is columnist voor de Volkskrant
Zoals de meeste mensen in mijn omgeving heb ik gemengde gevoelens over kerstbomen. Ze zijn gezellig, ze ruiken lekker, je kunt er leuke, groentevormige, glinsterende ballen in hangen. En: ze zijn zielig, ze sterven waar je bij staat, en als ze dan eenmaal dood zijn en je ze probeert af te voeren, laten ze vierduizend naaldjes achter in je hal of trappenhuis. Ik vind ook weinig deprimerender dan een stapel afgedankte kerstbomen op een grijze straathoek in januari.
Toch zette ik er jarenlang een op. Ik maakte mezelf als volwassene wijs dat mijn huiskamer veel groter en hoger was dan hij in werkelijkheid was, een beetje het Home Alone-huis, mijn standaard voor kersthuizen, en zo stond er tijdenlang een veel te grote kerstboom de kamer te domineren. Later kreeg ik enige realiteitszin, en toen kocht ik medium of kleine boompjes. En toen kwam de neppe.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De neppe ligt op zolder en is veel meer werk dan de echte, maar toch pakte ik die de laatste jaren, want als je een neppe boom hebt, moet je hem wel gebruiken, anders is dat ook weer klimaatverpestend. Je zet een lange, metalen stok op een soort statief, en dan moet je er – dat is aangegeven met kleurcodes – op de goede plek de juiste takken in klikken. Dit werk deed ik alleen, want niemand had zin om me erbij te helpen, en ook het afbreken was mijn taak. Hoewel de boom nep was, prikten zijn naaldjes toch wel.
Waarom deed ik dat dan allemaal? Eerst om jeugdtrauma’s over het niet vieren van kerst voor mezelf goed te maken, en erna voor mijn kinderen, zodat zij geen jeugdtrauma’s over het niet vieren van kerst zouden oplopen.
Ik zette de nepboom steeds later in december op, en brak hem steeds sneller na kerst af. Zo was ik eigenlijk de week rond 25 december de hele tijd bezig met de boom, en lagen er overal kleine, plastic naaldjes.
Dit weekend besprak ik dit probleem met een vriendin, die sowieso pertinent antikerstboom is. Zij ging een dennentak kopen, zei ze, en zou daar een handjevol balletjes in hangen. Ik besloot dit radicale idee voor te leggen aan mijn kinderen, voor wie ik al dat gehannes met neptakken nu al jaren deed. Wilden ze de nepkerstboom, of zo’n dennentak, of zou ik gewoon toch maar een heel klein miniboompje halen bij de supermarkt?
Mijn zoon vatte de voors en tegens helder samen. Een kleine kerstboom was het altijd net niet, zei hij. De grote nepkerstboom stond altijd voor de tv. Een tak zou de ideale oplossing zijn.
Om vijf voor tien ’s avonds haalde ik een tak bij Albert Heijn, om vijf over tien ’s avonds was hij gedecoreerd. Hij rook zelfs een beetje naar dennen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant