Het rommelt binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken: de conservatieven besloten vorige week tot een kerkscheuring met de ‘rekkelijken’. Die breuk past in een lange traditie van theologische scherpslijperij.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
‘Blijf van Kuyper af!’ ‘Nee, hij heeft jullie misleid.’ In de noordoosthoek van Friesland kon deze woordenwisseling zeventig jaar geleden nog culmineren in een handgemeen tussen schoolgaande jongens. Hun ouders waren vrijwel zonder uitzondering gereformeerd. Velen beriepen zich op de theologie van Abraham Kuyper (1837-1920), waarvan het leerstuk van ‘de veronderstelde wedergeboorte’ de kern vormde: de overtuiging dat een kind door de doop innerlijk wordt gereinigd. Voor andere ouders stond dat niet vast en daarover spraken zij indringend met hun kinderen. Die vochten vervolgens hun geloofsstrijd met de aanhangers van Kuyper uit langs de trekvaart tussen Kollum en Dokkum.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
In 1998 haalde Willem Verboom, een van de betrokken jongens, herinneringen op aan dit voorval tijdens de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, de orthodoxe vleugel van de voormalige Nederlandse Hervormde Kerk. Hij leek de vurigheid te missen waarmee het geloof in zijn jeugd werd beleden. ‘Gereformeerde theologie is tenslotte geen salontheologie, maar theologie die je met alle vezels van je bestaan beoefent.’ Zijn toehoorders – collega-predikanten – zullen het hebben beaamd. Elk van hen zal op enig moment wel betrokken zijn geweest bij de disputen, kerksplitsingen en vetes die zo kenmerkend zijn voor de protestantse orthodoxie.
De recente splitsing in de Christelijke Gereformeerde Kerken staat in een lange traditie. De inzet van het dispuut dat hieraan voorafging, doet nog betrekkelijk eigentijds aan: de rol van vrouwelijke ambtsdragers binnen dit kerkgenootschap. Voorgaande eeuwen werd in protestants Nederland over meer ongrijpbare thema’s geruzied – met name door de gereformeerden, die theologische duidelijkheid tot achter de komma verlangen.
Zo ontbrandde binnen de Gereformeerde Gemeenten, een afscheiding van de zogenoemde Ledeboerianen en van de Gereformeerde Kerken onder het Kruis, ooit een debat over de vraag of God zijn genade gunt aan iedereen die gelooft, of uitsluitend aan degenen die zich van hun eigen zondigheid bewust zijn. Ook de Psalmberijming van 1773 was een bron van onmin: behoudende gereformeerden waren onwankelbaar in hun voorkeur voor de berijming van Petrus Datheen, die uit de 16de eeuw stamt. Nog steeds zijn er zo’n dertig gereformeerde gemeenten die elke berijming ná Datheen als nieuwlichterij beschouwen.
Eenheid en protestantisme zijn onverenigbare begrippen. In 1816 werd de Nederlands Hervormde Kerk gesticht als ‘staatskerk’ van het Koninkrijk der Nederlanden, maar die werd door veel gemeenten te centralistisch en te vrijzinnig geacht. Vele afscheidingen van kerkgenootschappen die terug wilden keren naar de kerkorde van de Synode van Dordt (1618-19) waren daarvan het gevolg, en voor veel van die kerkgenootschappen gold: hoe kleiner ze waren, hoe dichter ze bij God meenden te staan.
Hun rechtzinnigheid uitte zich in raadselachtige discussies, bijvoorbeeld over de vraag of de slang in het Bijbelboek Genesis daadwerkelijk, ‘zintuigelijk’, of slechts overdrachtelijk had gesproken. De onenigheid hierover leidde tot een breuk binnen de Gereformeerde Kerken en tot schisma’s binnen families. Immers: ‘Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.’
De meest curieuze afsplitsing werd in augustus 1944 geforceerd door dominee Klaas Schilder, die met de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland van mening verschilde over de veronderstelde wedergeboorte en andere dogma’s. Schilder was nota bene actief in het verzet tegen de nazi’s. Om in Den Haag te kunnen deelnemen aan de synode waar het dispuut werd uitgevochten, moest hij zijn onderduikadres verlaten. Vroegen de tijdsomstandigheden dan niet om een andere agenda? Volgens Schilder, die in 1952 overleed, kon die vraag alleen maar door een niet-gelovige worden gesteld. Wat hem betreft, moesten kerkgangers juist in tijden van hoge nood weten waar zij aan toe waren.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant