Koloniale geschiedenis In recente boeken over Nederlands-Indië gaat het niet in de eerste plaats over militaire zaken maar over de mentaliteit die aan het geweld ten grondslag lag. Ze laten zien hoe diep het racisme zat in de Nederlandse en in de koloniale samenleving.
Op 22 februari 1948 woonden Nederlandse militairen voor vertrek naar Nederland op het militair ereveld Candi te Semarang (Midden-Java) een requiemmis bij.
In de dagorder waarmee legercommandant generaal Simon Spoor op 18 december 1948 het bevel gaf de Republiek Indonesië te vernietigen, vroeg hij de Nederlandse krijgsmacht „ook nu de kerstgedachte hoog te houden”. Met mijn geseculariseerde blik zag ik die misplaatste verwijzing naar de vredesboodschap van Christus in één adem met een bevel tot grootschalig militair geweld altijd als voorbeeld van een cynische militaire tactiek. Die was bedoeld om het thuisfront van al die dienstplichtigen, die erop uit werden gestuurd om vreselijke dingen te doen, de indruk te geven dat de oorlog tegen Indonesië een soort humanitaire operatie was.
Het recente onderzoek Oorlog zonder genade van Koos-Jan de Jager, naar de rol die militaire geestelijken speelden in de Indonesiëoorlog (1945-1950), maakt echter duidelijk dat de werkelijkheid wat gecompliceerder in elkaar stak. Natuurlijk was het behouden van de steun van het thuisfront voor de legertop van cruciaal belang, maar voor de manschappen in Indonesië was het geloof wel degelijk een houvast in moeilijke omstandigheden.
Marens Engelhard: De ‘Javaanse psyche’. Koloniale psychiaters in Nederlands-Indië 1900-1940. (Boom 2025) 293 blz. €26,90
Religie speelde vlak na WOII een veel grotere rol dan nu, zoals De Jager terecht betoogt: uit de volkstelling van 1947 bleek dat 80 procent van de Nederlanders verbonden was aan een kerk. En op het slagveld waren de vertegenwoordigers van die kerken in de persoon van aalmoezeniers (katholiek) en legerpredikanten (protestants) zeer aanwezig. „Net als in andere westerse landen”, schrijft De Jager, „was het christendom in handen van de legerleiding een krachtig instrument om de oorlogsinspanning te rechtvaardigen en ondergeschikten te disciplineren en te motiveren.” Zo voegt dit belangwekkende onderzoek een nieuwe dimensie toe aan de geschiedschrijving van die koloniale oorlog, en draagt het boek van Koos-Jan de Jager bij aan een beter begrip van het optreden van Nederlandse militairen in dat conflict.
Remco Ensel: Kennis die knecht. Indonesië en de koloniale wortels van wetenschap. (Prometheus 2025) 368 blz. € 29,99
Het onderzoek naar de rol van de militaire geestelijken past binnen een recent golfje van (post-) koloniale studies die niet zozeer gefocust zijn op krijgshistorie maar meer op mentaliteitsgeschiedenis en historiografie. Zo verscheen vorig jaar al de bundel Koloniaal burgerschap. Geschiedenis en erfenis onder redactie van Karwan Fatah-Black en Lauren Lauret over aspecten van gelijkheid en sociale rechtvaardigheid van de VOC tot nu in de kolonies. Marens Engelhard komt in De ‘Javaanse psyche’. Koloniale psychiaters in Nederlands-Indië. Een familiegeschiedenis. 1900-1940 tot de conclusie dat „koloniale geschiedenis voor een belangrijk deel de geschiedenis van een mentaliteit is”. In dit kader past ook Kennis die knecht. Indonesië en de koloniale wortels van wetenschap waarin Remco Ensel in kaart brengt hoe westerse vooroordelen over Indonesiërs geschraagd door wetenschappelijk onderzoek hebben bijgedragen aan de onderdrukking in de kolonie.
Karwan Fatah-Black en Lauren Lauret (red.): Koloniaal burgerschap. Geschiedenis en erfenis. (Boom 2024) 304 blz. €24,90
Natuurlijk is De Jager niet de eerste die vaststelt dat Nederlandse kolonialen het christelijk geloof als alibi gebruikten om op te treden als ‘roofstaat’ (zie Multatuli) in Indonesië. Zoals De Jager schrijft: „[…] Koloniaal geweld rechtvaardigden zij met een beroep op de goddelijke opdracht om beschaving en geloof te brengen aan de volkeren in de kolonie.” En dat bleef zo tot diep in de vorige eeuw, schrijft De Jager. De gedachte was dat God aan de kant stond van Nederland.
Het Europese wereldbeeld ging uit van de superioriteit van de westerse cultuur en was dus inherent racistisch. Op het slagveld vertaalde zich dat in buitensporig gewelddadig optreden door koloniale troepen. Tegen de verwachting in remden (christelijke) militaire geestelijken dat geweld tijdens de Indonesiëoorlog niet af. De Jager spreekt van een „kruisvaardersmentaliteit, waarbij in naam van God alle tegenstand zonder onderscheid werd vernietigd”.
Koos-Jan de Jager: Oorlog zonder genade. Nederlandse militaire geestelijken in Indonesië, 1945-1949 (Boom 2025) 335 blz. € 29,90
Sterker nog, militaire geestelijken werden de witwasmachine van de strijdkrachten. De Jager signaleert dat in historisch onderzoek tot nu onderbelicht is gebleven dat geestelijken „in de beeldvorming over de oorlog een propagandarol vervulden”, terwijl ze beter wisten. Hij stelt vast dat militaire geestelijken door hun interpretatie van de oorlog als een „rechtvaardige strijd” een bijdrage leverden aan de „gevechtsbereidheid” van de krijgsmacht. De meesten spraken over ‘extremisten’ die vernietigd moesten worden, en daardoor werd de vijand ontmenselijkt: de strijd ging tegen het kwaad zelf, schrijft De Jager. En dat leidde tot „koloniale dissociatie” waardoor de strijd in Indonesië „zich onttrok aan de christelijke morele kaders die golden in Nederland”.
Die koloniale dissociatie is een morele ontkoppeling waardoor oorlogsmisdaden, racisme en uitbuiting konden worden ontkend. Racisme werd in de Nederlandse koloniën geïnstitutionaliseerd door een apartheidswetgeving die in de negentiende eeuw tot stand kwam. Hierover schrijven Otto Linde en Susan Legêne in de bundel Koloniaal burgerschap een originele bijdrage over een essay uit 1898, van de invloedrijke excentrieke oud-rechter aan het koloniale hooggerechtshof in Batavia, M.C. Piepers, over gelijkheid. Aanleiding was het publieke debat over de wet die juridische gelijkstelling van Japanners in de kolonie aan Europeanen regelde. Dat wetsvoorstel volgde op het Nederlands-Japans handelsverdrag in 1896. Japanners behoorden in Nederlands-Indië tot de juridische categorie ‘Vreemde Oosterlingen’, die minder rechten hadden dan ‘Europeanen’. Japan wilde niet langer dat zijn onderdanen als tweederangsburgers werden behandeld.
Piepers verzette zich tegen die gelijkstelling en stelde voor om uit te gaan van „gelijkstelling op basis van verschil” in plaats van op basis van gelijkheid. Maar dat ontmaskeren de auteurs terecht als een drogreden. Uiteindelijk ging het Nederlands parlement in 1899 overstag. Linde en Legêne wijzen erop dat het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet van 1848 verdoezelt dat het eurocentrisme van het Europese denken resulteerde in een racistische praktijk. Want tot de Grondwetsherziening van 1983 werd in het tweede artikel vastgelegd dat de Grondwet alleen gold in Nederland, dat wil zeggen het Europese deel van het koninkrijk. Systemisch racisme wortelt in wetten, regels en voorschriften, concluderen de schrijvers.
Bart Verheijen werkt die ingebakken ongelijkheid in het koloniale systeem in dezelfde bundel nog verder uit. De hiërarchie was volgens de negentiende-eeuwers gekoppeld aan een verschil in beschaving en een van kenmerken van beschaving was: het christelijk geloof. Eind negentiende eeuw, in 1892, werd een nieuwe Wet op het Nederlanderschap van kracht in de kolonie die tot gevolg had dat „de overgrote meerderheid van de koloniale ingezetenen definitief werd uitgesloten van het Nederlands burgerschapsrecht op basis van een ‘beschavingsachterstand’”.
Dit alles was geheel volgens de bedoeling van de liberale premier J.R. Thorbecke, ontwerper van de Grondwet van 1848. Tijdens het debat in de Tweede Kamer over zijn wetsvoorstel stelde hij dat het ‘politiek burgerschap’ samenviel met de Nederlandse natie. En die natie bevond zich in Europa. Thorbecke: „Lidmaatschap der Nederlandsche Natie zou, geloof ik, met meer regt aan de Duitschers en Engelschen, dan aan de inlanders van Java of van de Molukken worden toegekend.” Tijdelijk minister van Koloniën Julius Constantijn Rijk stelde in dat debat dat de bevolking van de kolonie nog geen politieke rechten moesten worden toegekend: „[…] zulke regten kunnen bij onbeschaafde menschen zijn als een scheermes in de hand van een kind […].”
Een van de gevolgen van die territoriale afbakening van de grondrechten was dat de doodstraf in 1870 in Nederland werd afgeschaft, maar in Nederlands-Indië bleef bestaan voor de oorspronkelijke bevolking.
Negentiende-eeuwse frames lieten diepe sporen na. De idee dat Indonesiërs ‘onbeschaafd’ en ‘kinderlijk’ waren en dus een (strenge) voogd nodig hadden, werd door psychiaters en antropologen van een wetenschappelijke basis voorzien. Engelhards onderzoek naar koloniale psychiatrie heeft de hybride vorm gekregen van een familiegeschiedenis – die van zijn eigen familie. De meest interessante passages waren voor mij die waarin hij de clash beschrijft tussen jonge Indonesiërs die begin jaren twintig in Nederland in opleiding tot arts of psychiater waren en psychiater Feike van Loon. Dat was een van de gangmakers van de koloniale psychiatrie die in het voetspoor van diens confrater Petrus Henri Marie Travaglino begin jaren twintig furore maakte met zijn racistische lezingen over de ‘psyche’ van de Javaan.
Engelhard beschrijft hoe in de eerste helft van de vorige eeuw koloniale psychiaters en neurologen voortdurend probeerden verschillen op te sporen tussen Aziaten en Europeanen om antwoord te kunnen geven op de vraag wat Europeanen het recht gaf om Aziaten te overheersen. Gedacht werd aan een rechtvaardiging in ras, evolutie of geschiedenis. En die zoektocht eindigde met de breed gedeelde opvatting dat de kolonisator ‘moreel superieur’ zou zijn aan Indonesiërs. Die morele superioriteit gaf de westerlingen in dit geïdealiseerde zelfbeeld niet alleen het recht maar zelfs de plicht om te overheersen.
Eén van de veronderstelde paradoxen tussen Oost en West was, volgens Engelhart, de gedachte dat „het geheimzinnige en indolente van de Oriënt een troebel brouwsel was in vergelijking met de klare wijn van de westerse rationalisten”. Op dat woord ‘indolentie’ baseert Remco Ensel zijn boek Kennis die knecht: het is het sleutelbegrip waarop de Nederlandse econoom Julius Boeke in 1910 zijn hele theorie over de belabberde „economischen toestand van den inlander” baseert. Volgens de econoom zijn indolentie en gebrek aan energie kenmerkende eigenschappen van de Javaan. En hij citeert een koloniaal gezegde dat „een Javaan nooit loopt wanneer hij kan stilstaan, nooit staat wanneer hij kan zitten, nooit zit wanneer hij kan liggen.”
Ensels boek beschrijft die ontwikkelingsgang van de ideeën van Boeke, een Leidse uit de negentiende eeuw stammende self made econoom. Die ideeën zijn doortrokken van de op dat moment vigerende racistische vooroordelen, en Ensel beschrijft hoe die blijven weerkaatsen in het werk van zijn navolgers, ook al hadden die kritiek op zijn denkbeelden. En zo voert Ensel de lezer van Boeke naar zijn Amsterdamse antipode de socioloog Wim Wertheim, de rockstar van de antropologie Clifford Geertz en uiteindelijk Ann Dunham. Inderdaad, deze laatste antropoloog werd vooral bekend als de moeder van de Amerikaanse president Barack Obama.
Tangerang, februari 1947. Militairen knielen in gebed.
Het boek is een verbluffend tijdreis, met als rode draad de kennis die steeds in dienst staat van kapitaalverwerving. Dat begint met de Leidse Academie die in de zeventiende eeuw een botanische tuin aanlegde voor de knollen en bollen die VOC en WIC aanleverden uit verre oorden. „Wetenschap en handelsimperialisme trokken hier samen op,” schrijft Ensel, die er ook in slaagt de recente Indonesische geschiedenis in vogelvlucht te vertellen. Inclusief de Amerikaanse bemoeienis tijdens de Koude Oorlog. Kort gezegd: ook de CIA was geïnteresseerd in het antropologisch onderzoek van Geertz. Daarbij probeert Ensel „kolonialisme af te leren” door ook aandacht te besteden aan „historische metgezellen die een ander licht werpen op het werk van de gevestigde hoeders van kennis”. En zo duiken protagonisten op uit twee bekende vooraanstaande Indonesische families die regelmatig terugkeren, de Djajadiningrats bijvoorbeeld en de Djojohadikusumo’s. De huidige president Prabowo is een telg uit die laatste familie. Maar ook Mohammad Hatta, die samen met Soekarno de onafhankelijkheid uitriep in 1945, doet een cameo als economiestudent die in de jaren twintig Boekes proefschrift zwaar bekritiseert.
De ideeën van de opvolgende generaties onderzoekers botsen op verhelderende manier, met aan het eind Dunham die in alles de tegenpool is van Boeke, wiens invloed zij betreurde. Boeke schrijft zijn bepalende proefschrift in elf maanden zonder ooit een voet in Indonesië te zetten. „Er lag zelfs geen onderzoek aan zijn boek ten grondslag […].” Dunham die zelf jarenlang onderzoek deed naar het werk van ambachtslieden op Java, noteert dat zij in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog struikelde over Indonesische ambtenaren die nog steeds praatten over het gebrek aan kennis en de koppigheid van boeren. Boeke was dan wel vergeten, maar zijn ideeën waren blijven hangen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC