Home

Wie kijkt er naar Dick en Brenda?

Eindejaarsverhaal De krant staat elke dag vol mensen, maar wie zijn de mensen die nooit in de krant komen? Over hen schreef Maartje Wortel een verhaal. Over Brenda en Dick dus.

Dick opende het raam aan de straatkant in de erker. Er stond een tuinstoel waar hij en zijn vrouw om en om op zaten om een sigaret te roken. De buitenwereld leek er dikwijls schoner uit te zien door de ramen; als Dick het raam opende kwam de wereld hem mat voor, alsof zijn hoofd verdween in een mistige lucht. Meestal werd die gewaarwording door hemzelf veroorzaakt, het was de rook die hij uitblies en die ergens in de kier tussen hem en de buitenlucht bleef hangen. En het kwam door de kwaliteiten van Brenda, die sinds enkele jaren een milde obsessie had opgevat voor ramen lappen.

Ik wil om me heen kunnen kijken, zei ze.

Van je af bedoel je, zei Dick.

Dick verplaatste zich naar de eettafel waar hij met een apparaatje sigaretten rolde van shag. Hij veegde met zijn hand wat restanten shag van tafel en keek hoe Brenda de kozijnen droog veegde met een zeem. Het was een geruststellend ritueel; de damp die uit de emmer omhoog steeg, de geur van het sop, de druppels die vanaf de vensterbank op de plavuizen vielen, het gepiep van de trekker en het bedompte geluid van de zeem. Eigenlijk was het nergens voor nodig de ramen zo vaak te lappen, ze waren niet vies. Omdat ik ze dus schoonhoud, zei Brenda. Het gaat erom dat je de dingen voor bent. Dick sprak haar niet tegen, hij vond ook dat je de dingen voor moest zijn, zelfs als dat wat extra geld kostte.

Bovendien was hij gehecht geraakt aan het wekelijks terugkerende ritueel. Hij hield ervan naar Brenda te kijken, met welk een vakkundige precisie ze te werk ging. Hoe de spieren in haar rug zich spanden wanneer ze de trekker van boven naar beneden liet glijden en hoe ze daarna op haar tenen stond om zich te concentreren op de randen. Als je de randen niet meepakt heb je niets aan je werk, zei ze. Op die momenten hield Dick van haar en op die momenten hield hij misschien zelfs van het leven. Alsof het iets was waarover je het overzicht kon bewaren. Al wist hij dat dat niet waar was. Over het algemeen waren zowel Brenda als Dick de dingen niet voor geweest. Ze hadden zelfs allebei op hun eigen manier het gevoel dat ze achter de feiten aanliepen, alsof alles zich buiten hun medeweten sneller ontwikkelde dan zijzelf. Misschien dat ze daarom dag in dag uit achter het raam zaten, om en om rokend; als de een opstond nam de ander plaats op de tuinstoel in de erker, als om te bestuderen hoe de anderen het deden: doorgaan.

Er gebeurde meestal niet veel in de straat. Er liepen jongens doorheen zoals door elke straat. Er liepen meisjes doorheen zoals door elke straat. En soms liepen ze met elkaar.

Dick dacht aan de eerste keer dat hij met Brenda door een straat had gelopen, in de nacht dat hij nogal onverwachts met haar was meegegaan naar de etage waar ze nu al jaren samenwoonden. Hij reed nog taxi in die tijd. Hij was een van de weinigen die vrijwillig koos voor nachtdienst. Vaak betekende nachtdienst simpelweg dat hij in de auto naar de radio luisterde. Soms betekende het drukte. En soms betekende het één rit, zoals de nacht waarin hij Brenda van het ziekenhuis naar huis moest brengen. Hij stond bij de kiss & ride geparkeerd, hield zijn blik op de schuifdeur van de hoofdingang van het ziekenhuis gericht. Op de radio werd gezongen over sneeuw, kerstbomen, cadeaus, eenzaamheid en liefde. En toen kwam Brenda naar buiten, ze droeg een spierwit verpleegsterspak, waardoor Dick haar nog elke dag zijn engel noemt. Brenda had haar armen om haar middel geslagen om zich warm te houden; de temperatuur was beneden het vriespunt. Ze bukte bij het raampje om aan de chauffeur te laten weten dat ze er was, maar ze stapte niet in, in plaats daarvan stak zij een sigaret op.

Dick opende een tikje geïrriteerd zijn portier, liep om de auto heen naar Brenda. Hij zei: Sorry meissie, zo doen we dat niet. Brenda dacht dat hij bedoelde dat hij ook een sigaret wilde, bood hem er een aan. Dick negeerde haar gebaar en zei dat je een taxichauffeur niet kunt laten wachten om doodleuk nog even een sigaretje te roken. Of ze wist dat de meter aanstond, of ze wist dat die sigaret haar een vermogen zou kosten. Brenda zei alleen: oké, en vroeg opnieuw of Dick er ook eentje wilde. Zo stonden ze samen te roken voor het ziekenhuis, alsof ze al bij elkaar hoorden. Ze praatten met elkaar, Dick weet niet meer precies waarover, maar hij herinnert zich hoe makkelijk dat ging, hij herinnert zich haar lach, de bruine laarsjes, de kruin in haar haar, die als een draaikolk op haar schedel lag.

Hij herinnert zich ook dat ze hem, toen ze eenmaal ingestapt was en ze over de snelweg reden, vroeg of hij om kon rijden, het centrum van de stad door, om de lichtjes te zien. Ze zei dat ze van autorijden hield, dat het vooral in deze kraakheldere nacht voelde alsof de tijd niet bestond. En ook vroeg ze of de Mercedes van hem was. Hij had graag ja gezegd. Hij had graag aangeboden haar vaker door de nacht te rijden, maar de waarheid was dat hij zelf geen auto had. Hij zou haar ervoor moeten laten betalen. Iets wat zij, afgaande op haar keuze om op haar dooie gemak een sigaret te roken terwijl de teller liep, geen probleem leek te vinden. Wat Dick niet wist, was dat de rit werd betaald door Brenda’s afdelingshoofd. Het was extra druk deze tijd van het jaar, alsof de mensen niet alleen nog even langs de kapper, maar ook langs de dokter gingen. Brenda was om 07:00 begonnen aan haar dagdienst, die door uitval van derden was overgegaan in de avond en uiteindelijk de nacht. Haar afdelingshoofd wist dat Brenda het geld en dus de extra uren goed kon gebruiken, hij op zijn beurt maakte daar soms moedwillig misbruik van. Wellicht kwam het door de tijd van het jaar dat zijn schuldgevoel daarover opspeelde; hij had aangeboden een taxi voor haar te bellen. Een luxe die Brenda zich nooit zou veroorloven.

Dick had haar na de gevraagde omwegen afgezet voor haar appartement en daar werden zij het meisje en de jongen die samen door de straat liepen. Brenda vroeg onomwonden of Dicks dienst erop zat (nee) en of hij niet even mee naar binnen wilde (ja) en zo was het begonnen. Ze waren natuurlijk in de eerste plaats gevallen voor elkaars lichaam, ze vonden elkaar sterk en onverwoestbaar en ze begrepen elkaar als vanzelfsprekend; ze snapten waar ze vandaan kwamen. Wat hen verder in elkaar aantrok was hun wederzijdse afkeer van pathetiek en afhankelijkheid, al waren ze in de loop der jaren helaas toch afhankelijk geworden van sigaretten en van elkaar.

Brenda hing de gordijnen terug, witte vitrages die ze onderin voorzag van een knoop. Dick nam weer plaats in de erker om naar de auto’s te kijken die door de straat reden. Hij had zelf zijn werk op moeten geven vanwege een slechte rug, die ondanks de zachtleren bekleding van de Mercedes toch voor veel problemen had gezorgd. Hij schaamde zich daarvoor, omdat hij geen zwaar lichamelijk werk had verricht zoals zijn broers, noch op kantoor had gezeten zoals de meeste mensen deden. Sinds hij thuiszat, keek hij graag vanuit het raam naar het geploeter van autobestuurders die probeerden in te parkeren. Het mooist vond hij het om te zien hoe iemand het na een verwoede poging opgaf en besloot door te rijden. Misschien waren dat wel de momenten die hem het meest gelukkig maakten. Sukkels, zei hij dan hardop.

Wil je koffie? vroeg Brenda, retorisch. Ze gaf hem de beker koffie met suiker. Dick stond op van de stoel in de erker om plaats te maken. Nu kon Brenda roken door de kier van het raam. Vanaf hier zou het normaal gesproken de hele dag zo gaan, alsof zij poortwachters waren die om de sigaret wisselden van de wacht, elkaar daarna verslag uitbrengend van hetgeen ze hadden gezien. Meestal niet veel, al verschoven zij hun blik weleens naar de overkant van de straat, waar in het hele blok een renovatie plaats had gevonden waarna de huurwoningen verkocht waren aan nieuwe mensen, veelal jong, met mooie brillen en gekleurde gympen en elektrische fietsen, mensen die in het weekend kookten voor vrienden en planken aan de muur hadden met boeken erop. Net als Brenda en Dick was hun directe overbuurjongen bijna altijd thuis. Als er echt niets te zien was in de straat keken ze naar de overkant, naar de jongen die steevast met hoge schouders en een gebogen rug achter een computer zat. Vaak bescheen het witte licht van het scherm zijn witte gezicht. Brenda en Dick vroegen zich af wat hij deed. Ze hielden twee opties open. 1. Niets. 2. Iets heel belangrijks.

Nadat Dick was afgekeurd had Brenda nog een tijdje doorgewerkt, maar na verloop van tijd had ze zorgverlof opgenomen, steeds iets langer, steeds iets meer, tot ze helemaal niet meer werkte. En waar andere mensen ziek werden van hun werk, was Brenda haast ongemerkt ziek geworden van het niet werken. Van dat eindeloze zitten bij het raam. Nadat haar sigaret was uitgedrukt had ze moeite met opstaan. Dick stond naast haar en zag dat er iets niet goed was. Zo kende hij haar niet.

Wat is er meissie? vroeg hij. Ze zei dat het niets was. Ze herhaalde dat het niets was, maar opstaan deed ze niet. Dick zei dat hij een vis voor haar zou gaan halen op de markt.

Ik hoef geen vis, zei Brenda.

Maar vis is gezond, zei Dick. Dat had hij van zijn moeder geleerd. Vis is overal goed voor, had ze gezegd. Dick herhaalde nu dat vis gezond was, alsof het een toverspreuk betrof die Brenda zou doen opstaan. Hij trok zijn jas aan, haalde een briefje van tien uit de keukenla (voor noodgevallen) en vertrok naar de markt. Brenda hoorde hem de trap afstommelen.

Buiten was het koud en druk. Overal hingen lampjes die aanstonden, al was het midden op de dag. Ook op de markt hadden marktkooplui hun kraampjes versierd. Dick zei tegen de visboer dat hij de gezondste vis wilde, eentje die hij kon bakken.

Alle vis is gezond, zei de visboer. Precies wat Dick wilde horen. Hij bekeek de prijzen en wees een vis aan. De visboer rolde de vis in een paar kranten. Gelukkig nieuwjaar, zei de visboer, alsof ook hij de dingen voor wilde zijn. Bijna zorgeloos liep Dick terug naar huis waar hij meteen nadat hij de deur opende, zag dat Brenda in elkaar was gezakt. Ze lag in de erker, naast de stoel. De decemberzon scheen door de ramen op haar gezicht. Dick liet de vis uit zijn handen vallen, belde meteen de alarmcentrale. En zoals hij haar op een decembernacht van het ziekenhuis naar huis had gebracht, zo werd ze nu door twee ambulancemedewerkers op een brancard de trap afgedragen van hun huis, zo het ziekenhuisbed in, op de afdeling waar ze vroeger zelf rond had gelopen. En omdat hun samenzijn begonnen was in precies deze omgekeerde beweging, vreesde Dick nu voor een einde. Vreemd genoeg was dat iets waar hij nooit eerder rekening mee had gehouden. Althans: niet met háár einde.

Hij zat naast haar bed tot het bezoekuur was afgelopen. Hij kuste haar op haar kruin en nam de tram naar huis, waar hij bijna struikelde over de vis die hij die middag uit zijn handen had laten vallen. Hij raapte de vis op, wist niet wat hij er mee moest nu hij voor zichzelf moest zien te zorgen. Ook dacht hij: zonder die vis was Brenda nog hier. Dick sloeg de maaltijd over, hij zat aan de eettafel en stak een kaars aan voor wat huiselijkheid en vooral voor warmte. Dick en Brenda waren mensen die tijdens de wintermaanden kozen voor de televisie, de verwarming bleef uit. Nu Brenda er niet was hoefde er geen pauze meer te zitten tussen het roken. Dus nam Dick met de tabaksrolmachine en al plaats in de erker. Hij rookte zoals altijd door de opening in het raam. Al wist hij niet zeker of dat nog nodig was, hij deed het toch, zodat de ramen schoon zouden blijven. Zolang het uitzicht helder bleef deden zij er toe. Bovendien wilde Dick dat alles zou gaan zoals dat ging met Brenda, zodat ze straks als ze terugkwam uit het ziekenhuis gewoon weer in kon voegen, alsof er niets was gebeurd.

Dick speelde met de vlam van zijn aansteker toen de bel ging. Hij schrok; er werd vrijwel nooit aangebeld. Straks was het iemand die slecht nieuws kwam brengen over zijn engel. Of: het was Brenda zelf, gezond en wel. Hij drukte op de knop van de intercom en luisterde naar de voetstappen; het was in elk geval niet Brenda. Hij opende de deur en herkende het witte gezicht van de overbuurjongen. Hoewel het heel normaal is om je buurjongen te herkennen deed Dick alsof hij geen idee had wie de jongen was; hij voelde zich betrapt. De buurjongen zei dat hij Miko heette, hij hield daarbij zijn rechterhand op zijn hart, alsof hij het zwoer en maakte met zijn andere hand een beweging naar de overkant. Ik woon hiertegenover, zei hij. Ik zag de ambulance vanmiddag. Ik zag uw vrouw op de brancard. Daarna overhandigde Miko een kerststol aan Dick, een beetje onhandig, terwijl hij door bleef praten. Ik kwam vragen of alles goed is, misschien heeft u zin in iets lekkers. Ik dacht: misschien een stol. Ik dacht een stol is altijd goed.

Dick had nog geen woord gezegd. Hij keek naar de jongen die bij elke zin leek te willen zeggen wat hij dacht. Ik dacht ik kom even kijken, zei hij. Ik dacht: misschien kan ik iets voor jullie doen. Ik dacht: ik kom mijn hulp aanbieden. Het komt wellicht wat brutaal over, maar ik dacht ook: niets doen is brutaler. Ik heb immers gezien dat uw vrouw vandaag uit huis getild is. Ik zie jullie weleens roken, begrijpt u. Dick begreep het. Met dit scenario had hij geen rekening gehouden, hij had nooit gedacht dat zij niet de enigen waren die keken, dat ze zelf ook bekeken werden. Twee rokende mensen, om en om. Ze hadden zeker geweten dat de jongen alleen oog had voor zijn computer. O, zei Dick. Dank je. Dank voor de stol. Hij zei ook dat alles goed zou komen met Brenda. Nadat hij dit had uitgesproken voelde hij een mengeling van opluchting en schuldgevoel. We hebben niets nodig, zei hij. Hij hoopte dat de jongen snel naar de overkant zou vertrekken. Hij bood hem niets te drinken aan. Wat had die jongen precies gezien? Hij voelde als een indringer, als iemand die buiten hen om had bestaan en nu ineens in hun gang stond, met zijn goede bedoelingen.

Ik dacht misschien kan ik boodschappen doen, zei de jongen. Of op een dier passen.

We hebben geen dieren, zei Dick.

De jongen zei oké en daarna zei hij: dan ga ik maar weer en dat ze altijd bij hem aan mochten bellen voor hulp. Hij wees opnieuw naar het appartement tegenover. Gewoon aanbellen, zei hij. Ook als u alleen zit met kerst of zoiets: echt doen.

Zal ik doen, zei Dick. Die los van schaamte ook woede voelde opkomen.

Heel goed, zei de jongen. Doe voorzichtig. Doe de groeten aan uw vrouw.

Doe ik, zei Dick, die al wist dat hij dat niet zou gaan doen. Nogmaals bedankt voor de stol, zei hij om beleefd over te komen.

Hij hoorde zijn overbuurjongen nu weer de trap aflopen, de eeuwige trap waarop mensen kwamen en gingen. Even later ging het licht aan de overkant weer aan. Dick voelde zich ongemakkelijk, alsof hij niet thuis was, hij wist niet of dat kwam door de afwezigheid van Brenda, of door de plotselinge aanwezigheid van de jongen, die hem nu kon zien. Om eerlijk te zijn verloor hij daarmee alles wat hij in zijn bezit dacht te hebben, meer nog dan hij had verloren nu Brenda er niet meer was. Hij liep naar de vers gelapte ramen, waar hij de gordijnen ontknoopte en ze sloot zodat hij niet meer te zien was. Hij verplaatste de tuinstoel naar de kleine keuken, waar hij naast de koelkast bij het smalle raam ging zitten. Dit raam was waardeloos. Uit pure verveling pakte hij de krant waar de vis in zat. Op de voorpagina stonden bovenaan fotootjes van mensen die nieuwsgierigheid moesten opwekken. Dick keek naar een foto van een man in een pak, die met één hand nonchalant tegen een boom geleund stond. De man was expert in samenleven, stond er onder de foto. Dick bladerde naar het katern met het interview. De man zei dat iedereen graag gezien wil worden. Dat maakt een mens een mens, zei hij. Als iemand het gevoel krijgt over het hoofd gezien te worden, lopen de dingen uit de hand, zei de expert. Dick gooide de krant en daarna de vis in de prullenbak. Het enige waar hij naar verlangde was kijken hoe iemand verkeerd inparkeerde. En dan lachen, het raam sluiten, zich omdraaien naar Brenda en zeggen: wat een sukkels.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next