Bijna twintig jaar werkte Booker Prize-winnaar Kiran Desai aan De eenzaamheid van Sonia en Sunny. Een lijdensweg? Zeker. Maar het werd een jubelend ontvangen geschiedenis over klasse, afkomst, migratie, armoede en de hoop en liefde van twee Indiase migranten.
is verslaggever voor de Volkskrant
Het was de buurman die Kiran Desai uiteindelijk hielp beseffen wat voor krankzinnig leven ze leidde. Bijna twintig jaar lang zat de auteur in een zelfverkozen isolement in haar appartement in New York. Bij dag en dauw stond de 54-jarige naast haar bed, kroop achter haar bureau en kwam daar vervolgens urenlang niet meer achter vandaan. Ontbijt en lunch at ze achter haar laptop, en ook na het avondeten bleef het licht tot laat branden. Het waren pogingen om het artistieke proces zo min mogelijk te verstoren: de schier oneindige cyclus van schrijven, lezen, schrappen, herlezen.
Op de spaarzame momenten dat Desai toch de deur uitkwam, wierp haar Tibetaanse buurman haar bezorgde blikken toe. ‘Zo kun je niet leven’, foeterde hij dan in gebrekkig Hindi. ‘Ik zie door mijn raam hoe je ’s nachts zit te werken. Mensen zullen denken dat je geschift bent!’ Desai, een tikkeltje schuldbewust, tijdens een videogesprek vanuit New York: ‘Het was overduidelijk te extreem.’
De druk was hoog voor Desai, ooit onthaald als de nieuwe ster in de wereldliteratuur. Ze werd in 1971 geboren in de Indiase stad Chandigarh en verhuisde op 14-jarige leeftijd naar het Westen. Ze ging mee met moeder Anita Desai, eveneens vermaard schrijver, en woonde achtereenvolgens in Engeland en de Verenigde Staten. Ze studeerde aan Bennington College (Vermont), Hollins University (Virginia) en Columbia University (New York).
Vanaf haar 20ste begint ze met schrijven, steevast over haar geboorteland. Zo portretteert ze in debuutroman De goeroe in de guaveboom (1998) een klerk in een Indiaas postkantoor, die uit onvrede met zijn leven in een boom klimt. Nieuwsgierige stadsgenoten komen een kijkje nemen en beginnen hem te aanbidden, geraakt door cruijffiaanse wijsheden als: ‘Wanneer je het onkruid niet uittrekt, zal je tomatenplant nooit bloeien.’
In 2006 wint Desai plots de prestigieuze Britse Booker Prize, als 35-jarige dan de jongste winnaar ooit. Haar roman De erfenis van het verlies (2006) draait om een aantal inwoners uit het plaatsje Kalimpong, die vrijwel allemaal zijn beschadigd door hun confrontatie met het Westen. Neem de gepensioneerde rechter Jemubhai Patel, die ooit in Cambridge studeerde en daar werd vernederd door de Britten. Eenmaal thuis wordt hij een verstokte anglofiel; chapati’s en paratha’s eet hij voortaan niet meer met de hand maar met mes en vork.
De roman was volgens de Booker Prize-jury ‘ontroerend sterk in zijn menselijkheid’. De prijs leverde Desai wereldfaam op. Ze reisde de aarde rond en gaf honderden interviews. ‘Het was een groot circus. Terwijl ik altijd van plan was om een rustige schrijver te worden.’
Toen de mediastorm na een jaar ging liggen, begon ze aan een derde boek. Ze wilde dit keer schrijven over een lichter onderwerp: de liefde. Gedurende negentien jaar werkte Desai aan De eenzaamheid van Sonia en Sunny (2025). Daarin volgen we de levens van twee hoogopgeleide Indiase migranten die beiden in de VS hebben gestudeerd.
Sonia Shah is student op de universiteit in Vermont, waar ze tijdens een strenge winter wordt verzwolgen door eenzaamheid. Ze wordt ingepalmd door een ruim dertig jaar oudere kunstenaar, die haar vervolgens als een voetveeg behandelt. Ontdaan reist ze terug naar India. Daar ontmoet ze per toeval, in een nachttrein tussen Delhi en Allahabad, Sunny Bhatia, een jonge journalist die werkt bij persbureau Associated Press.
Vanaf dat moment – de lezer is dan al meer dan 250 bladzijden onderweg – focust het boek zich op hun ontluikende liefde. Terwijl de twee elkaar leren kennen, zoeken ze ook ieder afzonderlijk naar hun plek in de wereld. In de VS zijn ze te Indiaas, maar in India veel te westers. Bovenop die zoektocht naar identiteit stapelen zich allerhande innerlijke worstelingen, ouderlijke verwachtingen, gespannen familiebanden en relatieproblemen.
En zo waaiert de 736 pagina’s tellende roman uit, zowel in thematische als geografische zin. Het verhaal voert langs vele plekken in de VS, Europa en India. Desai gebruikt haar personages ook als vehikel voor allerlei bespiegelingen over ras, kolonialisme, politiek, filosofie en kunstenaarschap – vaak zonder de lezer daarmee te vervelen.
Het boek verscheen in september en werd direct jubelend ontvangen. ‘Een meesterwerk’, concludeerde het gezaghebbende Kirkus Reviews. The Guardian sprak van een ‘schitterend epos’, The Washington Post noemde het een ‘indrukwekkende saga’ en The New York Times vond het boek ‘beter gezelschap dan mensen’. Desai stond binnen de kortste keren opnieuw op de shortlist van de Booker Prize.
Maar er ging een lijdensweg aan vooraf, vertelt Desai, want het schrijven was een monsterklus. Sommige auteurs bereiden zoiets met militaire precisie voor. Ze bouwen een raamwerk met de grote verhaallijnen. Schrijven systematisch aan scènes, gestaag werkend van begin tot eind.
Jaloersmakend vindt Desai dat, die een heel ander proces heeft: rommelig, traag, ongrijpbaar. ‘Ik begin met dagdromen over personages. Vervolgens probeer ik te schrijven. Ik put uit herinneringen of andere dingen. Alleen de geur van een kast of de smaak van water kan aanzetten tot weer honderd nieuwe pagina’s.’
Zo groeide het manuscript uit tot een onsamenhangend geheel van ruim vijfduizend pagina’s. ‘En ergens onderweg begon ik the beast of my book te voelen. Alsof je in de oceaan zwemt en merkt dat je niet alleen bent. Hier en daar zag je een vin of een staart, een teken van leven. Dan gebeurt er in de tekst iets interessants of ongewoons.’
Hoewel ze steeds meer de contouren van het verhaal zag, nam de onzekerheid ook toe. Steeds vaker vroeg ze zich af: komt dit verhaal ooit nog af? ‘Vooral op verjaardagen dacht ik: my gosh, er is weer een jaar voorbij en het is nog steeds niet af.’
Het schrijven kwam haar bovendien meer en meer de keel uit. ‘Een boek van zevenhonderd pagina’s moet in evenwicht zijn. De toon, het ritme, de tragedie, de komedie: het moet allemaal kloppen. Maar als je één ding corrigeert, brengt dat de tekst op een andere plek weer uit balans. Je moet het hele verdomde manuscript dus telkens opnieuw lezen. Dat vergt uithoudingsvermogen.’
Desai is best tevreden over het resultaat. ‘Het is een minder lichtvoetig boek geworden dan ik had verwacht. Maar ik ben er blij mee. Er bestaat in Amerika een honger naar heroïsche migratieverhalen. Boeken over mensen die een ellendig, problematisch land verlaten en in de VS aankomen. Het is zwaar en een beetje eenzaam, maar het leven is uiteindelijk beter. Zo’n boek wilde ik niet schrijven. Migratie is veel complexer dan dat. Mensen komen dankbaar aan en kunnen tegelijkertijd hele tegenstrijdige gevoelens hebben over de VS. Die diepte heb ik in het boek proberen te beschrijven.’
Bijna alle personages in haar boeken hebben een flinke deuk gekregen door de migratie. Is het eigenlijk wel mogelijk om ongeschonden naar een ander land te verhuizen? ‘Ik denk het wel. Er zijn verschillende soorten migranten. Sonia en Sunny waren voor hun komst naar de VS al verwesterd. Ze balanceerden in India al tussen die verschillende werelden. In het boek heb je ook een vriend van Sonny, Satya. Hij komt uit een traditioneler nest; voor hem is de migratie eenvoudiger. Hij gaat naar Amerika om een beter leven op te bouwen. Hij heeft geen gevoelens van vervreemding, vraagt zich niet voortdurend af waarom hij sommige keuzes maakt.’
