Thuiswerken was jarenlang de gedroomde oplossing voor menig sociaal probleem. Maar nu het succesvol is ingeburgerd willen veel werkgevers thuiswerk aan banden leggen. Wordt onze blik op de kantoortuin vertroebeld door nostalgie?
Hoe we naar werk kijken en de rol die het in ons leven inneemt, is in een zeer korte tijd drastisch veranderd. Thuiswerken werd nog helemaal niet zo lang gelezen gezien als iets voor hoodiedragende techbro’s, of millennials die zich vanaf een Balinese hangmat ‘digital nomad’ noemden. Het was iets voor mensen die hun carrière niet serieus namen en gedoe veroorzaakten voor collega’s die wel van de bank af kwamen en grotemensenkleren aantrokken.
Dat, óf het was de gedroomde oplossing voor menig probleem. Van filevorming, diversiteit en inclusie, tot aan de verdeling van zorgtaken en de arbeidsparticipatie van vrouwen – thuiswerken zou het oplossen. Een wondermiddel dat vanwege allerlei praktische, ingewikkelde, onoverkomelijke bezwaren helaas, helaas, maar niet werd ingezet. Te veel moeite.
Voor wie een whiplash wil van hoe snel ons denken veranderd is: in 2013 portretteerde advocatenserie The Good Wife thuiswerk nog als pratende hoofden van videobellende collega’s, die je via iPads op Segways achterna zaten. In 2014 beschreef Japke D. Bouma de thuiswerkdag nog als ‘het omerta van de kantoortuin’: iedereen weet dat niemand iets doet, en iedereen houdt de schijn op. Ook in 2018 was het nog een nieuwerwetsigheid, of eufemisme voor een baaldag: ‘Een dagje thuiswerken, stiekem willen we het allemaal wel’, schreef RTL Z besmuikt.
Eind 2019 organiseerde de radiozender waar ik destijds werkte de BNR Thuiswerkdag, inclusief ludieke foto van een BNR-medewerker aan keukentafel – half in pak, half in pyjama. Sjors Fröhlich, destijds hoofdredacteur, noemde het ‘logistiek gezien een enorme uitdaging’ en zag het als een oproep om thuiswerken ‘eens te proberen’. De zender wilde het gesprek tussen werkgever en werknemer ‘op gang helpen’. U weet allen hoe dit afliep: een paar weken later brak de pandemie uit.
Meredith Greer is opinieredacteur van de Volkskrant en auteur.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Hier en daar wat gemopper, maar zo ingewikkeld bleek ‘telewerken’ helemaal niet. De kantoortuinen, stilstaande treinen en uren in de file misten we geen van allen. Slof en joggingbroek bleken voor de meeste mensen comfortabeler dan knelschoen en pak. En we bleken net zo ijverig, als niet meer.
Toch is nu, een paar jaar later, de Grote Kantoorteruggang ingezet. Thuiswerken is ineens iets wat voor het merendeel van de werkgevers ‘aan banden moet worden gelegd'; ze willen hun mensen het liefst meestal, of altijd terug op kantoor. Bijna een kwart wil ze er zelfs toe verplichten. Werknemers zijn weinig enthousiast; ruim de helft wil grotendeels thuiswerken. De teruggang, veelal eenzijdig opgelegd, roept dan ook de nodige weerstand op. En die weerstand komt terecht in een gespreid bedje, want er broeit nog wel meer, qua werkcultuur-paradigmaclash.
De generaties die op dit moment carrière moeten maken en bepalend zijn voor de popcultuur, bevinden zich in een compleet andere realiteit dan de generaties voor hen. Ze staan er, als eerste generatie in decennia, financieel slechter voor dan hun ouders, hebben na jaren van flexwerk en financiële crises nog steeds hun studieschuld niet afbetaald. Geen hypotheek te krijgen, geen huis te vinden. Girlbossend de corporate ladder beklimmen, bleek een desillusie. Voor zingeving hoeven ze ook niet aan te kloppen; ideële sectoren als cultuur, zorg, media en onderwijs zijn uitgekleed.
Niet verrassend dat er anti-werksentimenten en cynische attitudes opborrelen, zoals ‘quiet quitting’, ‘the great resignation’, ‘lazy girl jobs’ en ‘overemployment’. Anti-werksentiment is niet per se hetzelfde als anti-kantoorsentiment, maar ze behoren wel tot hetzelfde culturele ecosysteem. Een dat werkkleding als ‘corp-lore’ laat herleven, met dystopische, clowneske powersuits, modellen die poseren als overwerkte stagiairs, faxmachines als ironische accessoires en catwalks omringd door bureaustoelen boven een moeras.
Daartegenover staat de nostalgie waarmee we terug naar de kantoortuin worden gelokt: sociale cohesie! Samenwerking! Onderlinge creativiteit! De hr-directeur van ING vindt het ‘belangrijk dat je je echt thuis voelt in de organisatie en samen bouwt aan de werkcultuur’. Sentimenten die hout snijden als ze van een gewaardeerde collega komen, maar toch anders aankomen als ze gepaard gaan met een aanwezigheidsverplichting. Ergens knaagt er iets, met al die kantoornostalgie. Want die goede oude kantoortijd is niet lang genoeg geleden om retrofilters of pastiche te verdienen, maar ook de radicale omarming van thuiswerken is te recent om nu al zo vanzelfsprekend te zijn.
