Geliefd als vredesduif en gehaat als ‘vliegende rat’: de stadsduif heeft een gespleten imago en lijkt niemand te interesseren. Terwijl er volgens kenners genoeg over te vertellen is. ‘Nauwelijks te bevatten dat duiven feilloos hun nest op duizenden kilometers afstand weten te vinden.’
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
We staan nog geen minuut in de gemeentelijke stadsduiventil midden in het oude centrum van Gouda, of medewerker Monique Borst heeft een pechvogel te pakken. Een volwassen stadsduif, prima in de veren, maar zie die pootjes: er zit een kluwen van flinterdunne draden omheen gewikkeld, de beide pootjes zijn zelfs aan elkaar gebonden; de duif leidt een geboeid bestaan.
Een ‘draadvoet’, leggen Borst en haar collega Corina Kerkmans uit, ook wel bekend als ‘stringfoot’ of ‘draadpoot’ genoemd. Het draad is meestal lang mensenhaar (maar soms ook dun touw of kunststof materiaal), dat zich om de poten wikkelt wanneer de stadsvogel rondjes draait tijdens het pikken naar voedsel op straat – elke stadsbewoner die op een marktplein weleens naar de duiven kijkt, kent dat beeld.
Het fenomeen leidt vaak tot ellendige bijeffecten: het haar knelt de tenen af, waardoor infecties ontstaan en delen van de voet soms afsterven. Soms leiden de complicaties tot de dood van de vogel. Het doet zich vooral voor in oude binnensteden, plekken waar veel vervuiling is en waar relatief veel kapperszaken zitten waar klanten ongemerkt nogal eens wat mensenharen mee naar buiten slepen.
Ook de duif in de Goudse til heeft duidelijk last. ‘Zijn pootjes voelen warm’, constateert Borst. Dat duidt op pijn en mogelijk ontsteking. Toch heeft de vogel geluk: de twee vrijwilligers steken met een eenvoudig tornmesje de kluwen haar, stof en vuil door en verwijderen die; pootjes en tenen zijn nog heel.
De duiventil van Gouda is niet meer dan een veredelde container op het dak van een opslagruimte, recht tegenover de Agnietenkapel en pal tussen twee kledingzaken in het centrum van de stad. In een wand aan de voorzijde zitten acht invlieggaten, waaruit een soort kachelpijp uitsteekt.
Het zijn de toegangspoorten van een til die een deel van de ruim zeshonderd stadsduiven uit het centrum onderdak moet bieden, plus gezondere voeding dan de resten patat en Goudse stroopwafels waarvan de stadsduif het vaak moet hebben. Zo worden ze weerbaarder tegen ziekten, is het idee. Bijkomend voordeel is dat de populatie zo ‘beheerd’ kan worden. Wanneer duiven in de til tot broeden komen, vervangen de vrijwilligers hun eitjes in een vroeg stadium voor kalkeieren. Dat zijn er zo’n 350 à 400 per jaar. Om de hele duivenpopulatie op te vangen, zou in Gouda eigenlijk een tweede til moeten komen.
Zonder dat de duiven het weten, zijn ze ook deel van wetenschappelijk onderzoek. Wekelijks komt een student diergeneeskunde hun ontlasting opscheppen voor laboratoriumonderzoek, onder meer op de aanwezigheid van ziektekiemen.
Geestelijk moeder van dit onderzoek is Vivian Goerlich, gedragsbioloog bij de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Haar wetenschappelijke belangstelling voor stadsduiven ontstond eerder deze eeuw, toen zij promotieonderzoek deed naar een opmerkelijke eigenschap van de stadsduif: het geslacht van de jongen hangt mede af van de omstandigheden en de conditie van het vrouwtje.
Uit Goerlichs proefschrift uit 2009: ‘In tegenstelling tot bij zoogdieren hebben bij vogels niet de mannetjes maar de vrouwtjes twee verschillende geslachtschromosomen. Vrouwtjes produceren eicellen met een Z- of een W-chromosoom en mannetjes zaadcellen met een Z-chromosoom. Deze genetische omstandigheden geven de vogelmoeder de mogelijkheid het geslacht van het embryo al voor de eigenlijke bevruchting van de eicel te bepalen.’
Duiven leggen bij elk broedsel twee eieren. Het eerste (voorjaars)legsel bevat altijd twee mannelijke embryo’s. Gaan vrouwtjes – bijvoorbeeld door verhoogde aanmaak van stresshormonen – in conditie achteruit, dan bevatten die eerste eieren meer vrouwelijke embryo’s.
Vermoedelijk vergen mannetjes meer energie, want ze zijn wat groter en ze moeten van goede conditie zijn om een nestplek te kunnen verdedigen en een vrouwtje aan te trekken. Een zoon van een moederduif in goede conditie en geboren aan het begin van het jaar heeft meer kans zich datzelfde jaar nog voort te planten.
Het was maar een van de opmerkelijke kwaliteiten van de stadsduif, leerde Goerlich later. Net als de ongekende navigatievermogens van de duif – niet voor niets liet de mens er ooit zijn post door bezorgen en houdt die nog steeds snelheidswedstrijden met duiven. Goerlich: ‘Het is nog steeds nauwelijks te bevatten dat duiven feilloos hun nest op duizenden kilometers afstand weten te vinden.’
Dat de vogels monogaam zijn en hun jongen voeren met kropmelk, waardoor ze voor eiwit niet afhankelijk zijn van insecten, maakt ze ook al bijzonder. Alleen flamingo’s en pinguïns delen die laatste eigenschap. Stadsduiven zijn ook nog eens ijzersterk: waar vogelgriep wereldwijd vooral huishoudt onder vogels, lijken duiven nauwelijks vatbaar voor het virus. Allemaal factoren die Goerlichs liefde voor de stadsduif verdiepte.
Natuurlijk kent ook zij de overlast die sommigen van duiven ondervinden. Duivenpoep is zuur door de ammoniak en kan de gevels van oude gebouwen en de behuizing van auto’s aantasten. Die zuurtegraad is overigens te wijten aan verkeerd voedsel als afval en patat: voer van peulen en zaden maakt de ontlasting minder zuur.
Hoe kwam die stadsduif onze steden in? Met de Romeinen mee. Als afstammeling van de rotsduif, die rond de Middellandse Zee leeft op klifgebergten, waren duiventillen vol gedomesticeerde vogels de levende voedselvoorraad op Romeinse legerkampen. Natuurlijk ontsnapten er weleens duiven; die wisten zich in het wild prima te handhaven.
De duiven op de Dam en andere pleinen in grote steden zijn nog altijd verre afstammelingen van die Romeinse duiven. De populatie wordt ook wel ververst door ontsnapte of verdwaalde postduiven en sierduiven, maar ook dat zijn gekweekte varianten van de rotsduif. Sommige zijn verstoten door de duivenhouder omdat de vogel niet voldoende presteert als wedstrijdduif (een tak van sport waarin grote bedragen omgaan).
Al vele eeuwen lang is het oude stadscentrum een gedekte tafel voor dolende zielen: eetbaar zwerfafval ligt er voor het oprapen. Sinds ook roofvogels als slechtvalken en haviken de stad hebben ontdekt als paradijs, staat de stadsduif standaard op hun menu; één zo’n vleesrijke vogel (zijn vliegvermogen verraadt relatief veel spierweefsel) vangen is stukken efficiënter dan driemaal daags een musje of merel zien te pakken.
Intussen heeft die stadsduif een zeer gespleten imago. Aan de ene kant is er de bekende vredesduif, die op trouwerijen (en door het Vaticaan) geregeld wordt losgelaten – om later als stadsduif te worden verguisd als ‘vliegende rat’ die onze heilige koeien (auto’s) onder schijt.
Dat imago berust op misverstanden, zeggen zowel Goerlich als de medewerkers van de Goudse til. Stadsduiven zijn geen uitgesproken ziekteverspreiders, zo leert onderzoek. Ze zijn ook niet ‘viezer’ dan andere vogels (Goerlich: ‘Veel hondenbezitters laten zich door hun hond op handen of in het gezicht likken, dat is veel gevaarlijker’). Door het straatleven, de afgeknelde of ontbrekende tenen en pootjes en soms wat wratachtige duivenpokken lijken ze enkel viezer en zieker dan veel andere vogels. Ook hebben sommige kringen van kalk rond hun ogen en snavel. Dat duidt op relatieve ouderdom. (Een duif kan zo’n 15 jaar oud worden, maar in de stad halen ze zelden meer dan 3 jaar.)
Ja, de duiven van Gouda kampen met paramyxo, een zeer besmettelijk virus dat tot neurologische aandoeningen leidt. Maar, zegt Corina Kerkmans: ‘We hebben de indruk dat de gezonde voeding die ze hier krijgen hun weerbaarheid verbetert, al houden sommige duiven na genezing wat verschijnselen.’ In hopeloze gevallen is doding de enige uitweg.
Productief zijn stadsduiven in elk geval. Bij voldoende voedselaanbod kunnen duiven bijna het hele jaar door broeden. Acht nesten per jaar is heel goed mogelijk, dat betekent zo’n zestien jongen per jaar in de stad, die natuurlijk niet allemaal overleven. Ze beginnen vaak al aan een nieuw nest terwijl in het oude nog jongen liggen.
Bij minder voedselaanbod blijven duiven gewoon doorbroeden, maar verhongeren hun jongen, zo leerde onderzoek. Het broeden neemt niet af.
In 2024 schreven Vivian Goerlich en haar collega Wouter Schaake een rapport over het gebruik van duiventillen als duurzame en diervriendelijke manier van populatiebeheer. Netten spannen, lange ijzeren pinnen of kunststoffen ‘roofvogels’ plaatsen zijn veelgebruikte maatregelen, evenals elektrische schokken, licht- en geluidsinstallaties, sterke geurstoffen of het inzetten van echte roofvogels.
Niet iedere methode blijkt even effectief, om maar te zwijgen van het aspect dierenwelzijn. Geurstoffen, neproofdieren en licht- en geluidsinstallaties werken helemaal niet: na enige tijd zijn de duiven eraan gewend en keren ze terug. Elektrische schokken, netten en pinnen zijn effectiever, maar veroorzaken ongemak of letsel bij de vogels.
‘De mens heeft een zorgplicht’, betoogt Goerlich, maar die mens laat de stadsduif vrijwel geheel aan haar lot over. Duiventillen als in Gouda – een buurtproject waar ook natuureducatie een rol speelt – zouden niet alleen leed, maar ook overlast kunnen beperken, denkt Goerlich. Daarnaast vormen ze dankbaar wetenschappelijk terrein: ‘In de tillen heb je toegang tot de dieren en hun eieren. Je kunt er hormoonmetingen uitvoeren, ontlasting onderzoeken en de duiven bekijken op parasieten, waardoor je ziekten kunt voorkomen. De dieren zelf krijgen er gezond voer en schoon water voor terug, plus een veilige nestplek. Daarom keren ze er ook steeds naar terug zodra ze zo’n til hebben ontdekt.’
Op die manier worden stadsduiven geen stadsduiven meer, maar ‘zwerfduiven’, zoals Goerlich ze liever betitelt, analoog aan zwerfhonden en -katten die volop worden opgevangen.
In die opvang wordt ook getest met geboortebeperking. Zoals in Gouda de eieren worden vervangen door nepexemplaren, wordt onder meer in Groningen en Heerlen geëxperimenteerd met maïskorrels waarin het anticonceptiemiddel R12 is verwerkt. Dat werkt volgens Goerlich wel, maar je bereikt er nooit alle duiven mee. ‘Het is ook nog onbekend wat de effecten op langere termijn zullen zijn voor de gezondheid van de vogels. En wat het middel in het milieu doet wanneer het daarin terechtkomt.’
Voor roofvogels die de betreffende duiven verschalken, lijken er geen gevolgen: hun lever breekt het middel af.
Jip Louwe Kooijmans, meetnetcoördinator bij vogelonderzoeksorganisatie Sovon is net als Goerlich gefascineerd door de stadsduif, maar ziet weinig heil in het vervangen van eieren door nepeieren. ‘In Amsterdam is het geprobeerd op het dak van de Bijenkorf, maar de conclusie was dat stadsduiven bestrijden nauwelijks resultaat oplevert. Dat is wat kort door de bocht, maar daar komt het wel op neer. Vanwege een eenvoudig basisprincipe: veel soorten, ook de duif, zijn volgend naar het landschap. Als een landschap niet ingrijpend verandert, blijft de draagkracht voor een populatie gelijk.’
Dat stadsduiven vooral in oude binnensteden zitten, is begrijpelijk, zegt Louwe Kooijmans. ‘Ze vinden er niet alleen nestruimte en voedsel, het ‘landschap’ van die stadskernen is eeuwenlang niet ingrijpend gewijzigd, omdat wij oude steden mooi vinden. In dat ‘landschap’ is ruimte voor een x aantal duiven. Als je ze bestrijdt, gaan er veel volwassen vogels dood, maar komen er ook sneller jongen en nieuwkomers van buiten de stad bij, omdat er ruimte is vrijgekomen. Dan heb je een populatie dus wel beheerst, maar je bestrijdt of decimeert die niet.’
Twee grote steden illustreren zijn betoog. Louwe Kooijmans mag graag verwijzen naar Barcelona. ‘Daar bleken na een telling zo’n zestigduizend duiven te leven. Het stadsbestuur besloot tien jaar lang tienduizend duiven per jaar te doden. In totaal dus honderdduizend duiven. Na tien jaar werd er opnieuw geteld: er bleken nog steeds zestigduizend duiven te leven.’
Dichter bij huis: ‘Het gemeentebestuur van Amsterdam vaardigde ferme bepalingen uit om de overlast van duiven in de stad aan te pakken. Dat was op 20 december 1557, vijf eeuwen geleden.’
Volgens Louwe Kooijmans zou er meer onderzoek gedaan mogen worden. Want van de 374 duivensoorten over de hele wereld is de stadsduif de meest verbreide, maar tegelijk is de ecologie en biologie van deze soort het minst onderzocht. ‘Financiering van onderzoek is moeilijk, de stadsduif lijkt niemand te interesseren.’ Terwijl er zoveel over te vertellen valt, volgens Louwe Kooijmans. ‘Ik zou er een boek over kunnen schrijven’, zegt hij.
In dat boek zou hij verhalen hoe de stadsduif van rotsduif transformeerde tot een genetisch op zichzelf staande soort, al is dat onder biologen voer voor discussie. Louwe Kooijmans: ‘De rotsduif is door domesticatie, eeuwenlang fokken en vermenging met ontsnapte sierduiven ook genetisch veranderd. Een deel van die verandering wordt weer ongedaan gemaakt wanneer die dieren weer in het wild komen te leven – dat zie je ook bij konijnen: ontsnapte of vrijgelaten zwarte konijnen krijgen al snel weer ‘natuurlijke’ grijsbruine nakomelingen.
‘De stadsduif wordt genetisch echter nooit meer helemaal een rotsduif. Een deel van de eigenschappen van de rotsduif is bij de stadsduif verloren gegaan. De grootte van de organen bijvoorbeeld blijft ongelijk. Rotsduiven hebben ook een wat slankere snavel dan de stadsduif. Daarmee is de stadsduif voor mij een toonbeeld van het antropoceen waarin we leven: onder invloed van de mens is een ‘nieuwe’ diersoort ontstaan.’
Genetisch ook interessant: de stadsduif heeft een zogeheten tropische broedcyclus. Waar veel vogels zijn aangewezen op het voorjaar om hun jongen met insecten en dus eiwit te voeren, produceert de zaadetende duif het hele jaar door eiwitrijke kropmelk, waarmee het hele jaar door jongen grootgebracht kunnen worden. Opmerkelijk genoeg volgt de (stads)duif met de cyclus van zijn rui wel de seizoenen. Die eigenschappen maken haar een sterke overlever.
En wisten we dat de stadsduif zichzelf bewust moet zijn van haar uiterlijk? ‘Ze blijken vaak een partner te kiezen die op henzelf lijkt. Een stadsduif met witte vleugelpunten paart eerder met een soortgenoot die ook zulke punten heeft.’ Waarom dat zou zijn? ‘De waarom-vraag is vaak moeilijk te beantwoorden in dieronderzoek’, zegt Louwe Kooijmans.
Is de stadsduif ook mooi? Louwe Kooijmans gaat een antwoord uit de weg. Dat blijft uiteraard ook altijd subjectief.
Vivian Goerlich van de Universiteit Utrecht vindt haar duiven in elk geval mooi: ‘Zoveel kleuren, in zoveel subtiele tinten, dat is echt prachtig.’ Ook in de duiventil van Gouda weten de medewerkers het antwoord wel. Monique Borst (ooit zelf duivenhoudster) herkent de vaste gasten aan hun kleur en patroon (Corina Kerkmans is zover nog niet). De twee wijzen naar een hoek van de til, waar twee duiven dicht tegen elkaar aan zitten. Borst: ‘Kijk nou naar die groene glans op die kraag, dat is toch schitterend?’
Het tweetal, vaste gasten in de til, is duidelijk een stel: ze lijken sprekend op elkaar. Tot broeden komen ze echter nooit. Geen haan die daarnaar kraait.
Niemand die het precies weet. Tellingen zijn moeilijk uit te voeren, omdat hun situatie per stad verschilt en onoverzichtelijk is. Bovendien worden populaties steeds aangelengd met ontsnapte duiven, gefokt door duivenhouders. Met veel slagen om de arm schatte Sovon het aantal broedpaartjes tussen 2013 en 2015 minstens tussen de tien- en twintigduizend. ‘Het aantal aanwezige individuen bedraagt een veelvoud.’
Tegelijk krimpt de populatie sinds het jaar 2000 licht. Sovon vermoedt dat binnensteden steeds netter worden, waardoor de duif minder voedsel vindt. Ook het bestrijden van duiven (in de stad Groningen werden ze weggevangen en werd een voederverbod ingesteld) heeft enig resultaat. Daarnaast neemt het aantal duivenmelkers gestaag af, waardoor minder duiven in de stad belanden. Ten slotte leidt de komst van roofvogels als slechtvalk en havik naar steden ook tot een daling in de aantallen stadsduiven.
Bron: Vogelatlas van Nederland, Sovon (2018)
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant