Vluchtelingencrisis Geïmproviseerde vluchtelingenkampen zijn een permanent, juridisch uitgekleed grensdetentiesysteem aan het worden, ziet Romy van Baarsen. Met technologie die rechten uitholt en met instituties die verantwoordelijkheid ontkennen.
Een vluchtelingenkamp op het eiland Samos in Griekenland.
In het vluchtelingenkamp op Samos bouwen mensen kleine hutjes van alles wat ze kunnen vinden. Niet alleen om in te wonen, maar ook om bedrijfjes te beginnen. Ik zit op een geïmproviseerde kappersstoel en krijg een ware knipbeurt van Mohammed. Na afloop wijst hij het geld dat ik hem wil geven zo vaak af dat het uiteindelijk weer in mijn eigen broekzak belandt.
Romy van Baarsen is onderzoeksjournalist gespecialiseerd in migratie en Europees grensbeleid. Ze schrijft nu als journalist-in-residence aan het NIAS een boek over de normalisering van grensgeweld en de druk die dit legt op de rechtsstaat.
Naast barbershops zijn er zelfgemaakte kerkjes, sportschooltjes, kinderschooltjes, moskeeën en kleine kruidenierszaakjes. Op een zonnige dag lijkt het bijna op een dorp. Je zou bijna vergeten dat mensen ’s nachts in plastic flesjes water plassen omdat ze niet naar buiten durven, uren in de rij staan voor water, tussen ratten en slangen wonen, en dat hun matras, wanneer die is natgeregend, meestal niet op tijd droogt voor het slapengaan.
Terwijl ik daar ben in 2021, wordt het eerste door Europa gefinancierde kamp geopend. Er is beloofd dat deze plek beter zou zijn: metalen isoboxen, met eigen keukentje en douche. Toch heerst er in de weken voor de verhuizing onrust. Niemand weet of dit nieuwe kamp gesloten zal zijn. Op de poort staat „closed centre”, er staan hekken met prikkeldraad en stalen deuren die alleen opengaan met een vingerprintscan. „Mogen wij straks nog wel naar buiten?” vraagt bijna iedereen. Er is geen informatie; zelfs hulpverleners weten het niet.
Weinig mensen realiseren zich dat deze kampen óók een vorm van grensgeweld zijn. Het leven er is verre van normaal: je wordt gecontroleerd zodra je naar binnen gaat en leeft met de angst dat de poort op elk moment dicht kan blijven. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens COVID, en met de asielstop die afgelopen zomer drie maanden duurde. Steeds vaker worden deze plekken bovendien ver buiten ons zicht gebouwd. Hulporganisaties krijgen minder toegang, waardoor ook de ogen en oren van de buitenwereld verdwijnen.
Tijdens de zogenoemde vluchtelingencrisis – een crisis die volgens academici vooral het gevolg was van falend Europees beleid – werden deze plekken nog gepresenteerd als tijdelijke noodmaatregelen. Ze riepen verzet op, juist omdat ze deden denken aan een verleden waarvan we dachten afscheid te hebben genomen. Maar tien jaar later is het tegenovergestelde gebeurd: de uitzondering ís het systeem geworden.
De ontwikkeling die ik in 2021 op Samos waarnam, is inmiddels verankerd in Europees beleid. Het nieuwe Migratiepact maakt gesloten opvangcentra niet kleiner of menselijker, maar juist tot het startpunt van de asielprocedure. Een groot deel van de mensen die Europa bereikt, moet voortaan eerst naar zogeheten pre-entry zones: afgesloten grenslocaties waar toegang tot het asielstelsel pas volgt na weken of maanden screening.
In deze zones bevinden mensen zich juridisch in een vacuüm: niet echt binnen Europa, maar ook niet erbuiten. Precies in die ruimte verdwijnen rechtswaarborgen, terwijl feitelijke vrijheidsbeperking blijft bestaan. Het pact noemt deze centra geen detentie, maar ze functioneren er wel naar: wie vrij zou mogen reizen, blijft niet achter hekken, onder toezicht en met beperkte bewegingsvrijheid. Officieel kunnen die vasthoudtijden oplopen tot 24 weken. Maar omdat grenslanden nu al niet genoeg capaciteit hebben om procedures tijdig af te handelen, verwachten experts dat mensen er veel langer zullen vastzitten.
Juist daarom wordt het pact vaak vergeleken met de EU-Turkije-deal: ook toen werd beloofd dat de opvang kort zou zijn, dat er een verdeelsleutel zou komen en dat Turkije mensen zou terugnemen. In werkelijkheid gebeurde dat nauwelijks, waardoor de kampen op de Griekse eilanden overvol raakten en het uitblijven van oplossingen leidde tot steeds hardere grenspraktijken, van pushbacks tot openlijk geweld.
Grensbeheer klinkt neutraal, maar is dat zelden. In november vond in Amsterdam de International Border Management Conference plaats, met delegaties uit de hele wereld: kustwachters, beleidsmakers, veiligheidsdiensten. Een wereld die spreekt over controle zonder het menselijk leed te benoemen. Alsof het erkennen van pijn iets zou openbreken wat niet meer terug te draaien is.
Vol trots werd de achtste editie van dit evenement geopend door onze eigen minister van Asiel en Migratie. Geen krant die erover schreef. En dat terwijl de organisatie achter deze conferentie, het International Centre for Migration Policy Development (ICMPD), surveillancesoftware aan Marokko levert die data uit elke smartphone kan halen. Best schokkend in een land waar activisten en journalisten worden vervolgd nadat hun telefoons zijn gehackt. Datzelfde ICMPD hield in Bosnië toezicht op de bouw van het kamp in Lipa, door hulpverleners omschreven als een ‘Oostenrijkse Guantánamo’: hoog hekwerk, camera’s op elke hoek, cellen met tralies en nauwelijks daglicht.
Steeds weer verbaast het me hoe weinig we weten over de neveneffecten van deze technologie. Veel van de surveillancesystemen die aan Europese grenzen worden ingezet, worden ontwikkeld door Israëlische defensiebedrijven en zijn ‘battle-tested’ op Palestijnen – zoals de drones van Frontex en sensortechnologie die in verschillende EU-grensprojecten worden gebruikt.
Toen ik in 2023 in Athene met iemand van de Griekse kustwacht sprak over mijn zelfbenoemde missie – om zichtbaar te maken wat er schuilgaat achter grensbeheer – zei hij dat het iets nobels had. „Het is als de mythe van de Hydra. Hak je één hoofd eraf, dan komen er twee terug.” Destijds begreep ik die uitspraak maar half.
Maar hoe langer ik met dit onderwerp bezig ben, hoe duidelijker ik zie wat hij bedoelde: in dit systeem verdwijnen misstanden niet wanneer ze worden blootgelegd, ze veranderen van gedaante.
In mijn laatste interview met de directeur van het Europese grensagentschap Frontex, Hans Leijtens, begreep ik waarom. Volgens de Frontex-verordening moet het agentschap zich terugtrekken wanneer een lidstaat systematisch mensenrechten schendt. Die schendingen zijn aan de Griekse grens al jaren uitvoerig gedocumenteerd. Ik sprak zelf met mensen die tijdens mislukte sleepacties familieleden verloren, of zelf gewond raakten door het geweld van de Griekse kustwacht. Steeds vaker wordt er op zee geschoten om boten weg te jagen.
Toch blijft Frontex de operaties mede financieren die dat mogelijk maken. „Ik moet ervan uitgaan dat de lidstaat de ‘revolver in place’ heeft” zei Leijtens. „Ik ben niet degene die dat toetst. Dat is de Commissie.” Met andere woorden: zolang Brussel geen officieel oordeel uitspreekt, moet Frontex aannemen dat alles in orde is. Het pistool ligt geladen op tafel, maar iedereen doet alsof het veilig is opgeborgen. Want zodra één schakel toegeeft dat dat níét zo is, valt het kaartenhuis om.
Toen ik zei dat ik nog altijd naar een oplossing zocht voor al dat menselijk leed, antwoordde Leijtens dat dat een te grote verantwoordelijkheid is voor één persoon. Het klonk bijna vaderlijk. En natuurlijk kan ik dat niet alleen; dat is ook helemaal niet de bedoeling. Ik moet ervan uitgaan dat we uiteindelijk, diep vanbinnen, hetzelfde willen. Dat het leed aan onze grenzen geen prijs is die Europa simpelweg bereid is te betalen, en dat ontmenselijking niet iets is waar we ons bij neerleggen. Misschien is dat mijn kaartenhuis.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU
Source: NRC