Was thuiswerken het gedroomde panacee? Deels. Voor mensen met een beperking of chronische ziekte had de normalisering van thuiswerk een gigantische impact: de groep stormde in de VS bijvoorbeeld sinds de pandemie met recordaantallen de beroepsbevolking binnen. Ook voor mensen met mentale gezondheidsproblemen bleek (deels) thuiswerken top. En vrouwen gingen er soms wel 15 procent op vooruit in inkomen. Bijkomend, wrang voordeel: wie minder aanwezig is op de werkvloer, ondervindt er ook minder seksuele intimidatie.
Qua emancipatie bleek thuiswerken niet per se veel zoden aan de dijk te zetten. De extra tijd die vaders thuis doorbrachten, had maar zeer beperkt invloed op de verdeling van zorgtaken. Die gingen met name ten koste van de vrije tijd van moeders, of in de wetenshap bijvoorbeeld ten koste van hun publicaties. Hoe, waar en wanneer vrouwen werken, blijkt probleem noch oplossing. In ieder geval niet zolang het andere deel van de som buiten beschouwing blijft. Of, thuisblijfvader Tim Gouw citerend: ‘Nee, mannen, jullie doen nog niet genoeg in huis.’
Qua mobiliteitsspreiding en filevorming blijven voordelen beperkt zolang we allemaal op dezelfde dagen thuiswerken. Maar wat klimaat betreft zijn de resultaten aanzienlijk: in 2020 stootten we gezamenlijk 22 megaton minder broeikasgas uit dan in 2018. Één dag per week meer thuiswerken dan voor de pandemie, scheelt 600 kiloton CO2-uitstoot.
Wie het werknemers zelf vraagt, hoort dat ze overweldigend productiever, creatiever, gezonder en minder gestrest zijn. Ze werken vaker vanuit huis door bij ziekte en hebben een betere werk-privébalans. Hybride werken maakt Nederland, aldus adviesbureau PwC, niet armer maar wel gelukkiger.
De rollen zijn omgedraaid: alle ‘harde’ argumenten tegen thuiswerk zijn onderuitgehaald. ‘Softe’ doelen als inclusiviteit en duurzaamheid, waar werkgevers in ieder geval op papier voorstander van zijn, zijn nog steeds gebaat bij hybride werk. Dus de vraag is: welk probleem moet de terugkeer naar kantoor oplossen?
Teamgevoel en saamhorigheid zijn belangrijk, maar in een kapitalistische maatschappij meestal geen reden voor harde maatregelen. Zoals Volkskrant-columnist Peter de Waard schreef: ‘Als kantoren zijn bedoeld om eenzaamheid te verdrijven, dan dienen ze vooral als sociale opvang.’ Volgens Curt Steinhorst op Forbes gaat de terugkeer naar kantoor gaat niet over productiviteit. Het gaat om controle. De oproepen worden ingekleed met termen als ‘samenwerking’, maar Steinhorst leest vaak ook iets anders: wantrouwen. De aanname dat werknemers zonder toezicht de kantjes ervan af lopen.
Terwijl 87 procent van de hybride werknemers volgens de Microsoft Work Index gelijke of toegenomen productiviteit ziet, wat de feiten ondersteunen, vraagt 85 procent van de leiders en managers zich af of ze wel hard genoeg werkten. Slechts 12 procent had volledig vertrouwen in hun team. Een significant, ontluisterend perceptieverschil.
Als mens hebben we allen cognitieve biases. Bijvoorbeeld het bekendheidsprincipe, de neiging om mensen die fysiek aanwezig zijn meer vertrouwen te gunnen. We hebben als vanzelf meer affiniteit met mensen en dingen die we vaker tegenkomen. Een andere bias is het ‘halo-effect’: de neiging om iemand op basis van één positief aspect in andere opzichten ook positiever te beoordelen. Hoeveel tijd een werknemer doorbrengt in de kantoortuin, is daarnaast gemakkelijker meetbaar dan de kwaliteit van hun idee. En wie niet kan zien hoeveel werk iets kost, neemt gemakkelijker aan dat het eerder af had kunnen zijn.
Al deze biases dragen bij aan presenteïsme, culturen die meer nadruk leggen op aanwezigheid, dan wat die bijdraagt. Werkculturen waarin mensen als eerste en als laatste op kantoor zijn om motivatie te tonen, ongeacht hoe productief. Waarin zieke mensen zichzelf naar werk sleuren, en van weeromstuit de halve zaak aansteken met de griep. Giftige werkculturen waarin mensen elkaar overtoepen met overwerk, waarin het bewijzen van je productiviteit bijna performatief wordt. Culturen die toegang tot de arbeidsmarkt voor veel groepen onnodig moeilijk maken.
Dat instanties naar houvast en controle zoeken, is begrijpelijk. Maar laat de nostalgie onze blik niet vertroebelen met verlangen naar een verleden dat nog helemaal niet zo lang geleden is, en waar we een paar jaar geleden juist vanaf wilden.
We hebben net een van de grootste arbeidsexperimenten van de geschiedenis achter de rug. Het is logisch dat we bepaalde zaken fundamenteel evalueren. We kunnen op zoek naar blijvende inclusie, andere vormen van sociale cohesie, naar manieren om arbeid en zorg in te richten op een manier die voor meer mensen werkt, manieren om prestaties te evalueren op basis van inhoudelijke kwaliteit en vertrouwen. Overwegen om onze schaarse ruimte voor iets anders in te zetten dan asfalt of leegstaande kantoorpanden.
Moeilijke opgaven, zeker. Maar minder onmogelijk dan een geest, zodra hij eenmaal uit de fles is, er weer in dringen. Hoe werk er in de toekomst uit zal zien, weet ik niet. Maar dat het ooit weer een kantoortuin vol 9-to-5’ers wordt, lijkt me sterk .
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant