Drie jaar na de Nederlandse slavernij-excuses overheerst in Guyana verbolgenheid. Twee eeuwen lang was het land een Nederlandse kolonie. In 1763 vond er een van de grootste slavenopstanden uit de koloniale historie plaats. ‘Hoe kon Nederland ons vergeten?’
Door Joost de Vries
Fotografie Guus Dubbelman
De kleine boot ploegt door het donkere water van de Berbice-rivier. Onder het afdakje zitten tien passagiers knie aan knie op houten bankjes. Langs de boeg spat het water op als koffieschuim. ‘Als rebellenleider Cuffy niet had onderhandeld met de Nederlanders, maar had doorgevochten’, zegt de 32-jarige passagier Kizzie Kitt-Peters, ‘dan was Berbice de eerste zwarte republiek in de Amerika’s geweest.’ Haar stem komt maar net boven de brommende motor uit.
De geschiedenisdocent aan de Universiteit van Guyana draagt een wit shirt met de tekst I’m black every month. Dit najaar reist de activistische nazaat van slaafgemaakte Afrikanen met de Volkskrant over de rivier naar de ruïnes van Fort Nassau. Deze militaire vesting vormde het hart van de Nederlandse kolonie Berbice in het huidige Guyana, een klein Zuid-Amerikaans land ingeklemd tussen Venezuela en Suriname.
Kizzie Kitt-Peters reist met de Volkskrant over de Berbice naar de ruïnes van Fort Nassau.
Aan de rivier, die diep in het Amazonewoud ontspringt en uitmondt in de Atlantische Oceaan, hakten in de 17de en 18de eeuw Nederlandse kolonisten hun plantages uit de jungle. Althans, dat lieten ze doen door slaafgemaakte arbeiders. Twee eeuwen lang dwongen honderden Nederlanders duizenden Afrikanen tot het verbouwen van katoen, suiker, cacao en koffie op de oevers van de Berbice.
De met bruut geweld afgedwongen machtsverhoudingen bleken wankel. Op de afgelegen plek, waar het regenwoud de oude plantages sindsdien heeft verzwolgen, vond halverwege de 18de eeuw een van de grootste slavenopstanden uit de koloniale geschiedenis plaats. Het verzet werd geleid door de West-Afrikaanse Cuffy (ook wel Kofi) – een nationale held in Guyana, in Nederland een onbekende.
De Berbice-rivier tijdens zonsondergang.
Tijdens de drie uur durende bootrit van het kuststadje New Amsterdam naar de historische resten van Fort Nassau raakt Kitt-Peters in gesprek met de passagier naast haar. De 30-jarige imker Orris Sinclair vertelt dat hij via zijn vaders kant afstamt van drie Afrikaanse broers die bij aankomst in de Nederlandse kolonie werden opgesplitst.
‘Cuffy’s grootste fout’, zegt Sinclair, ‘was dat hij te geduldig was.’ De watertaxi raast langs oevers begroeid met oerwoud, daarboven breekt een streep zonlicht door grijze wolken. ‘Was hij een radicaal geweest, dan was de slavernij veel eerder afgeschaft.’
Een grootmoeder (84) doet de was in een dorpje langs de Berbice, waar de Nederlanders lang hun kolonie hadden. Ze heeft hier tien kinderen op de wereld gezet.
In februari 1763 kwamen de Afrikanen in opstand tegen hun onderdrukkers en viel de kolonie in tweeën uiteen. Onder leiding van Cuffy, een slaafgemaakte van de plantage Lelienburg, veroverden de vrijgevochten slaven het Nederlandse Fort Nassau en bezetten tientallen plantages landinwaarts.
De Nederlandse gouverneur Wolfert Simon van Hoogenheim verschanste zich met zijn mensen op hun laatste vestingen tussen de opstandelingen en de monding van de rivier. Zijn hoofdkwartier werd de stroomafwaarts gelegen plantage Dageraad. Het duurde ruim een jaar voordat de Nederlanders hun kolonie volledig terugveroverden op de rebellen.
Deze spectaculaire geschiedenis heeft iets aan bekendheid gewonnen sinds de Nederlands-Amerikaanse historicus Marjoleine Kars in 2020 het boek Blood on the River (Bloed in de rivier, 2021) publiceerde. Aan de hand van documenten uit het Nederlandse Nationaal Archief reconstrueerde ze de opstand waarbij naar schatting vijfduizend slaafgemaakten op 135 plantages betrokken waren. Velen sloten zich aan bij de rebellen, anderen probeerden zelfstandig te overleven in het oerwoud, weer anderen collaboreerden met de kolonisten.
Kars verhaalt ook de nasleep: hoe Cuffy zelfmoord pleegde, nadat hij het vertrouwen van zijn mensen was kwijtgeraakt, de wraakmissies van de Nederlanders die met hulp van de inheemse volkeren de rebellen opjaagden en vermoordden of opnieuw tot slaaf maakten, en de ‘berechtingen’ waarbij gruwelijke (dood)straffen werden toegepast.
Het beeld van Cuffy op het Plein van de Revolutie in Georgetown, Guyana.
In het huidige Guyana is Nederland nog overal aanwezig: in het landschap dat naar Hollands voorbeeld in polders is gedwongen en in plaatsnamen die getuigen van koloniaal optimisme: Goed Fortuin, Vreed en Hoop, Weldaad.
Veel Nederlanders kennen Guyana echter vooral als ‘Brits’-Guyana. De Britten namen begin 19de eeuw de Nederlandse plantages aan de rivieren Essequibo, Demerara en Berbice over, en schaften in 1838 de slavernij af. Het land bleef een kolonie tot 1966.
Hoezeer de Nederlandse geschiedenis van Guyana door Nederland is vergeten, bleek op 19 december 2022. Op die dag bood toenmalig minister-president Mark Rutte namens de staat excuses aan voor het Nederlandse slavernijverleden. Die excuses werden door Nederlandse bewindspersonen ook uitgesproken in Suriname, op Curaçao, Sint Maarten, Aruba, Bonaire, Saba en Sint Eustatius. ‘Wij in Nederland moeten ons aandeel in dat verleden onder ogen zien’, zei Rutte. Guyana kwam in geen enkele speech voor.
In 1763 vond in Guyana een van de grootste slavenopstanden uit de koloniale historie plaats.
Schoorvoetend zetten Europese landen in recente jaren stappen richting erkenning van de gruweldaden die Europese kolonisten pleegden tussen de 16de en de 19de eeuw in naam van de kroon, de republiek of private ondernemingen. Nederland en Denemarken maakten excuses. Uit Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk klonken woorden van spijt, maar bleven excuses uit.
Recentelijk zei de Britse premier Keir Starmer nog dat hij met de Gemenebestlanden (waaronder ook Guyana) actuele problemen wil aanpakken in plaats van ‘te verzanden in eindeloze discussies over herstelbetalingen’. Maar de Afro-minderheden in de Cariben en Zuid-Amerika willen die discussie wél voeren.
Sinds 2013 pleit Guyana samen met het Caribische Caricom-genootschap voor Europese herstelbetalingen. De man die de Guyanese missie leidt is Eric Phillips (73), sinds de oprichting voorzitter van het nationaal comité voor ‘reparations’: financiële genoegdoening voor drie eeuwen Europese slavernij.
Op een zaterdagmiddag woont Phillips aan de monding van de Berbice-rivier een uitvaartceremonie bij van een gewaardeerde collega. Tientallen leden van het herstelbetalingencomité zijn samengekomen onder een grote partytent op een veldje langs het water, niet ver van New Amsterdam. In hun midden staat de felblauwe kist.
Hier wordt niet alleen het leven van wijlen Isaac Clifton Egerton Welcome gevierd, maar ook de Afrikaanse wortels van de zwarte Guyanese gemeenschap. De genodigden gaan gekleed in Afrikaanse gewaden. Voorzitter Phillips draagt om de schouders een luipaardhuid. Sister Esther, secretaris van het comité, draagt spoken word voor. ‘Keer op keer vergeten ze 1763’, zegt ze met luide stem. ‘Ze zullen er spijt van krijgen. Wij zijn hier om ons verhaal te vertellen. Herstelbetalingen nu!’
Comitévoorzitter Phillips is uiterst kritisch over Nederland. ‘Hoe kon Nederland Guyana vergeten?’, zegt hij na de uitvaart. De Nederlandse excuses zijn volgens hem niet oprecht. ‘Wie excuses maakt, belooft zijn fouten niet te herhalen, maar Nederland heeft nog steeds kolonies. Het betekent ook dat je je fouten wilt herstellen, maar van werkelijke herstelbetalingen is geen sprake.’
Tijdens het afscheid van Isaac Clifton Egerton Welcome wordt niet alleen diens leven, maar worden ook de Afrikaanse wortels van de zwarte Guyanese gemeenschap gevierd.
Gelijktijdig met de excuses trok Nederland 200 miljoen euro uit voor ‘bewustwording, betrokkenheid en doorwerking’. Een volstrekt ontoereikend bedrag, vindt Phillips, die verwijst naar het toonaangevende Brattle Report over herstelbetalingen. Het Amerikaanse consultancybureau Brattle concludeerde in 2023 dat Nederland Guyana 44 miljard euro verschuldigd is. Suriname en de Caribische eilanden zouden recht hebben op ruim 4 biljoen (4.000 miljard) euro.
Volgens de Guyanese activist kan de enorme schuld worden afgelost zoals die werd opgebouwd, over een periode van meerdere eeuwen. ‘Dan gaat het om 0,01 procent van het Nederlandse bbp per jaar. Europese landen moeten het kunnen dragen, en voormalige koloniën moeten het kunnen absorberen.’
Hij schreef sinds 2022 vergeefs brieven aan de Nederlandse regering. ‘De Nederlanders zullen er alles aan doen om niet te betalen’, stelt hij. Toch houdt hij hoop. Zijn verre voorganger Cuffy ging ten onder, terwijl hij onderhandelde met de Nederlandse kolonisten. ‘Ik zal niet dezelfde fout maken’, zegt Phillips. ‘Ik zal niet falen.’
‘De Nederlandse excuses zijn bedoeld voor alle mensen die tot slaaf zijn gemaakt en daar wereldwijd onder hebben geleden, voor hun kinderen, en voor alle volgende generaties tot op de dag van vandaag. Dus ook voor de mensen die tot slaaf zijn gemaakt in Guyana.
‘De regering heeft een moreel ethisch gebaar gemaakt, dit betekent niet dat de nakomelingen van slaafgemaakten een directe financiële compensatie krijgen. Er is geen sprake geweest en zal ook geen sprake zijn van herstelbetalingen.
‘Wel is er 200 miljoen euro uitgetrokken voor overheidsprojecten en initiatieven uit de samenleving om bewustwording rond het slavernijverleden te vergroten. Ook heeft het kabinet 27 miljoen euro vrijgemaakt voor een slavernijmuseum.’
Op de Berbice-rivier koerst de watertaxi richting de kade. Daar staat op een open plek een vergeeld bord met de tekst ‘Fort Nassau’. Kitt-Peters klimt de steiger op. Ook passagier Sinclair, gegrepen door het onderwerp, gaat aan wal. ‘Natuurlijk moet Nederland betalen’, zegt hij met een indringende blik. ‘Nederland werd rijk over de ruggen van onze voorouders. Waar blijven die excuses?’
Op papier wordt Fort Nassau als nationaal erfgoed onderhouden door het National Trust of Guyana. In de praktijk woekert de jungle over de laatste stenen fundamenten van de vesting, geen gebouw staat meer overeind. Toen Cuffy’s opstand uiteenviel, staken de rebellen het fort in de brand.
Graven op de plek waar ooit Fort Nassau stond, het ijkpunt van de koloniale overheersing.
Een opzichter stelt zich voor als Dwight Amsterdam. Ook hij is nazaat van slaafgemaakte Afrikanen, vertelt hij. Zijn voornaamste taak is het met een kapmes begaanbaar houden van de paden op het terrein, bezoekers krijgt hij zelden.
Amsterdam leidt het kleine gezelschap langs een kruis waar ooit een Lutherse kerk stond. Van een raadsgebouw resteert een stukje stenen trap, en van de barakken alleen wat contouren in de modderige bodem. De namen op enkele grafstenen herinneren aan de machthebbers en hun kinderen die stierven in de kolonie. De 4-jarige Hendrik Jan van Rijswijk bleef de bloedige slavenopstand bespaard, hij overleed in 1759.
‘Waar zijn de graven van onze voorouders?’, vraagt Kitt-Peters zich af. Sinclair klaagt over de vervallen staat van het fort. ‘Hoe kunnen we de geschiedenis doorgeven als er niets over is om te laten zien?’ Opzichter Amsterdam peurt met zijn kapmes in de grond en wipt een dikke flessenbodem uit de klei. ‘Een Nederlandse fles.’
Op de oorspronkelijke plek van Fort Nassau vind je voorwerpen uit de koloniale tijd, zoals Nederlandse flessen en Delfts Blauw.
Had rebellenleider Cuffy maar geluisterd naar Accara en Atta, verzucht Kitt-Peters. Deze strijdmakkers van Cuffy wilden doorstoten en de Nederlanders volledig de kolonie uitjagen. ‘Dan was de geschiedenis anders gelopen’, zegt ze. Maar Cuffy besloot tot tijdrovende onderhandelingen met gouverneur Van Hoogenheim, in de ijdele hoop dat de Nederlanders een onafhankelijke zwarte kolonie naast de Nederlandse zouden tolereren.
Het had geen verschil gemaakt, laat historicus Kars via e-mail weten. De rebellen konden niet op tegen de beter bewapende kolonisten. Bovendien zouden de Nederlanders het verlies van hun kolonie nooit hebben geaccepteerd, stelt ze. ‘Er zat te veel geld in Berbice, en de angst voor een domino-effect richting Suriname was te groot. Ze zouden zijn teruggekomen en opnieuw slavernij hebben ingevoerd.’
Op de open plek naast de rivier neemt Kitt-Peters plaats onder een grote kapokboom, volgens de overleveringen geplant door de Nederlandse kolonisten. ‘Ik vraag me af of mijn voorouders hier af en toe konden zitten en even konden uitrusten.’ Insecten zoemen tussen het gras. De Berbice klotst zachtjes tegen de kade. ‘Ik denk niet dat ze die vrijheid hadden.’
Een nieuw fotoboek over Suriname bevat meer dan honderd foto’s uit de omvangrijke verzameling van Carl Haarnack. ‘Er is een lawine aan foto’s van Europese families die tennissen met witte sokjes aan, of die poseren met Surinaamse bedienden. Wat interessant is, zijn de foto’s die de uitzondering op de regel vormen.’
Bij het afsluitende persgesprek in Paramaribo liet koning Willem-Alexander weten dat er ‘absoluut geen punt is gezet’ achter het discours over het koloniale verleden. ‘Het blijft een deel van onze geschiedenis, waarbij we altijd stil moeten blijven staan.’
Nazaten van tot slaaf gemaakten en de inheemse bevolking accepteren de excuses en het verzoek om vergiffenis van koning Willem-Alexander uit 2023. Wel willen zij verder spreken over ‘reparatie’.
Source: Volkskrant