Home

Schrijver Kamel Daoud: ‘Literatuur laat zien wat men wil verzwijgen’

Kamel Daoud Nadat de Frans-Algerijnse schrijver de Prix Goncourt kreeg voor zijn roman Houris, werden zijn boeken in Algerije verboden. „Als een land zijn geschiedenis wil verdonkeremanen, dan neemt de waarheid zijn toevlucht tot de literatuur.”

Kamel Daoud

Bevlogen en welbespraakt is hij, zijn ogen boren zich voortdurend in de mijne. Pas na ruim een uur schuift hij zijn stoel wat achteruit. Sinds de Frans-Algerijnse schrijver Kamel Daoud (1970) vorig jaar de Prix Goncourt kreeg voor zijn indrukwekkende roman Houris, werden zijn boeken in Algerije verboden, werd hijzelf uitgescholden, bedreigd, aangeklaagd en verhuisde hij naar Frankrijk.

De vertelster van de bekroonde roman is de zesentwintigjarige Aube, die als meisje tijdens de Algerijnse burgeroorlog, in de jaren negentig, door fundamentalistische islamisten werd gekeeld. Ze sneden haar stembanden door, ze heeft het ternauwernood overleefd. Het litteken op haar hals heeft de vorm van een zeventien centimeter lange glimlach, ze ademt door een plastic buisje. Aube is het levende bewijs van die burgeroorlog, waarbij islamisten bloedbaden onder de bevolking aanrichtten. Het is een oorlog die in Algerije doodgezwegen moet worden; een wetsartikel, opgenomen voorin de roman, bepaalt dat iedereen die deze ‘nationale tragedie’ benoemt zal worden gestraft.

„Ik heb mijn vertelster Aube genoemd”, Frans voor ‘dageraad’, vertelt Daoud in de gele salon van uitgeverij Gallimard in Parijs, „omdat de terroristen vaak op dat moment van de dag opdoken om te doden. Het is net geen nacht meer en ook nog geen dag. Het is het ogenblik waarop roofdieren aanvallen. Aube is zelf niet helemaal dood en ook niet echt levend.”

In Houris laat Daoud zijn vertelster spreken tot haar nog ongeboren kind. Het is een innerlijke monoloog, waarin ze zich afvraagt of ze haar kind, waarvan ze vermoedt dat het een meisje is, wel op de wereld wil zetten. Wat heeft een meisje te zoeken in een land waar vrouwen worden onderdrukt, geslagen, gedood? Ze heeft de pillen al klaarliggen.

Kamel Daoud: Houris. (Houris) Vert. Reintje Ghoos. Ambo Anthos, 327 blz. €24,99

De vertelster spreekt haar ongeboren dochter met ‘Lieve Houri’ aan. Houris is de titel van uw roman. U gebruikt het woord op twee verschillende manieren.

„Jihadisten wordt tweeënzeventig maagden, ‘houris’, beloofd in het paradijs. Religieuze metaliteratuur uit de twaalfde eeuw bepaalde dat seksualiteit van plek moest verschuiven. In plaats van tijdens je leven te verlangen naar vrouwen, hun schoonheid te bewonderen, hen te beminnen, moest je wachten tot na je dood. Op aarde zijn vrouwen monsters die je achter een sluier moet begraven. De islamisten hebben het woord ‘houri’ gestolen. Ik wilde me die term weer toeëigenen. Ik ben schrijver, de woorden behoren mij toe. Dus ik laat Aube het woord gebruiken als liefkozing, een mix van tederheid, schoonheid en verzet.”

Op het lichaam van Aube valt de geschiedenis niet uit te wissen, schrijft u. Al vanaf Moussa of de dood van een Arabier (2013) keert u zich tegen het uitvlakken van ongewenste stemmen.

„Literatuur laat zien wat men wil verzwijgen. Als een land, een volk, een persoon, zijn geschiedenis wil verdonkeremanen, dan neemt de waarheid zijn toevlucht tot de literatuur. Dan is de roman de enige plek waar je het lijden en de pijn kunt laten zien. Voor mij zijn schrijverschap, literatuur en het begrip ‘uitwissen’ met elkaar verbonden. De vrijheid van de schrijver is fundamenteel. Als je de schrijver zijn vrijheid ontneemt, dan geef je ook die van de burger, van de lezer op. Een dictator probeert dingen uit te wissen. Een kunstenaar, een schrijver, probeert die te behouden, er rekenschap van te geven. Dat geldt voor mij des te meer, omdat ik uit een land kom waar er een wet voor uitwissen is. Er is een wet die ons verbiedt te spreken. Ik mag niet zeggen wat ik heb meegemaakt.”

Schrijven is het enige effectieve middel tegen de dood, schreef u in uw roman Zabor, het is de enige manier om terug te gaan in de tijd, die te herstellen of te controleren.

„Zo is het precies. Lees Shakespeare, de Perzische dichter Omar Khayyam of Borges. Als ik Borges lees kan ik precies samenvallen met de emotie die hij voelde toen hij naar een bloem keek. Dat is literatuur. Het is de enige manier om het feit dat alles verdwijnt te overwinnen.”

Uw vertelster Aube is verminkt tijdens een aanval van islamisten op  het dorp Had Chekala, eind jaren negentig. In uw roman gaat ze naar dat dorp terug. U heeft als journalist verslag gedaan van het bloedbad.

„Het is het dorp van mijn moeder. Ik overnachtte op de redactie en werd midden in de nacht gebeld. Ik kende veel mensen in dat dorp. Ik spreek Arabisch, ben niet in de stad opgegroeid, zoals de meeste journalisten in Algiers. De burgeroorlog begon grosso modo in 1990. Eerst werden politieagenten vermoord, daarna militairen, vervolgens schrijvers en journalisten. Rond 1997 kregen de islamisten door dat ze politiek niet zouden winnen en begonnen ze met een serie strafexpedities. Ze vernietigden alles. In de dorpen was de bevolking eerst op hun hand geweest, ze hadden hen van eten en drinken voorzien. Toen de mensen in de dorpen in de gaten kregen dat ze geen plan hadden voor een betere toekomst, kozen ze de kant van de staat. Daarna hebben de islamisten hen gestraft.”

Als ze teruggaat naar haar geboortedorp komt Aube terecht in een nachtmerrie, ze ziet overal afgesneden ezelskoppen op straat. In deze ‘ezelkwestie’ wordt een imam ervan beschuldigd ezelvlees te verkopen in plaats van schapenvlees.

„Dat hele verhaal is waar. Het is waanzin. In dictaturen en totalitaire regimes kunnen dit soort futiele zaken alles op scherp zetten. Het is  surrealisme, absurdisme ten top. In Algerije is er iedere zomer wel zo’n polemiek die de pers en de sociale media bezighoudt. Ik kan je duizenden artikelen sturen over de vraag of je ezelvlees mag eten of niet. Hoe het nu in die dorpen gaat? Dorpsbewoners zijn hard en veerkrachtig. Ze weten dat de ene tiran zal vallen en dat er dan weer een nieuwe komt.”

Met deze roman heeft u de wet overtreden, die bepaalt dat niemand ‘de wonden van de nationale tragedie’ – de burgeroorlog – mag openrijten. Het heeft uw leven veranderd.

„Een collega belde me na verschijning van mijn roman woedend op: waarom had ik niet over de ‘echte’ oorlog geschreven, de onafhankelijkheidsoorlog tegen Frankrijk? 200.000 doden, antwoordde ik, zijn dat geen echte doden? De islamisten verwijten me dat ik over hen schrijf, het regime verwijt me dat ik in het Frans schrijf en bovendien een grote Franse prijs kreeg. De post-kolonialisten verwijten me dat ik niet over de onafhankelijkheidsoorlog schreef, maar over de ‘verborgen oorlog’.”

Dan is er nog die vrouw die u ervan beschuldigt dat u haar verhaal hebt gebruikt.

„Ja, dat is een oude methode van het regime, ik moet worden gebroken. Hetzelfde hebben ze gedaan met de fotograaf van de ‘Madonna van Bentalha’, een van de beroemdste foto’s uit de tijd van de burgeroorlog, winnaar van de World Press Photo. Ik had gewild dat Algerije trots op me was, ik ben de eerste Algerijn die de Prix Goncourt wint. Mijn boek is een roman, geen biografie. Ik ben trots op deze roman, ik zou hem opnieuw schrijven als het moest. Ik zou willen dat mijn land hetzelfde zou doen als mijn vertelster, Aube: rouw verwerken om met het leven verder te kunnen.”

Hoewel Aube in uw roman voortdurend tegen haar foetus spreekt, lijkt het er lang op dat het ongeboren kind, symbool van hoop, van de toekomst, niet ter wereld zal komen.

„Het verleden is een religie. De enige toekomst bestaat erin het verleden te herbeleven. In de Arabische wereld loopt dat idee door alle ideologische stromingen heen. Of het nu de nationalisten of de islamisten zijn, iedereen droomt ervan terug te gaan naar de tijd waarin de moslims een enorm rijk hadden. Het woord salafist komt van het Arabische woord ‘salaf’, voorouders. Dus iedere logica, iedere ideologie, alle politieke programma’s gaan in de richting van ‘retropédalage’ (letterlijk terugtrappen), dus teruggaan naar het verleden en de geschiedenis die achter ons ligt opnieuw beleven. Dat weiger ik. Ik krijg veel tegenstand, omdat ik niet alleen die salafistische religieuze gedachte in twijfel trek, maar ook het gebrek aan verbeelding van de toekomst. We kunnen ons geen toekomst voorstellen. De consequentie daarvan is dat we een vooroudercultus hebben, maar niet denken aan toekomstige generaties. Niemand denkt aan het milieu, aan het toekomstig gebruik van energie of water. Mijn roman wil laten zien dat ons leven pas zin heeft als we het aan onze kinderen doorgeven. Het doel van ons leven moet zijn dat we onze kinderen opvoeden, voor hen een land opbouwen. Als ik mijn boeken signeer schrijf ik daarom ook vaak: ‘het geheugen is een weg, je neemt hem om de doden te bevragen, en daarna kom je terug in het heden’.”

U bent voor ‘verrader’ uitgemaakt. In reactie daarop heeft u een pamflet geschreven Il faut parfois trahir (‘Soms moet je verraden’). U geeft daarin uw definitie van ‘verraden’: ‘onthullen, verduidelijken, durven, liefhebben, koesteren en je wagen in het onbekende van morgen’.

„Ik ben een normaal iemand, ik schrijf boeken, ik dood niemand. Wat doen mijn tegenstanders? Ze willen niet bewegen, ze houden vast aan het verleden, ze weigeren de vrijheid, ze durven niet te leven.” 

Uw roman is ook een ode aan de vrouw. De scène in de kapsalon waar vrouwen samenkomen als de mannen naar de moskee zijn, waar ze eindelijk een beetje vrij zijn, is een van de mooiste van de roman.

„Ik woonde vlakbij zo’n kapsalon. Op vrijdag, als de mannen naar de moskee gingen, ging ik wandelen of een stukje rijden. Dan zag ik dat vrouwen naar die kapsalon gingen, precies tegenover de moskee. Ik stelde me voor hoe het daar was. Weet u, als het slecht gaat in de wereld is het altijd de vrouw die de tol betaalt. In de moslimwereld betaalt de vrouw voortdurend. Daarom wilde ik een vrouwelijke verteller. Niet omdat ik wil dat het Westen me als feminist ziet. Dit is een roman over opstanding, hij brengt de lezer naar het leven. Al jong heb ik begrepen dat je niet vrij bent in een land waar vrouwen opgesloten zitten. Je kunt je niet veilig voelen in een land waar vrouwen zich ’s nachts niet veilig voelen. Hoe ontwikkeld een land ook is, als de helft van zijn denkkracht opgesloten zit, is het geen ontwikkeld land. Hoe kun je gelukkig zijn in een land waar vrouwen worden geslagen? Dan voeden ze kinderen op die ook ongelukkig zijn, ze geven hun ongeluk en hun pijn door. Er is geen theorie over het geluk in de Arabische wereld. Dat is ons drama.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next