Weerbaarheid Iedere Nederlander moet ‘binnen loopafstand’ een noodsteunpunt krijgen. In Utrecht werd geoefend: wat als opeens de stroom uitvalt? „Normaal doen we alles met Google Maps. We moeten papieren kaarten hebben.”
Met rookmachines wordt tijdens de crisisoefening een autobrand nagebootst.
Het is even na 17.30 uur en op het Utrechtse pleintje staat een auto in brand. De buurtbewoner die heeft gewaarschuwd, wacht al enkele minuten op de brandweer. Ondertussen worden inbraakpogingen gemeld. Een oudere man zegt dat ”verdachte personen naar binnen gluren en aan deuren voelen”.
Een vrouw in spijkerbroek rapporteert een botsing tussen twee fietsers. Een andere vrouw vertelt dat verderop iemand bewusteloos op straat ligt. ”Het ziet er echt niet goed uit. Ze doet niks. Ik heb een paar keer geroepen, maar…” Ze schudt haar hoofd.
Dit is, denken de gemeente en de Veiligheidsregio Utrecht (VRU), hoe het mogelijk kan gaan als de stroom langdurig uitvalt en inwoners 112 niet meer kunnen bereiken. Als eerste testten ze donderdagavond tijdens een crisisoefening met acteurs hoe een noodsteunpunt ingericht zou kunnen worden, en met welke vragen inwoners kunnen komen wanneer zich een ramp voordoet.
”Een stroomstoring is hét scenario”, zegt Ivonne Vliek, programmamanager veerkracht van de VRU. ”Een cyberaanval, oorlog, overbelasting van het netwerk; een stroomuitval is realistisch. Het verschil met stroomstoringen die we tot nu toe in Nederland hebben gehad, is dat deze lokaal waren. In de naastgelegen wijk of buurgemeente werkte alles wel.”
In het hele land moeten noodsteunpunten komen. De overheid schrijft in het paarse boekje Denk Vooruit, dat afgelopen weken bij alle huishoudens werd bezorgd, dat ze op ”verschillende manieren instructies en informatie” geeft in een noodsituatie, ”bijv. waar bij jou een noodsteunpunt open is”.
Uiteindelijk moet iedereen ”binnen loopafstand” zo’n punt hebben, zei toenmalig minister van Justitie en Veiligheid David van Weel (VVD) in mei. Het Rijk heeft voor ”lokale en regionale weerbaarheid”, waaronder de noodsteunpunten vallen, vanaf 2027 70 miljoen euro uitgetrokken.
Daarmee zouden enkele duizenden noodsteunpunten moeten worden bekostigd, die bij een crisissituatie binnen een uur operationeel moeten zijn. Volgend jaar worden in elke veiligheidsregio twee pilots gehouden – vijftig in totaal.
Dit Utrechtse noodsteunpunt is het eerste, en er wordt meteen geoefend. Op de deur van het voormalige schoolgebouw hangt een poster met wat er níét kan: het is geen opvanglocatie, er zijn geen noodvoorraden van voedsel of drinkwater, en je kunt je elektrische apparaten er niet opladen. Wel kun je er ”actuele, betrouwbare informatie” krijgen, en iets melden wat ”doorgezet” wordt naar de hulpdiensten
Gemeente, politie, brandweer, Rode Kruis en veiligheidsregio VRU simuleren deze avond een grootschalige stroomstoring in Utrecht, Zuid-Holland, delen van Gelderland en Noord-Holland. De drinkwaterdruk daalt, de riolering werkt beperkt, het openbaar vervoer ligt stil en de wegen stromen vol. Het gaat nog uren duren.
In de hal van de oude school wordt iemand in een stabiele zijpositie gelegd. In een hoek ligt een vrouw op de grond, een EHBO-tas onder haar hoofd. Bij de informatiebalie, bemand door een ambtenaar publieke zorg (in oranje fleecetrui) en een vrijwilliger van het Rode Kruis (in het rood) komen de vragen in rap tempo binnen.
Het is 18.15 uur. De boa’s en de gemeentelijke ambtenaren komen binnen. Marleen Lubberdink geeft hun elk uur een briefing. ”De fietser die was aangereden, is zelf doorgefietst. We hebben wel meldingen van inbraken, goed om in de gaten te houden. De ziekenhuizen zijn alleen nog voor noodzakelijke zorg. En wellicht gaat om 19.00 uur een tijdelijke opvang open, maar dat weet ik bij de volgende briefing.”
Marleen Lubberdink (links), een vrijwilliger van het Rode Kruis en een gemeentelijke collega geven de noodmeldingen tijdens de oefening door aan de brandweer en het stadhuis.
Ze heeft als ambtenaar bij de gemeente piketdienst publieke zorg en regelt dan bijvoorbeeld opvang voor mensen na een brand. De boa’s melden haar dat het rustig is in de wijk. Ze merken wel op dat ze ”normaal alles met Google Maps doen. Eigenlijk moeten we kaarten hebben”.
Dat was ook een van de conclusies van Lubberdink: „Ik moet mensen naar een opvangplek leiden, maar ik kan niet exact vertellen hoe ze moeten lopen. Laat staan dat ze dat in het donker makkelijk kunnen vinden.” Samen met haar collega van het Rode Kruis houdt ze via portofoon en satelliettelefoon contact met brandweer en stadhuis. Ze signaleren verder dat de meldingsformulieren korter kunnen. Elke melding moet opgeschreven, met de hand – computers werken immers ook niet.
Hier is het oefeningsleiders Anco de Rooij van de gemeente en Bram Jacobs van de VRU om te doen. ”We proberen en kijken wat we tegenkomen”, zegt Jacobs. De Rooij: ”Wat we nu testen, en straks in de andere veiligheidsregio’s, moet een sjabloon vormen voor alle gemeenten. Natuurlijk wel met lokale ruimte. Wat ik hier in de wijk Ondiep oefen, zal in de wijk Overvecht misschien anders zijn.”
Buurbewoners zijn nieuwsgierig, en komen tijdens de oefening langs bij het noodsteunpunt.
Ondertussen komen ook echte buurtbewoners binnen. Vier buurvrouwen – „allen 65-plus” – hoorden van de crisisoefening en raken in gesprek met een gemeenteambtenaar over de FM-frequentie van de rampenzender. „Die zit al op het nachtkastje geplakt”, zegt één van hen. Haar buurvrouw: „Maar dan heb je wel een lampje nodig als het te donker is om het te lezen.” De ambtenaar vraagt of ze nog andere goede tips hebben voor de buurt. Die worden met post-its op een groot vel geplakt. De derde buurvrouw zegt dat ze knäckebröd in huis heeft: „Dat blijft lang goed.”
Vanuit de gang blijven de acteurs, vrijwilligers van het Rode Kruis, binnenkomen. Met meldingen over een meterkastbrand, een agressieve hond. Boven in het oude schoolgebouw zitten Ron Lambinon, oud-ambulanceverpleger, en Jan Westerbeek, gepensioneerd landmachtverbindingsofficier, achter hun zendapparatuur.
Ze zijn van Dares, de Dutch Amateur Radio Emergency Service. Als de stroom uitvalt en de communicatie tussen de hulpdiensten ook, dan zijn de zendamateurs misschien degenen die nog wél kunnen zenden. Vierhonderd leden heeft Dares, die ook een licentie heeft van het Telecomagentschap. ”Ik heb een bericht voor u. Bent u daar klaar voor?” ”Jawel”, zegt Lambinon. ”Is de opvanglocatie al in gebruik. Vraagteken.”
De oefening duurt een paar uur. Een school zal nog in brand vliegen, een baby raakt opgesloten in een auto en er breekt een gevecht uit.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC