Met de albums van Rosalía en Lily Allen, waarvoor ze als non poseren, beleeft de non een opleving in populariteit. Zij is al vaak verbeeld in films en verhalen, als kuis, hyperseksueel of als heks. Maar hoe is een nonnenleven echt? En wat is juist nu de aantrekkingskracht van ‘nuncore’?
schrijft voor de Volkskrant over kunst, cultuur en moderne mores.
Wie is opgegroeid met The Sound of Music (1965) in de kerstvakanties of de beeldtaal van Madonna sinds Like a Virgin (1984), of de clip van de Golden Earrings When the Lady Smiles (1984) nog voor ogen heeft, zal een zekere vertrouwdheid voelen met het fenomeen van de non in de popcultuur. Kies een tijdperk en je ziet haar langskomen; bijvoorbeeld in Sister Act (1992) of bij MTV Europe Music Awards in 2003, toen Christina Aguilera live haar nummer Dirrty (2003) inzette door een nonnenhabijt van haar bijna naakte lijf af te scheuren.
Popcultuur gaat over het nu. Maar wie even uitzoomt, herkent een steeds terugkerende interesse in de non. Een ritme zo gestaag als de gebeden in een middeleeuws getijdenboek.
Dus dat popster Lily Allen nu haar nare echtscheiding verwerkt door zich voor haar nieuwe plaat te presenteren als een stoute non – sigaret in de hand, naaldhakken, netkousen – hadden we misschien kunnen zien aankomen. Madonna, Christina Aguilera, Lady Gaga en, onlangs nog, Rihanna gingen haar voor met zo’n uitdossing. Er bestaat een decennialange vrolijke obsessie met de subversieve non. Die lijkt te drijven op een omgekeerd evenredig verband: hoe bedekter de vrouw is gekleed, hoe groter het verlangen haar naakt te zien.
Maar anno 2025 brengt diezelfde popcultuur ook een ander, minder eenduidig type non in beeld. De opvallendste uiting daarvan komt van de gelauwerde Catalaanse popster Rosalía. Op de albumhoes van haar nieuwe, veelgeprezen plaat Lux is ze geportretteerd als non. Sexy, zeker, maar wel in een stemmige versie; aantrekkelijk als een ingetogen vrouw op een Vermeer-schilderij.
Als je verder kijkt naar de foto, zie je dat Rosalía’s armen vastzitten onder de witte stof, als een psychiatrisch patiënt in een dwangbuis. En op de oorspronkelijke foto, de minder close-up versie, blijkt haar onderlijf toch naakt, op een klein wit broekje na – waardoor de spanning tussen kuisheid en seks er toch ook inzit.
De dubbelzinnigheid maakt nieuwsgierig. Het helpt dat haar muziek ook een zekere ongrijpbaarheid heeft. De plaat Lux is een mix van stijlen – fado, rumba, orkestmuziek, elektronische beats, flamenco en gregoriaanse gezangen – en ook nog eens gezongen in dertien talen. Rosalía droeg elk nummer op aan een mystieke of heilige vrouw uit de wereldgeschiedenis – en daar zitten ook nonnen bij: Hildegard von Bingen en de Byzantijnse Sint Olga van Kiev.
We zitten dus opnieuw midden in een opleving van nonnenliefde, en daar is in het tijdperk van TikTok natuurlijk meteen een naam voor, nuncore, afgeleid van andere trends met het woord core zoals normcore, cottagecore en Barbiecore. Daarbij gaat het om een idee met een bijbehorende esthetiek. En Rosalía is het boegbeeld.
Maar het was al even gaande. Het Amerikaanse magazine Vulture signaleerde afgelopen juni een vakantietrend bij gen Z-vrouwen: de zomer doorbrengen in een klooster, weg van de buitenwereld. Vrijwillige opsluiting tussen de nonnen met een verbod op alles, van telefoons tot praten. Het liep storm bij met name Spaanse kloosters voor deze vow of silence summer, volgens het blad.
En dan is er nog de – marginale, maar online behoorlijk virale – 4B-beweging, die zich afwendt van alles wat mannelijk is; overgewaaid uit Zuid-Korea wijzen vrouwen het patriarchaat af door te zweren niet te trouwen, niet te daten, niet te bevallen en geen heteroseks meer te hebben.
Voelen jonge vrouwen te veel druk om altijd ‘aan’ te staan en om zich te schikken naar een patriarchaal systeem, waardoor ze verlangen naar ontsnapping naar, in hemelsnaam, een abdíj? Zijn de verleidingen van het alledaagse leven zo verworden tot verslavingen dat we verlossing zoeken in een soort gevangenschap? Hopen ze daar autonomie te vinden? Zusterschap?
De vow of silence summer heeft overeenkomsten met een yoga-retreat. Ook bij die retreats is het devies soms stilte en wordt er gemediteerd. Toch lijkt een kloosterzomer verder te gaan: je stapt in de tradities en rituelen van een religieus instituut, met deelname aan zeven of acht gebedsstonden per etmaal, eucharistievieringen en gezangen.
Je kunt je ook afvragen waarom jonge vrouwen zich aangetrokken voelen tot zo’n instituut, nu juist steeds meer bekend wordt over de afschuwelijke werkelijkheid voor veel meisjes in kloosters. Opzienbarende zaken in de VS, Ierland en Australië lieten zien dat er grootschalig misbruik en dwangarbeid plaatsvond.
De aangrijpende film The Magdalene Sisters (2002) werpt licht op dit misbruik en de onderdrukking van de zogenoemde ‘laundry girls’, meisjes die werden verstoten door hun familie en opgesloten in een soort strafkloosters, waar ze in wasserijen te werk werden gesteld. Horror uit de nabije geschiedenis, terwijl overlevenden benadrukten dat de werkelijkheid nog veel erger was.
Maar het lijkt erop dat wie het over nuncore heeft, vooral zoekt naar rust. Jonge vrouwen zijn klaar met de druk en verwachtingen, klaar vooral ook met de blik, druk en verwachtingen van mannen. In een klooster zijn vrouwen onder elkaar en is het leven eenvoudig. Je bent er beschermd tegen prikkels, consumentisme, schermverslaving, de male gaze en alles wat ongezond is.
Maar waarnáár verlangen deze vrouwen eigenlijk? Hoe ziet het gewone leven in een nonnenklooster eruit? Wat doe je op een dag, hoe ga je met elkaar om, wat mag wél en wat is daar leuk aan?
De alledaagse werkelijkheid in een nonnenklooster is maar weinig in fictie verbeeld. Maria uit The Sound of Music (1965) is bijvoorbeeld net weggestuurd, we zien haar nanny zijn bij de Von Trapps (en onvergetelijk verliefd worden op Christopher Plummer). Sister Act (1992) gaf als comedy een inkijk, maar weinig inzicht in de routine in een klooster. Klassiekers als The Bells of St. Mary’s (1945) en Black Narcissus (1947) gaan over het redden van een nonnenschool en de verleidingen als er ineens een mooie man langskomt. Weinig alledaagse kloosteraangelegenheden. Misschien werd die werkelijkheid saai gevonden, wat best voorstelbaar is. Het wachten was op een herwaardering van saai, en die blijkt nu aangebroken.
Toch is er ook een andere kant van de nuncore-medaille: de explosieve, totaal onrealistische, occulte en behekste non. Dat laat de huidige comeback van de horrornonnenfilm zien. Dat genre laaide weer op met de films Sister Death (2023), over een spookklooster, en The First Omen (2024), een soort prequel van de beroemde film The Omen (1974) over de geboorte van de antichrist.
