Home

‘Elke kunstenaar wilde naar Parijs, ik ging ook’

Pauline Macris-Eecen is 100 jaar. Ze verhuisde al jong naar Parijs en werd leerling van de beroemde beeldhouwer Ossip Zadkine.

Pauline Macris-Eecen is een verborgen parel, verscholen tussen de heuvels ten zuiden van Parijs, in een streek van kastelen, herten en wilde zwijnen. De 100-jarige beeldend kunstenaar was in de jaren vijftig een aanstormend talent, haar werk was veelvuldig te zien op exposities, van het Stedelijk Museum in Amsterdam tot Park Sonsbeek in Arnhem. Ze behoorde ‘tot de jonge generatie beeldhouwers die grote verwachtingen voor de toekomst wettigen’, viel in juni 1956 te lezen in dagblad De Waarheid. In dat jaar leefde ze al een kunstenaarsleven in Parijs, waar ze als 27-jarige de kans had gekregen in de leer te gaan bij de beroemde Franse beeldhouwer Ossip Zadkine. Een aantal van haar werken behoort tot de vaste collectie van het Kranenburgh Museum in Bergen, het kunstenaarsdorp waar ze een groot deel van haar jeugd doorbracht.

Macris-Eecen leeft te midden van haar beelden en de schilderijen van haar man, met zorg aan huis, in het land dat haar tweede vaderland is geworden en waar haar kinderen zijn opgegroeid. Langs het paadje naar de ingang van haar woning staat een van haar meest expressieve kunstwerken, een betonnen afgietsel van Flora, een vrouw die met uitbundige, gestrekte armen naar de hemel reikt, genietend van zon en vrijheid. Ze maakte het beeld in de naoorlogse jaren van schaarste, waarin beton een beschikbare en betaalbare optie was voor beeldhouwers. Flora staat in brons in het Kranenburgh Museum, waar ze nu het dankbare decor is van selfie makende bezoekers.

Bijzondere achternamen draagt u.

‘Eecen is mijn meisjesnaam. Mijn vader heeft ooit de herkomst uitgezocht. Eecen is een verbastering van Eriksson, van voorouders die uit Zweden of Noorwegen kwamen.

‘Macris is de achternaam van mijn man Constantin, en betekent ‘groot’ in het Grieks. Zijn ouders kwamen van het Griekse eiland Kefalonia. Ze waren verliefd en wilden trouwen, maar hun relatie stuitte op bezwaren van haar familie. Maria was van adel en Georges was een eenvoudige visser. Ze besloten te vluchten en zijn ’s nachts op een bootje naar het dichtstbijzijnde eiland Ithaka gevaren, en vandaar naar Corfu, waar een oom van Maria woonde. Die zei dat ze twee opties hadden: hun liefde opgeven en naar huis terugkeren, of nog veel verder weggaan. Ze kozen voor Egypte, en gingen in Alexandrië wonen, waar mijn man is geboren. Al jong begon hij met tekenen en schilderen, volgde de kunstacademie in Caïro en droomde ervan om naar Parijs te gaan. Hij moest tien jaar blijven dromen, want de Tweede Wereldoorlog brak uit.

‘Onder de Engelsen vocht hij tegen de troepen van de Duitse generaal Erwin Rommel in Noord-Afrika. Hij legde een paar duizend kilometers af door de woestijn, voordat hij na de bevrijding de oversteek maakte naar Italië. In Parijs ging hij in de leer bij de Franse schilder Fernand Léger.’

Hoe heeft u elkaar ontmoet?

‘Begin jaren vijftig stapte ik per ongeluk Costa’s atelier binnen, waar hij aan het schilderen was. Hij vroeg mij meteen uit eten, maar ik hield de boot af en zei dat ik naar Nederland moest. Een tijd later liepen we elkaar weer tegen het lijf. We zijn getrouwd in het stadhuis in Bergen.’

Uw huwelijk haalde de krant. De Telegraaf schreef zelfs waar de ‘Nederlandse beeldhouwster’ en de Griekse kunstenaar in Parijs gingen wonen.

‘Oja? We woonden en werkten een paar jaar in Bergen, voordat we terugkeerden naar Parijs, waar we een kamer vonden aan de Rue Delambre in Montparnasse.’

Hoe was u eerder in Parijs verzeild geraakt?

‘Na de oorlog ging ik naar Bath, in Engeland, waar ik een kunstopleiding volgde. Bij terugkeer heb ik een paar jaar een atelier gehad op het Rapenburg in Amsterdam. Er stond een beeld van een paard met een ruiter, van de vorige kunstenaar die er had gewerkt, Paul Koning. Dat moest er eerst uit voordat ik erin kon. Het was zo groot, dat er een muur uitgebroken moest worden.

‘Ik hoorde dat je je als leerling kon inschrijven bij een atelier van een kunstenaar in Parijs. Ik schreef Ossip Zadkine, die in Nederland bekend was van het beeld De verwoeste stad dat hij voor Rotterdam had gemaakt. Ik werd aangenomen en ben naar Parijs vertrokken. Mijn vader betaalde mijn kamertje aan de Rue Jacob in Saint- Germain-des-Prés.’

Bijzonder voor die tijd, om als vrouw alleen in Parijs te gaan wonen en werken.

‘In de sferen waarin ik verkeerde, was dat heel normaal. Elke kunstenaar wilde naar Parijs. Het atelier waar ik onder leiding van Zadkine mocht werken, was in de Académie de la Grande Chaumière. Met nog negen jonge kunstenaars uit verschillende landen stond ik in een kring om een model. Je begon met een geraamte maken van ijzerdraad. Het was mooi om te zien dat iedereen zijn eigen manier had om zich uit te drukken. Aan het eind van de week kwam Zadkine het resultaat bekijken. Dan liep hij met de hele groep langs ons werk en vertelde bij elk beeld wat er wel en niet goed aan was. Van zo’n grote artiest leer je veel. Hij was een vrij kleine, vriendelijke man.’

Na de geboorte van uw twee kinderen, werd het stiller rond u en uw werk.

‘Met twee kleine kinderen heb je minder tijd. Het was fijn dat we naar dit huis op het platteland waren verhuisd, met voor Costa en mij een eigen atelier. Hij was dicht bij Parijs, zodat we tentoonstellingen en concerten konden blijven bezoeken. Hier ben ik vooral portretten gaan boetseren, in opdracht, vaak van kinderen. Het kind mocht hier in huis spelen, af en toe vroeg ik: ‘Kun je even je hoofd stil houden?’’

Bent u in een artistiek milieu opgegroeid?

‘Mijn moeder speelde piano en kon heel mooi zingen. Er klonk vaak muziek in huis. Van Amsterdam zijn we naar Oudkarspel en daarna naar Bergen verhuisd. Mijn vader was directeur van een Noord-Hollandse brandverzekeringsmaatschappij. Hij was sportief, een fervent hardschaatser en zwemmer. In Bergen woonden we in een groot huis aan de Eeuwigelaan, met een dak van leistenen. Als gezin waren we vaak aan zee. Ik herinner mij ook de dorptochten die we in de winter maakten, schaatsend over slootjes naar Sint Pancras en Broek op Langedijk.

‘In Bergen woonden veel kunstenaars, er waren vaak tentoonstellingen waar we naartoe gingen. Al jong tekende en boetseerde ik graag, ik maakte portretten van klei. Mijn ouders hadden een kennis die pottenbakker was, Dirk Hubers. Ik denk dat ik door hem klei heb ontdekt.

‘In het begin van de oorlog hebben Duitse soldaten ons huis geconfisqueerd, we vertrokken naar Amsterdam, waar we een flat konden huren tegenover mijn grootmoeder. Ik deed examen op het Barlaeus Gymnasium. Zodra Nederland was bevrijd, ben ik met mijn zus naar Bergen gefietst, met emmers en bezems, om ons huis schoon te maken. Alles was eruit gesloopt, ook al het houtwerk, zoals deuren en vensterbanken.

‘Na de oorlog stimuleerden mijn ouders mij iets te gaan doen met mijn artistieke talent. Bergen had een stedenband met het Engelse Bath, we kenden iemand die daar studeerde en zo ontstond het idee om daar naar de School of Arts te gaan.’

Hoe was de band met uw ouders, broers en zussen?

‘Goed. We waren met vijf kinderen. Met mijn 1,5 jaar oudere zus Birgit was ik dik bevriend, we deden alles samen. Ze werd gynaecoloog en hielp mij bij de bevalling van mijn twee kinderen. Mijn jongste broer Rens was gehandicapt geraakt doordat er iets verkeerd was gegaan bij de inenting tegen pokken, waardoor hij meningitis opliep. Hij is altijd in ons huis in Bergen blijven wonen, vanuit Frankrijk ging ik geregeld naar hem toe.

‘Mijn twee jaar jongere broer Gert was vliegenier. Begin jaren vijftig is hij bij een testvlucht boven de Waddeneilanden verongelukt, met zijn vliegtuig is hij in zee gestort. Hij was nog maar 25 jaar en zo’n sportieve, mooie jongen. Mijn ouders waren diep ongelukkig, ze zijn niet lang daarna uit elkaar gegaan. Daar wil ik het verder niet over hebben.’

Wat is een van de dierbaarste werken die u heeft gemaakt?

‘Ik denk De VluchtelingCelle qui fuit. Het beeld staat in de tuin van Museum Kranenburgh. Er zit een verhaal in en het heeft nog steeds zeggingskracht, want ook nu zijn er veel mensen op de vlucht. Toen de Duitsers ons uit ons huis in Bergen verjoegen, was ik zelf een vluchtende vrouw.’

Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?

‘Aan de jaren dat ik een atelier had op het Rapenburg in Amsterdam. Daar heb ik Flora gemaakt. Ik had veel leuke vrienden onder andere jonge kunstenaars. We wilden na de oorlogsjaren iets moois van ons leven maken en genoten van de vrijheid. Deze contacten raakte ik kwijt toen ik in Frankrijk ging wonen.

‘Ik kan met weemoed terugdenken aan Amsterdam en Bergen, maar hier voel ik mij ook thuis. Ik luister veel naar klassieke muziek, kijk documentaires en lees poëzie. Met Vasalis voel ik een diepe zielsverwantschap. Haar gedicht Ochtend is zo compact als een beeldhouwwerk:

Zo kalm als op een vlot van helderheid
en rust, gelegen op mijn rug
dreef ik de ochtend in, het ochtendlicht
land, lucht en water waren één, en zonder dat
er van hun eigenheid maar iets verloren ging.

Pauline Macris-Eecen

geboren: 1 februari 1925 in Amsterdam

woont: in een dorp nabij Parijs

familie: twee kinderen, een kleinkind

beroep: beeldend kunstenaar

weduwe sinds 1984

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next