Home

Schrijver, durf eens een malloot te zijn

Serieuze literatuur Wie goede literatuur wil schrijven, moet zien te ontsnappen aan zijn ijdelheid en ego. Maar hoe? Schrijver en dichter Joost Oomen zoekt naar het antwoord.

De Franse schrijver en Prix Goncourt-winnaar Jean Cau in 1961.

Het probleem met schrijven is dat het altijd begint met een zekere vorm van pretentie. Het idee dat je iets te vertellen hebt en dat wat je te vertellen hebt ook voor anderen de moeite waard is. Dat is op zichzelf natuurlijk geen probleem (sterker nog die verwaandheid heb je hard nodig wanneer je je eerste stappen als schrijver zet) maar het wordt een probleem wanneer je er als schrijver achter komt dat die pretentie in de weg staat wanneer je iets waars of waarachtigs wilt zeggen. Eigenwaan gaat moeilijk samen met iets spijkerhard eerlijks op papier krijgen en elke goede schrijver wil op een zeker moment iets spijkerhard eerlijks, iets waars op papier krijgen, dat is immers wat de literatuur van je vraagt. En ik zeg hier expres goede en niet serieuze, want serieuze schrijvers zeggen over het algemeen weinig oprechts.

De meest succesvolle (maar zeker niet de beste) schrijvers in het Nederlandse taalgebied, zijn de schrijvers die zichzelf tot in den treure serieus nemen. Ze zien geen enkel probleem in hun eigen pretentie, cultiveren die zelfs, spreidden die tentoon in kranten, op festivalpodia en het liefst ook op tv. Om de week zit er wel weer een andere (maar veel vaker nog dezelfde) serieuze schrijver met een ernstig gezicht bij Buitenhof, vers ingevlogen uit Italië of New York, over de staat van het land of de wereld te vertellen. Ze vullen krantenkaternen met hun dappere reizen naar Afghanistan of Oekraïne, op grote foto’s poserend alsof ze de laaglandse Ernest Hemingway zijn. Ze presenteren filosofische praatprogramma’s voor de VPRO, rollebollen op ernstige wijze met elkaar (of erger nog: in hun eentje) in debatcentra in Utrecht en Amsterdam en beginnen te pas en te onpas over ‘de grote thema’s van deze tijd’, die naar gelang de lezing gemakkelijk aangepast kunnen worden. Kortom: ze spelen schrijvertje.

Schrijvertje spelen is een lucratieve business, en doordat deze vorm van entertainment (want literatuur is het niet) zo populair is, drukken deze serieuze schrijvers de ware schrijvers uit de markt. Schrijvertje spelen is het publiek pleasen, en dus worden deze serieuze schrijvers door het grote publiek constant op het schild gehesen. Kom niet aanzetten met dat deze schrijvers dat ook verdienen, dat ze hun pretenties mogen hebben omdat ze die pretenties ook waarmaken. Dan doen ze niet, ze voldoen slechts aan de verwachtingen van de buitenwacht, de literatuur verbreden ze niet, helpen ze geen steek vooruit. Ze schrijven allemaal keer op keer hetzelfde boek: vuistdikke familieromans, liefst met een hoop incest, huiselijk geweld, tragische romantiek of oorlog erin, met een allesvangende bespiegeling over Europa, Amerika, klimaatverandering, macht of toerisme aan het einde. Boeken die mij altijd doen denken aan van die gerechten van plastic die je soms in de etalages van Chinese restaurants ziet. Ze zien er appetijtelijker uit dan echt eten, fantastisch om uit te stallen, maar met voedsel, met literatuur, heeft het weinig te maken.  

Op de borst slaan

Maar hoe moet het dan wel? Hoe schakel je als auteur je pretentieuze schrijvers-ik uit om eindelijk wel iets oprechts te kunnen zeggen? De Franse dichter Arthur Rimbaud had daar wel ideeën over. Die schreef al in 1871, toen hij nog maar zestien jaar oud was, gelukkig jaren voordat hij zo down-to-earth raakte dat hij al zijn schrijven als hoogmoedige jeugdzondes bestempelde en gewoon fatsoenlijk wapenhandelaar werd in Abbesinië; die Rimbaud dus schreef in een brief aan collega-dichter Paul Demeny (in de vertaling van Hans van Pinxteren):

„Want IK is een ander. Als het koper ontwaakt als klaroen, kan het daar niets aan doen. Dit is mij duidelijk: ik woon het ontluiken van mijn gedachte bij: ik kijk ernaar en luister: ik strijk de snaren aan: de symfonie roert zich in de diepten of springt ineens tevoorschijn.”

Dit is belangrijk: ik is een ander, in de beste literatuur zit er licht tussen degene die opschrijft en hetgeen er uiteindelijk op het papier komt te staan. Volgens Rimbaud is het dus stompzinnig (dit woord gebruikt Rimbaud later in de brief letterlijk) jezelf als serieus schrijver op de borst te slaan, want wat er uiteindelijk op papier komt is als het goed is helemaal niet louter te danken aan jezelf. Een goede schrijver woont alleen maar ‘het ontluiken van diens gedachte bij’ en stuurt die dus niet, mag dus ook niet met de eer lopen strijken. Een verfrissende kijk op literatuurproductie, en wat mij betreft een juiste. Alleen ook een ingewikkelde, want hoe zet je jezelf als schrijver op afstand van wat je schrijft. Nou zo, volgens Rimbaud (dat rijmt!):

„Het gaat erom de ziel monsterlijk te maken: naar het voorbeeld van de comprachico’s, of niet soms! Stel je een man voor die op zijn gezicht wratten ent en kweekt. Ik zeg dat je ziener moet zijn, jezelf tot ziener maken.”

Comprachico’s, belangrijk om hier te weten, waren kinderlokkers die gelokte kinderen expres verminkten, om ze als rariteiten op kermissen tentoon te kunnen stellen. Gezellig hè! Maar hoe word je dan zo’n ziener?

„De Dichter wordt ziener door een langdurige, mateloze en beredeneerde ontregeling van alle zintuigen. Alle vormen van liefde, lijden, dwaasheid; hij zoekt zichzelf, hij probeert alle soorten gif grondig op zichzelf uit om slechts de kwintessens te behouden.

  „Onuitsprekelijke marteling waarvoor hij alle vertrouwen, alle bovenmenselijke kracht nodig heeft, waarbij hij temidden van van allen de grote zieke wordt, de grote misdadiger, de grote gedoemde – én de opperste Wijze! – Want hij komt tot het ongekende!.”

Deze oplossing van Rimbaud, de ziel monsterlijk maken om zo het pretentieuze ik te lozen, heeft decennialang prima gewerkt. Ze kende vele trouwe navolgers, niet de minste ook, vooral dat gedeelte van het uitproberen van alle soorten gif (lees: drank) was onder schrijvers en dichters mateloos populair. Alleen, precies dat gedeelte werkt niet meer. In de tijd van Rimbaud zette je je misschien als schrijver nog af tegen de gevestigde, serieuze schrijvers door veel te drinken, alle vormen van liefde, lijden en dwaasheid uit te proberen. Die gevestigde, serieuze schrijvers waren immers zeer bedaagde, zeer nette heren die in Parijse literaire salons zeer truttige versjes zaten te bakken, dat waren de echte schrijvers, en door je tegen hen af te zetten, bijvoorbeeld met overmatige drankconsumptie of het oplopen van tuberculose op een lekkende zolderkamer, liet je zien dat het ware schrijven ergens anders plaatsvond.

Nu is het precies andersom. Het is niet zozeer dat het van een serieuze schrijver verwacht wordt dat deze choqueert met longontstekingen of zuipfestijnen, maar wanneer dit toch gebeurt is er ook niemand meer die ervan opschrikt. Dat betekent niet dat schrijvers een groot drinkfeest niet meer leuk mogen vinden (schrijvers zijn ook maar mensen en ik drink mijzelf ook graag een stuk in de kraag), maar het heeft geen nut meer om jezelf ermee los te weken van je eigen schrijverspretenties of de verwachtingen van het publiek. Ga maar eens bij een bijeenkomst van beginnende dichters kijken: de grootste wannabes koketteren het meest overdreven met hun middelengebruik.

Er moet dus een andere manier verzonnen worden om de ziel monsterlijk te maken, het pretentieuze schrijvers-ik pootje te haken. Ik zeg: Schrijver, durf eens een malloot te zijn. Laat je eens uitlachen!

IJdeltuiterij

Want door je te laten uitlachen, voldoe je volstrekt niet aan het gangbare beeld van de serieuze schrijver. Schrijvers zijn toch ernstige mensen? Daar lach je toch niet om en die lach je toch zeker niet uit? Door als schrijver actief het uitlachen te zoeken, gooi je het idee te maken te hebben met ernstige literatuur bij het publiek te grabbel. En niet alleen bij het publiek, dat uitlachen zorgt ook voor het breken van dat beeld in de schrijver zelf. Opeens is de schrijver vrij zich aan de daadwerkelijke literatuur te wijten, want al die ijdeltuiterij kan definitief het raam uit. Clowntje Literatuur is vrij omdat niemand Clowntje Literatuur voor vol aanziet, serieus denkt te hoeven nemen. Opeens is er dan de mogelijkheid om oprecht en waarachtig en rücksichtslos te wezen. Goede schrijvers weten dit allang, daarom doen goede schrijvers, bewust of onbewust, zulke vreemde dingen. Vraag maar eens aan Daniil Charms, Jan Arends, Fritzi Harmsen van Beek, Maarten Biesheuvel, Richard Brautigan, Charlotte Mutsaers, Anneke Brassinga of minderbroeder Juniperus.  Succesvolle serieuze schrijvers doen weinig vreemde dingen, bangeschijters die het zijn. Dat is voor de literatuur en dus voor de lezer, maar ook voor de schrijver persoonlijk, behoorlijk zonde en behoorlijk saai.

Dus wat ik wil is Ilja Leonard Pfeijffer die op de Dam een eenzame horlepiep staat te dansen, wat ik wil is Connie Palmen die honderdtwintig liter limonade drinkt. Wat ik wil is Tommy Wieringa die maar blijft voordoen hoe hij met zijn armen wijd echt kan vliegen, Pieter Waterdrinker die bij VPRO Boeken met zeer veel moeite koppeltjeduikelt en radslagen doet. Wat ik wil is Peter Buwalda met van die oranje zwembandjes, eenzaam een bellenblaaspijp rokend op het boekenbal-balkon.

Wat ik het liefste wil is dat Arnon Grunberg zich herinnert hoe zich als een gek door de letteren te bewegen. Ooit ging hij met een geit op boekentour, nu is hij Nederlands kampioen schrijversijdeltuiterij. Ik wil die geit terug, ik wil dat hij voor een keertje met natte haartjes Het Filosofisch Kwintet presenteert. Met een vers gestreken pyjama aan, een sokpop in de hand waarmee hij duimt, dreinend tegen de cameramensen. Dat hij dan met een pruillip aan zijn gasten vraagt of ze nog wel van hem houden. En dat die gasten hun lachen niet meer kunnen inhouden, van de camera wegkijken, giebelen. Men giebelt niet om een serieuze schrijver. De gasten weten niet hoe het programma, hoe de literatuur met deze malloot verder moet.

En denk maar niet dat schrijven voor malloten minder menens is dan voor serieuze schrijvers. Het is ze minstens evenveel waard, minstens evenveel ernst, ze offeren er in ieder geval veel meer, ja hun hele geloofwaardigheid, voor op. Mallotenschrijvers kiezen een ander pad dan hun serieuze collega’s: door zich vrij te spelen van verwachtingen bij zowel het publiek als bij henzelf, zijn ze zo licht als veertjes geworden. Ze nemen het pad door de wolken. En iedereen weet: het pad door de wolken, brengt je uiteindelijk het verst.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next