Het past bij een volhardend genre, ook wel nunsploitation genoemd, waarin nonnen wraak nemen, moorden, behekst raken en dit alles te midden van heel veel bloed en vaak ook veel seks.
Met klassieke voorbeelden als The Devils (1971), een soort reli-seks-exorcismefetisjfilm gesitueerd in 17de-eeuws Frankrijk met Vanessa Redgrave als bezeten non. Of de gedenkwaardige Italiaanse film Killer Nun (1979), met Anita Ekberg als hyperseksuele paranoïde moordenares.
En dan is er natuurlijk Benedetta, van Paul Verhoeven, waarin nunsploitation, historisch drama en het stereotype van de geile non gedenkwaardig tot een nieuw fenomeen zijn gekneed. Gebaseerd bovendien op de waargebeurde geschiedenis van de non Benedetta Carlini, die in 17de-eeuws Italië werd veroordeeld voor de lesbische liefde.
Interessant bij dit nunsploitation-genre is dat de obsessie met gruwel en dood wordt verbonden aan hekserij en vrouwelijke heiligen in de katholieke geschiedenis. Die heiligen kwamen immers vrijwel zonder uitzondering op gruwelijke wijze aan hun eind. Een begrijpelijke parallel, want in middeleeuwse schilderijen zijn verwijzingen naar hekserij en de marteldood van heiligen ook de normaalste zaak van de wereld. Het zit in de cultuur, kun je zeggen.
De verrassendste nonnen zitten vaak verstopt in films die helemaal niet over kloostergemeenschappen gaan. Mijn favoriet is Sister Agnes in Conclave (2024), gespeeld door Isabella Rossellini, een rol die ongetwijfeld een wenk is naar de iconische rol van haar moeder Ingrid Bergman als non in The Bells of St. Mary. Rossellini heeft nauwelijks tekst in dit adembenemend gefilmde verhaal van een conclaaf in de Sixtijnse Kapel, waarin een nieuwe paus wordt gekozen. Des te meer gezag heeft ze met haar gezichtsuitdrukking. Als ze spreekt, is het raak: ‘Hoewel wij zusters geacht worden onzichtbaar te zijn, heeft God ons niettemin ogen en oren gegeven’, zegt ze, en dat bepaalt een cruciale wending in het verkiezingsproces.
Onzichtbaar waren nonnen gelukkig niet altijd. Uit middeleeuwse manuscripten zijn geestige verbeeldingen bekend van het type stoute non. Een heerlijk voorbeeld staat in de marges van een versie van de Roman de la Rose, het eerste Franstalige literaire epos, uit de 14de eeuw. Een non houdt een nepmonnik aan de lijn met een touw aan zijn penis (de man heeft geen geschoren kruin, dus kon geen echte monnik zijn). Ze kijkt als een schouderophalende emoji. Een andere non in de randillustraties is vrolijk grote piemels uit een boom aan het plukken, in haar mandje liggen er al drie. De lol van de combi seks en nonnen is zo oud als er kloosters zijn.
Leuker is dat nonnen zich soms zelf zichtbaar maakten. Er bestaan prachtige illuminaties (schilderingen op papier) die zijn gemaakt door zusters. Zoals de waanzinnige graduale van Gisela von Kerssenbrock, de Codex Gisle genoemd, een schrift vol gregoriaanse gezangen die deze non rond 1300 maakte in het klooster Rulle in Osnabrück. Ze tekende er 53 grote initialen in, een uitzonderlijk hoog aantal voor zo’n boek, en elk initiaal is een bijna paginagroot schilderijtje op zich, vol sierlijke decoraties, verhaal, kleur en bladgoud. Hier en daar zie je dat ze haar eigen kloosterzusters ertussen heeft verbeeld.
Dat ontbreekt helaas in de verbeeldingen van vandaag: zusters die geweldige kunstenaars zijn, geleerd en belezen. Terwijl het aannemelijk is dat een deel van de vrouwen die vroeger koos voor het nonnenleven, dat deed om de enige kans aan te grijpen om te kunnen studeren. Kloosters waren de sterren aan de hemel van de donkere middeleeuwen, schreef kunsthistoricus Ernst Gombrich. Daar werd de kennis uit de oudheid en zelfs uit andere culturen bewaard en doorgegeven door monniken. En door nonnen. Voor vrouwen was er feitelijk geen andere optie om zich intellectueel te ontwikkelen, tenzij je tot de allerhoogste klasse behoorde.
En soms kijken we die vrouwen recht aan. Er is een zelfportret van een non uit de 12de eeuw. De non en kunstenaar genaamd Guda uit Frankfurt schilderde zichzelf in een initiaal in het homiliarium van St Bartholomeus, een geschrift met preken. Rank en lang, met een witte pij, een groene hoofddoek en rode wangen, zette ze er ook nog haar naam bij: ‘Guda, een zondares, schreef en illustreerde dit boek.’ Als graffiti op een schutting.
Wie benieuwd is naar het saaie, teruggetrokken en ambachtelijke kloosterleven dat in onze stressmaatschappij ineens aantrekkelijk is geworden, kan een inkijkje vinden in de roman Matrix (2021) van Lauren Groff.
Matrix volgt het leven van Marie de France, een buitenechtelijke dochter van koning Lodewijk VII in de 12de eeuw. Marie wordt beschouwd als te lelijk en te lomp voor een leven aan het hof, en wordt opgesloten in een armlastig klooster in Engeland. Daar maakt de 17-jarige snel carrière als priores. Ze blijkt een leider: ze verenigt de nonnen, verbetert hun productie en kennis, voorkomt ziekte en honger en eist als de kruisvaarder die ze eigenlijk wilde zijn land terug dat de lagere adel het klooster had ontnomen. Een bloeiende mini-economie ontstaat, en in poëtische taal volgen we de vriendschap, strijd, relaties en verlangens van de steeds machtiger wordende Marie en de vrouwen om haar heen.
Als Groff schrijft over de routine van de gebedsstonden en de ambachtelijke arbeid om eten, medicijnen en kleding zeker te stellen, trekt ze je vol de nuncore-energie in. Dit leven! Een leven met tijd, aandacht, handen in de aarde, eenvoudig werken in een kalm ritme. Oké, er sterven nonnen door de simpelste dingen – van een schimmel op het gewas tot een rattenbeet en brand. Maar hier wordt op een knop gedrukt voor wie het gehad heeft met de hyperkapitalistische prikkelhysterie van het moderne leven.
Zou dat zijn wat Rosalía wil uitdragen? Een verlangen naar een autonoom en eenvoudig leven, afgeschermd en in zusterschap? Misschien. Maar bij haar versie gaat het wel om nog iets meer.
Rosalía geeft de popculturele non haar spiritualiteit terug. Dat zit ’m in de combinatie met de muziek. In het nummer Berghain – opmerkelijk genoeg een verwijzing naar de legendarische nachtclub in Berlijn – brengt ze een ode aan Hildegard von Bingen, een Duitse 12de-eeuwse mysticus, componiste, filosoof en non. Hiermee maakt Rosalía duidelijk dat het haar ook om religie gaat. Een verlangen naar transcendentie, naar overgave aan iets hogers en groters dan jezelf, en naar de weg daarnaartoe: bidden, zingen, afzondering, spirituele visioenen.
Al doet ze dat wel op een postmoderne manier. Er wordt geknipt en geplakt uit geschiedenis, stijlen en meerdere religies. Zonder de eenduidigheid die bij de keuze voor een kloosterleven past. Maar Rosalía maakte daarmee wel iets wat velen als een magistraal album beschouwen. Het is een flirt, ze droomt van een spirituele utopie en een andere rol. Maar wel een die nieuwsgierig maakt naar de voordelen van het kloosterleven.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant