekken vanuit Deir al-Balah, in een bus vol anderen met een Europese vrijgeleide, geëscorteerd door het Rode Kruis. Maar de zondag voor het geplande vertrek executeert Israël vijftien hulpverleners bij Rafah. De volgende dag wordt het kantoor van het Rode Kruis gebombardeerd. De reis kan niet doorgaan.
Een week later vertrekt de bus alsnog, om 5 uur ’s ochtends. Door de ramen zien ze eindeloze bergen puin aan zich voorbij trekken. ‘Ik had zo veel mogelijk kleren over elkaar aangetrokken’, vertelt Hala. ‘We mochten verder niks meenemen.’ Ze worden gecontroleerd door Israëliërs. ‘Het was onwerkelijk om de vijand in de ogen te kijken’, zegt Ismail. ‘Ik had Israëlische soldaten nog nooit van zo dichtbij gezien.’
Ismail schildert lichtgroen op de muren van Hala’s kamer. Ze trekt er zich graag terug om te lezen.
Eenmaal in de Jordaanse hoofdstad Amman krijgen ze schoon ondergoed van medewerkers van het Nederlandse consulaat. In het hotel waar ze die nacht slapen, staat Hala heel lang onder de douche. ‘Er was zeep, er was zelfs een föhn’, zegt ze. En niet meer dat gezoem van Israëlische drones. De volgende dag vliegen ze naar Schiphol, waar Monaliza hen in de armen sluit.
Twee maanden later, als de eerste euforie van het weerzien is weggeëbd en ze beginnen te merken hoezeer ze vervreemd zijn van elkaar, zitten Monaliza, Ismail en Hala op een bankje voor het IND-kantoor in Den Haag. Het is maandagochtend 16 juni, ze hebben een afspraak om hun verblijfsvergunningen op te halen en zijn een kwartiertje te vroeg. De zon schijnt en de drie kijken naar de stroom ambtenaren die het naastgelegen ministerie van Buitenlandse Zaken in- en uitgaat.
‘We waren gisteren al in Den Haag, vanwege de Rode Lijn-demonstratie, en hebben hier bij vrienden gelogeerd’, vertelt Monaliza. Ze wijst grinnikend op haar traditionele Palestijnse jurk, met rode borduursels. ‘Vandaar onze rode kleding.’ Hala oogt moe, maar vertelt met glinsterende ogen over de demonstratie. ‘Er waren wel 150 duizend mensen’, zegt ze. ‘In Gaza dacht ik altijd dat de wereld het niet erg vond dat Palestijnen worden uitgemoord.’
Sinds hun aankomst in Nederland zijn Hala en Ismail vaak verhuisd. Ze mogen van het COA niet bij Monaliza intrekken in de opvang in Voorschoten: die is al overvol. Dus zaten ze eerst in een azc in Harderwijk, vervolgens in Wageningen bij vrienden van Monaliza, toen twee weken in Ede, gevolgd door een azc in Zevenaar. ‘Best onrustig’, vindt Hala.
Ze gaan het IND-kantoor binnen, Monaliza vertelt de kinderen dat ze hier een jaar geleden haar eigen verblijfsvergunning moest ophalen. ‘Ik was er met mijn hoofd niet bij en liep bij het naar buiten gaan bijna onder een tram’, zegt ze lachend terwijl ze een espresso voor Ismail uit de koffiemachine haalt. ‘Ik ben er trouwens nog steeds met mijn hoofd niet bij. Ik vergeet de hele tijd alles.’
Binnen een half uur is alles geregeld. ‘Is dit voor altijd?’, vraagt Ismail zich hardop af terwijl hij zijn gloednieuwe IND-pasje bestudeert. Een langslopende bewaker wijst hem erop dat de vergunning vijf jaar geldig is: ‘Daarna moet je misschien terug.’ Ismail kijkt hem glazig aan. ‘Terug?’, mompelt hij. ‘Ik weet niet of dat kan.’
Via Takecarebnb, een organisatie die gastgezinnen regelt voor statushouders, hebben ze kort daarvoor een plek in Wageningen gevonden waar ze de hele zomer mogen blijven. Monaliza is heel blij met het onderkomen, vertelt ze enkele dagen na het IND-bezoek, op die middag in de tuin van het gastgezin. ‘We zijn eindelijk samen.’
Maar ze krijgt de paniek niet uit haar lijf, kan vaak niet stoppen met huilen en voelt zich bezwaard omdat Ismail steeds vergeet het licht uit te doen, of de voordeur open laat staan. ‘We zijn hier te gast’, fluistert ze. ‘Ik wil niemand tot last zijn.’ Ismail hoort wat zijn moeder zegt. ‘Zit je nu weer te zeuren over het licht?’ Hij ijsbeert door de tuin. ‘Ik heb spijt dat ik ben gekomen’, zegt hij met overslaande stem. ‘Ik wou dat ik nog in Gaza was.’
Ismail voelt zich een volwassen man: hij heeft het immers al die tijd in zijn eentje moeten rooien. Hij laat zich niks vertellen en hangt tot diep in de nacht op straat. En hij is boos. Omdat zijn moeder hem alleen liet, omdat ze hem nu voortdurend bekritiseert, omdat ze hem niet heeft bedankt voor de foto’s van vroeger die hij de grens over heeft weten te smokkelen.
Zoon Ismail rookt een sigaret op het balkon.
Hala wil vooral bidden en slapen, en voelt zich schuldig. Omdat ze elke avond in een droog bed stapt, met een dekbed dat haar warm houdt. Omdat er koekjes op tafel staan, waar ze zoveel van kan eten als ze wil. Omdat er water uit de kraan komt. ‘Ik app veel met mijn tante en nichtje in Gaza’, vertelt ze. ‘Maar wat moet ik zeggen? Dat alles goed komt? Dat God zal helpen?’ Ze veegt met haar mouw wat kruimels weg en mompelt: ‘Zij hebben niks meer.’
‘Dit is allemaal de schuld van Hamas’, zegt Ismail weer. ‘Ik had een normaal leven! Ik werkte in een koffiezaak en ging naar het strand. Hamas heeft mijn leven verpest.’ Monaliza heft haar handen in de lucht: ‘Lieverd, je had geen normaal leven! Je zat gevangen, maar had het niet door.’ Ismail verheft zijn stem: ‘Wat weet jij ervan? Jij zat lekker hier. Ik was daar en zag uiteengereten baby’s in bomen hangen. Ik zag ledematen en vingers rondvliegen.’
De drie zwijgen een tijdje. ‘De keren dat je ons belde toen we nog in Gaza waren, was je altijd heel vrolijk’, zegt Hala tegen Monaliza. ‘Was je gelukkiger toen?’ Monaliza schudt het hoofd. ‘Ik deed alsof. Ik wilde jullie niet met mijn pijn belasten.’ Ismail heeft spijt van zijn uitbarsting, loopt om de tafel heen en omhelst zijn moeder. ‘We houden van elkaar’, stelt hij voorzichtig vast.
Enkele weken later vindt Ismail een baantje als pizzabezorger, waardoor er tot Monaliza’s opluchting wat ritme in zijn leven komt. In september krijgen ze de sleutel van hun appartement, op de vijfde verdieping van een portiekflat in Ede. Hala begint aan de Internationale Schakelklas (ISK) voor minderjarige vluchtelingen. Ze blijkt opnieuw een goede leerling: haar Nederlands gaat razendsnel vooruit.
‘We praten niet echt met hem’, zegt Hala tijdens een bezoek aan haar vader in het verpleeghuis. Anwar zit half rechtop in zijn ziekenhuisbed en staart op een tablet naar het nieuws van Al Jazeera. Hala vertelt dat het onduidelijk is hoe groot Anwar’s mentale beperkingen zijn. ‘Maar ik heb de indruk dat hij niet veel begrijpt.’
In de kamer staan een tafel, drie stoelen en een plastic plant. ‘Hij was een goede wiskundeleraar’, zegt Monaliza terwijl ze Anwar gadeslaat. ‘Streng, maar hij kon goed uitleggen.’ Hala gaat in de vensterbank zitten en kijkt uit het raam. ‘Ik vind het moeilijk om papa zo te zien. Ismail kan er beter tegen.’
Anwar gebaart met zijn hand dat het volume van de tablet omhoog moet. Hala doet wat hij vraagt en wijst op het aanrecht. ‘We willen daar een klein fornuis neerzetten zodat we voor mijn vader kunnen koken. Hij krijgt veel brood met kaas, hij mist falafel en gebakken tomaat met knoflook, ui en olijven.’
Hala ziet hoe de regen grote plassen vormt op het parkeerterrein beneden. ‘Ik probeer te doen alsof alles goed is’, zegt ze. ‘Ik volg het nieuws daarom niet meer.’ Als vluchteling kan Hala aanspraak maken op psychische hulp, maar ze twijfelt. ‘Bij een psycholoog moet je je emoties uiten, daar houd ik niet van. Tijdens bombardementen heb ik bijvoorbeeld nooit geschreeuwd. De meeste mensen schreeuwden de hele tijd.’
Het is een regenachtige donderdagavond eind november, op de bank in de woonkamer van de portiekflat in Ede gaat Ismails telefoon. ‘Ik heb een nieuwe baan’, zegt hij glunderend als hij ophangt. ‘Als magazijnmedewerker, dat verdient veel beter dan pizza’s bezorgen.’ Op 9 december kan hij beginnen. ‘Eerst een paar weken fulltime, en als ik straks naar school ga, drie dagen.’
Hij vertelt trots over een toets die hij heeft gemaakt, om te bepalen op welk niveau hij in januari kan instromen in het volwassenenonderwijs. ‘Het is havo geworden, met in het eerste jaar intensief Nederlands.’ Ismail heeft ook al een aantal vrienden gemaakt in Ede. ‘Allemaal Nederlanders’, zegt hij. ‘Ze hebben ons helpen klussen.’
Onder toeziend oog van haar kinderen maakt Monaliza maqlouba, een Palestijnse specialiteit met gefrituurde groenten en rijst.
Monaliza staat in de keuken en maakt maqlouba, een Palestijnse specialiteit met gefrituurde groenten en rijst. Ze heeft net een cursus over het Nederlandse rechtssysteem afgerond en staat op het punt aan haar inburgering te beginnen. Intussen probeert ze een onderneming op te zetten, voor de online verkoop van door Palestijnse vrouwen geborduurde kleding.
En ze volgt een cursus ‘hygiëne in de keuken’, met als doel assistent-kok te kunnen worden. ‘Eigenlijk ben ik advocaat’, zegt ze terwijl ze de schaal in de oven zet. ‘Maar mijn grootvader was chef-kok dus het zit in mijn genen.’ Hala zoekt een bijbaantje. ‘Ik heb de Jumbo gemaild, ze zochten caissières’, vertelt ze. ‘Denk je dat het een nadeel is dat ik een hoofddoek draag?’
Hala heeft op haar kamertje een bureau met boeken en een gebedskleedje voor het bidden, Ismail rookt op zijn kamer de ene na de andere sigaret, en Monaliza zit nog altijd in een constante regelmodus. Meubels, kleding, een broodrooster, er is altijd nog wel iets dat ze nodig hebben. ‘Ze is nog steeds heel vergeetachtig’, fluistert Hala, die zich een beetje zorgen maakt over ‘het gestress’ van haar moeder. Maar er is veel minder ruzie nu.
Hala vraagt zich af of het normaal is dat ze zoveel haaruitval heeft, en vertelt dat het haar op sommige dagen niet lukt om te eten. ‘Ik zou eigenlijk naar de schoolpsycholoog gaan omdat ik tijdens het maken van wiskundesommen een soort black-out kreeg’, zegt ze. ‘Maar dat ging toen niet door.’ Ze haalt haar schouders op: ‘Nu gaat het wel weer met die sommen.’
Ismail en Monaliza geinen in de lift van hun appartementencomplex in Ede.
Ze is van plan om medicijnen te studeren, denkt erover om te leren badmintonnen en ze wil graag een kat. ‘Maar mijn moeder vindt dat te duur.’ Ismail komt naast zijn zusje op de bank zitten en toont een video op zijn telefoon. ‘Het huis van onze opa en oma is vorige maand gebombardeerd, vlak na de deal van Donald Trump.’ Op de beelden is een grote berg puin te zien, de vriend die filmt zegt dat het hem spijt. ‘Alles is weg’, mompelt Ismail.
Monaliza zet een schaaltje Hamka’s op tafel, Hala en Ismail bestuderen de verpakking om te weten wat erin zit. ‘Hala eet geen ham’, legt Ismail uit en ze grinniken samen omdat Monaliza per ongeluk chips met varkensvleessmaak heeft gekocht. De geur van maqlouba verspreidt zich inmiddels door het huis. ‘Mama, het ruikt echt heel lekker’, roept Ismail richting keuken
Sinds het ingaan van het staakt-het-vuren snijdt de zogenoemde Gele Lijn de Gazastrook in tweeën. Het is letterlijk een streep door hun leven, zeggen vier Palestijnen. ‘Vroeger was het gebied aan de andere kant vol inwoners.’
Artsen zagen in Gaza een verontrustend patroon: kinderen met een enkele schotwond in hoofd of borst, een teken dat er gericht op ze is geschoten. Dat blijkt uit onderzoek van de Volkskrant, die sprak met de artsen die behoren tot de laatste internationale ooggetuigen.
Ruim een week geleden begon het Israëlische leger aan de aangekondigde verovering van Gaza-Stad. Honderdduizenden Palestijnen zijn voor het geweld gevlucht. Dit is het verhaal van vier van families.
Source: Volkskrant