Asiel Sinds een nieuw ambtsbericht over Irak kunnen jezidi’s moeilijker asiel krijgen in Nederland. NRC sprak acht jonge jezidi’s met een afgewezen aanvraag. Terugkeren naar Irak is onveilig, zeggen ze: „Als moslims zien dat in een restaurant een jezidi werkt, komen ze daar niet meer.”
Jezidi's bij de Lalish-tempel in het district Shekhan in Irak, voor de jaarlijkse Cejna cema-viering.
Acht mannen zitten rond een tafel in Landgoed Biesenhof in Geleen, een brasserie vlak bij het asielzoekerscentrum waar ze wonen. Ze drinken koffie en Pepsi, eten vlaai. Ze spreken Nederlands. „Jongens”, zegt een begeleider met een licht Limburgs accent, „de verslaggever heeft een andere uitspraak dan ik. Als jullie haar niet kunnen verstaan, laat het dan even weten.”
De mannen komen uit Irak, zijn jonger dan dertig en allemaal twee of drie jaar geleden naar Nederland gevlucht, sommigen met vrouw en kinderen, sommigen met broertjes en zusjes, sommigen alleen. Het zijn jezidi’s, een religieuze minderheid die al eeuwen in het Koerdische noordwesten van Irak leeft. In 2014 kwam de vrijwel onbekende groep ineens in de schijnwerpers te staan: ze werden opgejaagd en uitgemoord door de extremisten van Islamitische Staat (IS), die voor de jezidi’s geen plaats zagen in het kalifaat. Jonge vrouwen werden tot (seks)slaven gemaakt.
De westerse wereld nam het direct op voor de jezidi’s. Toenmalig Amerikaans president Barack Obama liet IS bombarderen om hen te ontzetten. In Europa waren ze een van de weinige groepen vluchtelingen die wél enthousiast werd ontvangen – iedereen erkende de wreedheid van IS. En in de christelijke pers werd hun monotheïstische geloof vaak naar het christendom toegeschreven. In de Tweede Kamer zetten, behalve PvdA en SP, met name christelijke partijen – CDA, ChristenUnie en SGP – zich in voor de groep.
„Zelfs de VVD”, zegt Kamerlid Kati Piri (GroenLinks-PvdA) nu. De steun voor jezidi’s was breedgedragen „omdat er gruweldaden tegen deze kleine minderheid zijn gepleegd. Ook Europese Syriëgangers maakten zich schuldig aan die genocide – Europese burgers”.
Toen een Kamermeerderheid het geweld tegen jezidi’s in 2021 een genocide verklaarde, zoals het Europees Parlement dat al deed in 2016, leek hun status als vluchtelingen ook in Nederland onaantastbaar. „Vroeger was het hier voor jezidi-mensen top, alles kon binnen een halfjaar geregeld worden”, zegt Safar (25), een van de acht mannen in Biesenhof. Hij woont sinds tweeëneenhalf jaar in het azc in Geleen, samen met zijn vrouw en hun eenjarige zoontje.
Safar en de zeven anderen vertellen dat ze vluchtten voor discriminatie, uitsluiting en bedreiging door de islamitische meerderheid in Irak – ook nog tien jaar na de genocide – en voor een leven in vluchtelingenkampen, waarin de meeste jezidi’s nog altijd wonen. Hij wil niet met zijn achternaam in de krant, dat kan hem kwetsbaar maken als hij terug moet.
Na een aanscherping van het zogenoemde landenbeleid vorig jaar worden asielaanvragen van jezidi’s namelijk afgewezen. Van de acht mannen aan tafel hebben er vijf al gehoord dat ze niet in Nederland mogen blijven, de rest wacht op een laatste gesprek met de IND, maar heeft er weinig vertrouwen in. Hoewel ze in beroep gaan, hebben enkelen al een eerste gesprek gevoerd met terugkeerdienst DT&V.
Advocaat Maartje Terpstra, die een van de Geleense mannen bijstaat en regelmatig collega-advocaten spreekt met jezidi-cliënten, zegt dat het nu „overal in Nederland hetzelfde gaat”. Medewerkers van Vluchtelingenwerk horen in azc’s in het hele land dat ze worden afgewezen, bij verschillende rechtbanken vechten jezidi’s al afwijzingen aan.
Safar was veertien toen hij vroeg in de ochtend wakker werd van onbekende geluiden. Het was 3 augustus 2014, IS reed door de straten van Sinjar in Noord-Irak, waar veel jezidi’s woonden. „Ineens was het oorlog in mijn stad”, zegt Safar. IS doodde jezidi-mannen, ontvoerde vrouwen en kinderen. Samen met zijn familie vluchtte Safar te voet naar het Sinjargebergte, zo’n 25 kilometer verderop. Het was midden in de Irakese zomer en minstens 45 graden overdag. Ze hadden alleen wat water bij zich.
In de bergen hebben ze, samen met duizenden andere jezidi’s, acht dagen gewacht. „Elke vijf uur namen we een slokje water.” Zodra ze hoorden dat de grens open was, liepen ze aan de westkant de berg af, Syrië in. Onderweg zag Safar zeker vijftig mensen die van honger en dorst waren omgekomen. „Van sommige mensen dacht ik dat ze sliepen, maar dan waren ze dood.”
In Irak kwamen de meeste jezidi’s in vluchtelingenkampen terecht. Rakan (24) woonde na de genocide bijna tien jaar in tenten van nylon: koud in de winter, benauwd in de zomer. Maar een paar uur per dag elektriciteit, nooit stromend water. Zijn broertje kon in de kampen twee keer per week, een half uur tot een uur naar school, vertelt Rakan. „Hier in Nederland gaat hij elke dag.”
De jezidi-mannen aan tafel hebben snel de taal geleerd. Sommigen geven Irakese kinderen in het azc Nederlandse les. Ze doen vrijwilligerswerk – achter de bar bij het Oud Limburgs Schuttersfeest in Beekdaelen, als verkeersregelaar bij het WK Gravel. Of ze werken, bij de Biesenhof of Kasteel Terborg, of ze zetten kozijnen – en sturen geld naar hun ouders die in Irak zijn achtergebleven.
In mei 2024 besloot toenmalig demissionair staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Eric van den Burg (VVD), kort na de verkiezingen van 2023 waarbij de PVV de grootste werd, dat jezidi’s niet langer als risicogroep zouden worden beschouwd. „Inmiddels is ISIS al geruime tijd verslagen en acht ik de (veiligheids)situatie bestendig genoeg”, schreef hij de Kamer. In Irak was nu „sprake van adequate opvang”. Hij baseerde zijn oordeel op een, enkele maanden eerder verschenen ambtsbericht – landeninformatie die de IND gebruikt om beslissingen op te stoelen – dat de veiligheidssituatie in heel Irak omschreef als „de stabielste in jaren”.
In 2024 werden asielaanvragen van 190 Irakezen afgewezen – de IND houdt niet bij hoeveel van hen jezidi zijn. Advocaat Terpstra schat dat nog enkele honderden jezidi’s wachten op een beslissing over hun asielaanvraag. In 2025 steeg het aantal afgewezen Irakezen flink: 540 in de eerste elf maanden, in oktober en november 120 per maand.
Maar in het ambtsbericht uit 2024 staat óók dat inwoners van het Noord-Irakese gebied Sinjar, waar de meeste jezidi’s woonden tot de aanval van IS, een „gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen” hebben. En dat „verschillende bronnen” wijzen op regelmatige Turkse luchtaanvallen, specifiek gericht op de Koerdische arbeiderspartij PKK en jezidi-militie YBS. Er staat dat de meeste jezidi’s niet genoeg geld hebben voor wederopbouw van hun oude huizen – IS verwoestte 80 procent van Sinjar – en dat de meesten nog altijd in tentenkampen wonen.
In november werd een aanvulling op het ambtsbericht gepubliceerd. Daarin staat dat de leefsituatie in de kampen het afgelopen jaar verder verslechterde: hulporganisaties hebben zich terugtrokken door gebrek aan financiering.
„Ik denk dat Irak voor de jezidi’s geen veilige haven is om naar terug te keren,” zegt Houman Oliaei, een Amerikaanse antropoloog die een boek schreef over hoe het de jezidi’s in Noord-Irak verging na 2014, in een telefoongesprek. „In het kamp waar ik onderzoek deed was een groot tekort aan medische hulp en al helemaal aan psychologische ondersteuning voor jezidi’s die getraumatiseerd zijn door het geweld.”
Oliaei maakt zich ook zorgen over de aanhoudende oproepen tot geweld door moslims in Irak. Geestelijken maken video’s met verwensingen aan het adres van de ‘heidense’ jezidi’s. Safar ziet ze elke week langskomen. Hij laat een compilatie zien die de Duitse jezidi-ngo Háwar vorig jaar maakte, na de jaarlijkse herdenking van de genocide: islamitische geestelijken zeggen in toespraken dat jezidi’s „de duivel aanbidden” en dat „moslims de belangrijkste vijanden van jezidi’s zijn”.
Als ze terug moeten, zullen ze in Irak bovendien geen werk vinden, denken de mannen aan tafel. In het verwoeste Sinjar is het lastig, daarbuiten al helemaal. „Ambtenaar worden kan niet, want je kunt bij een sollicitatie geen optie ‘jezidi’ invullen. Als moslims zien dat in een restaurant een jezidi werkt, komen ze er niet meer”, zegt Safar. „Moslims mogen geen ei kopen dat de kip van een jezidi heeft gelegd.”
Oliaei: „Deze mensen hebben een genocide overleefd. Toen het onmogelijk bleek de wederopbouw op gang te brengen, zijn ze naar een ander land gegaan om hun kinderen een veilige toekomst te geven. En dat land stuurt ze nu terug naar een plaats waar het trauma vers is. De meeste massagraven zijn nog niet eens opgegraven.”
Kati Piri noemt het „best frappant” dat de IND jezidi’s nu terugstuurt. Ze wijst erop dat andere Europese landen juist jezidi’s uit de vluchtelingenkampen in Irak hebben weggehaald. „Het valt me tegen, zelfs van de twee partijen die nog in dit kabinet zitten. We weten dat ze niet happig zijn op vluchtelingen in het algemeen, maar ik dacht dat ze voor deze groep meer begrip hadden.”
Safar stapelt in het restaurant de vlaaibordjes op – hij werkt hier sinds een jaar. Zijn neef uit Duitsland wordt naar Irak teruggestuurd en heeft al een vliegticket. De acht mannen denken hardop over wat ze zouden doen als ze ook terug moeten. „Dan zou ik toch blijven”, zegt Mahdi (24). De anderen knikken. „Beter om hier op straat wonen dan in Irak”, zegt Safar. „Wij hebben niks in Irak.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC