Home

‘Ik was echt niet zo’n moeder die zich helemaal opofferde voor het gezin’

Moeder zijn Voor haar boek Moeders van toen sprak journalist Truska Bast acht vrouwen over moederschap in de jaren zestig en zeventig. Een van hen is haar eigen moeder. „Ik begrijp het goed, mam, dat je de geschiedenis herschrijft.”

Dineke en Truska Bast.

Een oorlogskind is Dineke Bast, geboren in 1943, in Eindhoven. Ze weet niet of haar moeder, bibliotheekassistente tot ze trouwde met een Philips-man, wel zo blij met haar was. Wie kreeg er in 1943 een kind als het niet hoefde? Haar (gereformeerde) ouders gaven haar maar één naam, terwijl het broertje en zusje boven haar er twee of drie hadden. Ze legden haar te slapen in een kinderwagen onder de trap, voor als ze moesten vluchten. Toen Dineke zes was, kreeg haar zusje een hersenvliesontsteking. Na bijna een jaar in het ziekenhuis stierf ze. Ze was net tien geworden. „Mijn moeder”, zegt Dineke Bast, „is er nooit echt overheen gekomen.”

En zij?

Ze zit aan tafel bij haar dochter Truska thuis in Hilversum en haalt, heel even, haar schouders op. „Ik wil dat gepraat over het verleden niet meer. Wat heeft het voor zin? Op mijn leeftijd? Het is wat het is.”

Truska Bast is geboren in 1970, op de dag dat de actiegroep Dolle Mina een missverkiezing in Utrecht verstoorde. Een week eerder was bij het standbeeld van de feministe Wilhelmina Drucker in Amsterdam een korset verbrand. Truska, journalist en schrijver, heeft een boek geschreven over moederschap in de jaren zestig en zeventig, Moeders van toen, waarin ze acht vrouwen – onder wie een Turks-Nederlandse en een Surinaams-Nederlandse – laat vertellen over kinderen krijgen in een tijd dat moederschap door de pil een keuze werd, geen vanzelfsprekendheid.

Een van die vrouwen is Truska’s eigen moeder. Op het omslag staat een foto van Dineke als jonge vrouw, stoer in een overhemd met grote oranjebruine stippen en een boord met lange punten. Het haar is kortgeknipt, met losse plukjes bij de oren. Ze heeft haar rechterhand stevig om het bovenarmpje van haar dochter geklemd, een dreumes nog.

In Moeders van toen vertelt Dineke dat haar moeder altijd néé zei als mensen vroegen of zij haar oudste dochter was. ‘Néé, dat is niet mijn oudste dochter.’ En dan volgde weer het verhaal over het zusje en was er weer geen aandacht voor haar. Het huwelijk van Dinekes ouders werd er ook niet beter op. Haar vader verloor zich in zijn werk. Hij kwam in de directie en eiste van haar moeder dat ze zich wist te bewegen in de ‘hogere kringen’ van ‘dat Philips-wereldje’. Haar moeder zocht haar houvast bij regels en routines, bij hoe het hoorde voor een vrouw van haar sociale klasse. Ze deed vrijwilligerswerk – Rode Kruis, Kinderpostzegels – en voedde de kinderen op. Na de oorlog was er nog een meisje bij gekomen. „Dat keurslijf”, zegt Dineke Bast. „Verschrikkelijk.”

Nee, dan zij.

De jaren zestig braken aan en Dineke begon in Groningen – vér bij Eindhoven vandaan – aan de lerarenopleiding Frans. Ze werd lid van de Groninger Vrouwelijke Studenten Club Magna Pete (‘streef naar het grote’), die later zou opgaan in Vindicat. Ze rookte en dronk en danste tot diep in de nacht. Ze voerde gesprekken over Sartre en De Beauvoir. Ze leerde bij de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging – Truska: „dat dan weer wel” – de man kennen met wie ze in 1967 zou trouwen. Hij studeerde tandheelkunde. En ja, al voor hun huwelijk slikte Dineke de pil. Die was een paar jaar eerder beschikbaar gekomen.

„Je kon hem krijgen bij het Rutgershuis”, zegt Dineke. Dat was het consultatiebureau voor anticonceptie. „Vrienden van ons, Harry en Hanneke, we zien elkaar nog altijd, hadden ons de weg gewezen. Harry studeerde geneeskunde, die wist alles al. Ik vond het wel spannend, hoor. Een beetje eng ook. Je praatte er met niemand over, zeker niet met je ouders. Stel dat ik toch zwanger werd? Toen we een tijdje getrouwd waren ben ik ermee gestopt.”

Truska: „Maar niet omdat je zwanger wilde worden.”

Dineke: „Nee, vanwege de bijwerkingen. Er zaten toen veel meer hormonen in de pil dan nu. Ik kon er slecht tegen. En ik dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen.”

Truska: „En toen kwam ik.”

Dineke: „En toen kwam jij, ja. Het was echt een overval.”

Ze waren van plan geweest om een jaar naar een kibboets in Israël te gaan, wat wel meer idealistische jonge mensen toen deden. Haar man zou er aan sociale tandheelkunde doen, ook in de dorpen rondom de kibboets. Zij zou werken op het land, wat er maar te doen viel. Dat ging nu niet door. „Papa wilde het wel graag”, zegt ze tegen haar dochter. „Maar het was daar te gevaarlijk, zo dicht tegen de Libanese grens aan. En om daar dan een kind te krijgen…”

Truska: „Jij vond het te gevaarlijk.”

Dineke: „Ik vond het te gevaarlijk, ja. Toch denk ik weleens: stel dat we wel waren gegaan?”

Truska: „Dan was ik in een kibboets geboren.”

Dineke: „En was je naar de crèche gegaan. Want zo ging het daar. Ouders voedden niet hun eigen kinderen op, dat gebeurde collectief.” Ze spreekt het uit alsof het een vies woord is. „Iedereen moest hele dagen werken.”

Nu zegde ze haar baan als lerares Frans op een school in Emmen op en ruimde ze het boerderijtje leeg waar ze na hun huwelijk waren gaan wonen, in Garmerwolde, bij Groningen. Ze volgde haar man – zo vertelt Truska het in Moeders van toen – naar ’s-Graveland bij Hilversum, waar hij een tandartspraktijk kon overnemen. Ze kende er niemand.

Truska: „Je deed precies wat er van je werd verwacht. Je volgde je man en bleef thuis om voor mij te zorgen.”

Dineke: „Wat toen heel gebruikelijk was, Truska. Jij vindt dat ik ongeëmancipeerd was. Maar ik zeg dat ik allang geëmancipeerd wás. Ik had gestudeerd en in Groningen… losgeslagen is een groot woord, maar ik was wel onder moeders rokken vandaan. Ik leidde daar een leven dat voor mijn moeder ondenkbaar was geweest. Dus ik had niet het gevoel dat ik een slachtoffer was door met papa naar ’s-Graveland te verhuizen. Ik voelde me niet onderdrukt, ook niet als ik terugkijk. Absoluut niet.”

„En toch”, zegt Truska, „denk ik dat er een gemis is geweest. De verhoudingen waren zo vanzelfsprekend ongelijk dat je het niet eens in de gaten had. Het was niet zo dat papa je dingen verbood, zoals de mannen van andere vrouwen die ik heb gesproken. Helemaal niet. Als jij naar een VOS-cursus had gewild” – Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving, cursussen die door heel Nederland werden georganiseerd om het ‘bewustwordingsproces’ van vrouwen op gang te brengen – „dan had je dat gedaan. Papa zou je niets in de weg hebben gelegd.”

Dineke: „Het kwam niet in me op.”

Boek

Truska Bast: Moeders van toen: moederschap in de jaren zestig en zeventig. Ambo Anthos, 320 blz. 24,99 euro.

Truska: „Maar je hebt zo gemakkelijk de lol van je werk opgegeven, je kennis van de Franse taal. Wat had je daar niet allemaal mee kunnen doen? Ik weet zelf hoe heerlijk ik het vind om mijn eigen kamer te hebben, met een bureau en boeken. Jij hebt altijd van boeken gehouden, van lezen. En zoals jij met taal omgaat, met tekst – er had een geweldige tekstredacteur in je gezeten.”

Dineke: „Ik heb in mijn leven heel wat proefwerken nagekeken.”

Truska: „In jouw tijd waren er al heel wat vrouwen die een andere weg insloegen, vrouwen die wel gingen werken en met elkaar oplossingen zochten voor hun kinderen.”

„Ja”, zegt Dineke. „Die brachten hun kinderen onder in zo’n Kinderhuis, zo’n commune” – weer een vies woord – „waar ze antiautoritair werden opgevoed en zich niet mochten hechten aan hun eigen ouders. Dat lees ik in jouw eigen boek, Truska. Die kinderen konden daar helemaal niet tegen.”

„Dat waren de extremen”, zegt Truska. „Er was een middenweg geweest, denk je niet? Dat had ik je wel gegund.”

Dineke: „Later ben ik weer van alles gaan doen.”

Truska: „Ja, later.”

Dineke: „Ik was echt niet zo’n moeder die zich helemaal opofferde voor het gezin.”

Truska: „Nee, zeker niet.”

Dineke: „Ik hielp mee met de oprichting van een peuterspeelzaal. Na een jaar was ik voorzitster van het bestuur. Ik ging tennissen en binnen de kortste keren werd ik gevraagd voor de jeugdcommissie. Ik zat in de oudercommissie van school.”

Truska: „Allemaal vrijwilligerswerk. Er ging heel veel tijd in zitten en het werd niet betaald.”

Dineke: „Maar kijk wat ik ervoor terug heb gekregen. Goede vriendinnen, een leuk sociaal leven. En later ben ik les gaan geven op de Volksuniversiteit. Ik had leerlingen thuis. Ik heb echt niet stilgezeten.”

Truska: „Nee, mam, dat zeg ik ook niet.”

Drie kinderen kreeg Dineke Bast, twee meisjes en een jongen. In Moeders van toen vertelt ze hoe haar eerste bevalling ging. De avond ervoor was de huisarts nog even bij haar komen kijken – huisartsen begeleidden in die tijd nog de meeste bevallingen –  en het was zo gezellig geweest dat hij tot twee uur ’s nachts was blijven zitten, sigaartje erbij, pilsje. De volgende ochtend, toen de weeën steeds feller werden, durfde Dineke hem niet uit zijn bed te bellen. „Het ging maar net goed”, zegt ze aan tafel bij Truska. „Hij kwam binnen toen jij er al bijna was. En toen jij goed en wel in je wieg lag, gingen de dokter en papa met opgerolde hemdsmouwen naast mijn bed zitten lullepotten, kopje koffie erbij en een sigaretje. Alsof zij je gebaard hadden!” Ze lacht alsof het gisteren was.

Zei ze er wat van?

Dineke: „Ik zei: ga alsjeblieft beneden zitten.”

Ze was beslist geen doetje, zegt ze. En haar man was voor die tijd ook al „enorm” geëmancipeerd. „Hij was het enige kind van gescheiden ouders en zijn moeder heeft haar hele leven gewerkt. Hij was gewend om te helpen in huis. Mijn eigen vader deed nooit iets in het huishouden, die kon nog geen ei bakken, maar Henk” – zo heet haar man – „verschoonde luiers en was heel betrokken bij de kinderen.”

Truska: „En dan zei jouw moeder: Henk, wat ben je toch bezig. Henk is zo huishoudelijk. Dat was geen compliment.”

Dineke, doorpratend: „Hij was ook niet het prototype van de man die de baas in huis is en met zijn vuist op tafel slaat. Tenminste, ik heb dat nooit zo gevoeld. Jij wel? Papa was toch niet de baas?” Ze kijkt naar Truska, die een bedenkelijk gezicht trekt, en zegt dan: „Nou ja, in sommige opzichten wel.”

Truska: „Zeker wel, ja. Hij was betrokken bij ons en hij had oog voor wie we waren. Maar je kon niet om zijn visie heen. Hij was best wel streng. En heel aanwezig.”

Dineke: „Hij zette wel de toon, ja.”

Truska: „Absoluut. En nog steeds. In jouw leven zet hij nog steeds de toon.”

Dineke: „Dat is misschien wel zo. Maar hij was wel degene die me heeft gestimuleerd om weer te gaan studeren toen jullie groter werden.”

Truska: „Dat bedoel ik. Dat deed hij ook. Nadat jij in een diepe crisis was geraakt.”

In januari 1977 overleed onverwachts Dinekes vader, aan een hartinfarct. Volgens Truska begon het daarmee. Ze was zeven en herinnert zich het immense verdriet van haar moeder. Na een poosje vond ze dat haar moeder nu maar eens moest stoppen met huilen. Rond haar tiende, denkt ze, werd ze zich ervan bewust dat haar moeder het niet zo gemakkelijk had in het leven. Dat ze vaak moe was en hoofdpijn had en daarom overdag in bed lag.  In het boek vertelt haar moeder dat ze zich nutteloos voelde, wat deed ze eigenlijk in het leven? En dan dat gedoe met haar moeder, die altijd zielig was, want ja, dat dode zusje. En dat machteloze gevoel, want zij kon het nooit goed doen. Ze belandde – zoals zoveel vrouwen in haar situatie – in een depressie, waar ze pas weer uit kwam toen ze naar de Hogeschool voor Economische Studies in Utrecht ging om zich te bekwamen in de handelseconomische variant van het Frans. Daarna ging ze dus lesgeven aan de Volksuniversiteit.

„Het vreemde is”, zegt Truska tegen haar moeder, „dat je volgens mij weer ging studeren toen ik zeventien was. Dat had ik ook opgeschreven, maar jij streepte dat door.”

„Omdat ik dacht”, zegt Dineke, „dat het eerder was.”

Truska: „Jij zei dat je weer ging studeren toen Hans” – haar broertje – „naar de kleuterschool ging. Maar toen was ik tien en moest die hele crisis van jou nog komen.”

„Dus misschien”, zegt Dineke, „was het toch later.”

Truska: „Zeven jaar later. Dat zie je als je de fotoboeken erbij pakt en alles reconstrueert. Ik begrijp het zo goed, mam, dat je met terugwerkende kracht de geschiedenis herschrijft en liever denkt: toen mijn jongste naar de kleuterschool ging, ben ik weer gaan studeren. Dat is een veel beter verhaal.”

Dineke knikt.

Truska: „Maar het klopt niet.”

Dineke: „Het waren zulke moeilijke jaren dat ik een beetje kwijt ben hoe het allemaal gegaan is.”

En Truska?

Ze groeide op in de tijd van ‘een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’, de slagzin van een overheidscampagne rond 1990. Ze studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, deed de postdoctorale opleiding journalistiek en werd verslaggever bij Het Parool. In 1999 kreeg ze haar eerste kind, er zouden er nog twee volgen. Moeders van toen begint met een vraag die haar chef destijds stelde: of het moederschap haar belemmerde. Ze durfde niet te zeggen dat ze het soms best ingewikkeld vond, straks stelde ze hem nog teleur. Dus zei ze zo luchtig mogelijk nee. „Dat je kinderen had was prima”, zegt ze. „Als niemand er maar last van had.” Ze herinnert zich een poster van een vrouw in mantelpak met een baby op de arm en een aktetas in haar hand. „Dat was het ideaal. Alles geruisloos combineren en die twee werelden gescheiden houden.”

Na haar tweede kind ging ze naar de wetenschapsredactie. Geen onvoorspelbare werktijden meer, geen avonddiensten. „Ik moffelde mezelf in een veilig hoekje en vervolgens zat ik weg te kwijnen. Verslaggeverij was veel leuker.”

Dineke: „Daar was je bijna overspannen geraakt.”

Truska: „Ik wás overspannen geraakt.”

Dineke: „Je bent ook echt een moederdier, dus ik begreep het wel.”

Truska, weer bedenkelijk kijkend: „Ja, mam, maar ik ben niet alleen maar moeder. Er zit ook een heel ander deel in mij.”

Dineke: „Daarin lijken we op elkaar.”

Het eindigde ermee dat er bij Het Parool een ontslagronde kwam wegens bezuinigingen en Truska vrijwillig met een vergoeding wegging. „Hoe fijn was dat voor iedereen. Geen gedwongen ontslag en ik kon gaan freelancen.” Ze heeft er geen spijt van, zegt ze. En daarna: „Ergens heb ik er wel spijt van.”

Dineke: „Ik vond het ook jammer.”

Truska: „Ze hebben me wel heel gemakkelijk laten gaan. Ik zou het nu niet weer zo doen.”

CV Truska Bast

Truska Bast (’s Graveland, 1970), neerlandicus, journalist en schrijver, publiceerde in 2010 En zij die na ons komen, een portret van drie families die met elkaar een eeuw geschiedenis van huiselijk Nederland tonen. In 2017 verscheen Uw wil geschiede, over het leven op katholieke kostscholen in de jaren vijftig en zestig. Haar biografie van de kinderboekenillustrator Mance Post, uit 2022, werd genomineerd voor de Biografieprijs.Voor haar nieuwe boek Moeders van toen, moederschap in de jaren zestig en zeventig, interviewde ze vrouwen over moederschap en hoe dat beïnvloed werd door de tweede feministische golf. Truska Bast interviewde ook haar eigen moeder.Ze heeft drie kinderen en woont met haar man in Hilversum.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next