‘Er zijn dus migranten die tussen twee werelden laveren, maar zichzelf niet uit het oog verliezen. Die slagen erin om beide levens overeind te houden: het leven in het Westen en thuis. Je ziet ze overal in de stad. Laatst zat ik bij een Bengaalse taxichauffeur in de auto, terwijl hij een telefoontje aannam van zijn broer in Dhaka. De twee voerden een normaal gesprek terwijl ze aan twee verschillende kanten van de wereld zaten. Dat is best bijzonder.’
Net als in haar twee eerdere boeken schrijft Desai ook nu weer hoofdzakelijk over India en Indiërs. En dat terwijl ze al ruim veertig jaar in de VS woont, 12 duizend kilometer verwijderd van haar geboortegrond. Dat gegeven blijft haar mateloos fascineren. ‘Ik had verwacht dat ik na al die jaren de band met India zou verliezen. Maar het tegenovergestelde is gebeurd.’
Dat ze maar geen afscheid kan nemen heeft twee redenen, zegt Desai. India, met 1,4 miljard inwoners en een van de oudste beschavingen ter wereld, is volgens haar een onuitputtelijke inspiratiebron. ‘De verhalen groeien er aan de bomen.’
Toch is er ook een minder rooskleurige reden. India is op papier een seculier land. Naast hindoes (op dit moment 80 procent van de bevolking) wonen er miljoenen moslims (15 procent), christenen, sikhs en boeddhisten. Maar mede door de opkomst van de hindoenationalistische partij van premier Narendra Modi, verandert het land van karakter. Zijn regering benadrukt graag dat India een hindoeïstische natie hoort te zijn. Ondertussen marginaliseert het ook sommige rechten van minderheden.
Desai: ‘India is een ander land dan sinds mijn jeugd. Ik ben diep verontrust over het autoritarisme, het majoritarisme. Mijn islamitische, christelijke en sikhvrienden vertellen me over hun angsten. Sommigen voelen dat ze niet langer in India kunnen blijven.’
Dat is niet alleen vervelend voor haar vrienden, maar ook voor kunstenaars, zegt Desai, die bijvoorbeeld vreest dat het literaire landschap verschraalt. ‘India is zo’n complex land, met zoveel verschillende talen, culturen, religies, tradities en filosofieën. Dat ik daar ben opgegroeid, beschouw ik als een uitzonderlijk voorrecht. Je kon er met intimiteit en kennis schrijven over mensen die erg van je verschillen, omdat je zo nauw met elkaar samenleefde.’
Dat dreigt te verdwijnen. ‘Ik merkte al in de jaren negentig, ongeveer het tijdsgewricht waarin mijn boek zich afspeelt, dat de gesprekken veranderden. Als ik met kerst weer in India was, werden er in huiselijke kringen plots lelijke dingen gezegd over minderheden. En inmiddels is de situatie nog meer veranderd. Nu willen sommige mensen niet eens dat een moslim hun voedsel bezorgt of een elektricien hun meterkast repareert.’
Ondertussen heb je ook steeds meer Indiërs die zijn gemigreerd naar de Verenigde Staten. ‘Wat me choqueert is dat ze zeer vaak pro-Hindutva en pro-Modi zijn, terwijl ze in dit land juist een minderheid zijn. In de Amerikaanse seculiere democratie willen ze hindoetempels bouwen en hun eigen goden aanbidden, volkomen terecht. Maar wanneer het over de rechten van Indiase minderheden gaat, zijn ze helemaal niet zo uitgesproken.’
Mensen houden soms hun mond uit angst, vermoedt Desai. ‘En zodra angst doorsijpelt in een samenleving, is dat het begin van het einde.’ Ze ziet het nu ook gebeuren in de VS, waar angst sinds het aantreden van president Donald Trump toeneemt. ‘Er bestaat het gevoel dat het gevolgen heeft als je de VS bekritiseert. Of je uitspreekt over Israël en Palestina. De angst dat je, als je je hebt uitgesproken, daarna niet meer opnieuw het land binnenkomt.’
Desai woont al jaren in de multiculturele wijk Jackson Heights, waar een grote migrantengemeenschap woont. ‘Het is een mix van Latino’s en Aziaten, mensen uit Uruguay, Colombia, Peru, maar ook uit Nepal, Tibet, Bangladesh.’ Nog niet zo lang geleden was er een bruisend straatleven, waar taco’s en arepa’s werden verkocht. ‘Dat is helemaal stilgevallen sinds mensen bang zijn voor arrestaties van ICE (immigratiedienst, red.).’
Het oprukkend hindoenationalisme in India, de verrechtsing van de VS: het blijft haar intrigeren. ‘Het heeft te maken met een donkere onderstroom in de samenleving. Als romanschrijver fascineert het me. Wanneer verandert het denken? Wanneer het hart? Wanneer verandert het gesprek in woonkamers? Hoeveel weten mensen? Hoe weinig weten ze? Wat gebeurt er binnen één gezin als er verschillend wordt gedacht? Ouders zijn pro-Modi, de kinderen helemaal niet. Dan nemen sommigen een beslissing: we praten er gewoon helemaal niet meer over. Om een enorme familieruzie te voorkomen.’
Aanvankelijk bevatte het manuscript van De eenzaamheid van Sonia en Sunny ook hoofdstukken over Duitsland in de jaren twintig en dertig, die ze bij nader inzien toch maar weer schrapte, om het vuistdikke boek niet nog dikker te maken. Misschien dat ze dat in een volgend boek kwijt kan, zegt ze. ‘We hebben romans nodig om de wereld te begrijpen.’
Op de vraag welke onderwerpen ze mist in de literatuur, antwoordt Desai: ‘Er is een schitterend essay, ik denk van Tom Wolfe, waarin hij Amerikaanse auteurs ervan beschuldigt dat ze slechts schrijven voor lezers zoals hijzelf. Over kleine buitenechtelijke affaires en dat soort zaken, maar niet over de grotere thema’s zoals bijvoorbeeld ras. Daar ben ik het mee eens. Als Amerikaanse schrijvers moeten we álle verhalen willen vertellen over de Amerikaanse samenleving. Dat doen we nu niet.’
Desai heeft daarom ook geen goed woord over wat zij de ‘extreme policing of texts’ noemt. ‘Witte auteurs zijn bang om over racisme te schrijven, over mensen die politiek incorrecte dingen zeggen. Wat wordt er aan de keukentafel gezegd over de bruine buren? Witte mainstream schrijvers zijn nerveus om zoiets op te schrijven. Maar je hebt geen idee welke afschuwelijke gedachten mensen hebben, tenzij een fictieschrijver in staat is ze op te schrijven.
‘Ik wil een boek lezen over Donald Trumps wereld. Wat wordt er achter gesloten deuren tegen elkaar gezegd? Wat zeggen evangelische christenen tegen elkaar? Wat zeggen Bengalese taxichauffeurs tegen elkaar? Wat zeggen rijke zakenlieden tegen elkaar? We lezen fictie om zulke gesprekken af te kunnen luisteren. Journalisten schrijven slechts over wat er gebeurt. Maar je inleven in wat deze mensen denken en voelen, hoe ze levens inrichten: dat is het domein van de literatuur.’
Desai kan bijna twee uur lang aanstekelijk over literatuur spreken. Ze maakt er tijdens het gesprek geen geheim van: ze beschouwt het als een cadeau dat ze schrijft, en geen normaal leven leidt. Ook een van de personages, Sonia’s moeder, beweert: ‘Zolang je je bestaan binnen de kunst houdt, is je leven geweldig. Maar steek je neus niet naar buiten.’
De auteur is het hartgrondig met haar personage eens: ‘Dat vind ik echt. Waar is de diepgang in het leven, de schoonheid, de intelligentie? Die vind je meestal in een boek. Laatst liep ik een tweedehandsboekwinkel binnen en kocht July’s People van Nadine Gordimer. Ik wil sindsdien niets anders doen dan lezen.
‘De afgelopen jaren ben ik duidelijk te extreem geweest, ik had mezelf geïsoleerd. Het is beangstigend om te zien dat ik zonder het schrijven nu zo’n leeg bestaan heb. En toch word ik gekweld door het verlangen om weer terug te keren naar dat geïsoleerde leven en een nieuw boek te schrijven. Eigenlijk is dat wat ik het liefste wil.’
1971 Geboren op 3 september in Chandigarh, India.
1987 Verhuist naar de Verenigde Staten.
1993 Studeert af aan Bennington College (Vermont).
1994 Studeert af aan Hollins University (Virginia).
1998 Debuutroman De goeroe in de guaveboom.
1999 Studeert af aan Columbia University (New York).
2006 De erfenis van het verlies, wint Booker Prize.
2025 De eenzaamheid van Sonia en Sunny, geshortlist voor de Booker Prize.
Kiran Desai woont in New York.
Kiran Desai: De eenzaamheid van Sonia en Sunny. Uit het Engels vertaald door Petra C. van der Eerden en Paul van der Lecq. De Bezige Bij; 736 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant