Geschiedenis De Belgische slavist Johan de Boose schreef een geschiedenis van Joegoslavië in de vorm van een groot reisverhaal, waarin hij alle clichés over dat land weet te vermijden. Het is een eerbetoon aan de slachtoffers van de oorlog van 1991-1995.
De Kroatische stad Osijek in 1991.
Anders dan in het huidige conflict in Oekraïne was het in de Joegoslavië-oorlog van 1991-1995 niet echt duidelijk wie de grote boosdoener was. Weliswaar lag het voor de hand om de Serviërs als hoofdschuldigen aan te wijzen, omdat Joegoslavië vanuit hun hoofdstad Belgrado werd geleid. Maar toch is dat allerminst juist. Hoogstens kun je zeggen dat Servië tot op het laatst heeft geprobeerd het uiteenvallen van Joegoslavië te voorkomen. Toen dat leek te mislukken, richtte het zich op het bestendigen van een Groot-Servië, waarbij etnische zuivering een beproefd middel was. Precies dat heeft de Serviërs de reputatie van de aanstichters van het geweld bezorgd.
Johan de Boose: Joegoslavië. Kroniek van zes of zeven landen. De Bezige Bij, 672 blz. € 39,99
Dertig jaar na afloop van die oorlog probeert de Belgische schrijver en slavist Johan de Boose (1962) zijn vinger op de oorzaken ervan te leggen. Het is een juiste afstand in de tijd, zegt hij in het voorwoord van zijn vuistdikke geschiedenis- annex reisboek Joegoslavië. Kroniek van zes of zeven landen. Daarbij haalt hij de vermaarde Duitse dagboekschrijver Viktor Klemperer aan, die over zijn belevenissen als Jood in nazi-Duitsland zei dat de tijdgenoot niets weet. Maar het is De Boose nog niet genoeg, want een ander historisch-moreel ijkpunt is voor hem de speelfilm Rashomon van Akira Kurusawa. Hierin bespreken drie mannen, die elkaar in schuilplaats voor de regen ontmoeten, een verkrachting en een moord in een bos. Ieder heeft hier een ander aannemelijk verhaal. „Bestaat er zoiets als waarheid?” schrijft De Boose dan. „Of ziet iedereen slechts een deel van de werkelijkheid, gekleurd door eigen angsten, belangen en herinneringen? De film laat zien dat objectiviteit een illusie is.” En dat is ook wat De Boose wil laten zien, want als je in de geschiedenis van de Joegoslavië-oorlog niet in clichés wilt vervallen, bestaan er hoogstens verschillende, elkaar aanvullende waarheden.
De Boose giet zijn verhaal, waaraan hij sinds 2008 heeft gewerkt, in een persoonlijk reisverslag. Daardoor voert hij je al rondtrekkend van plaats naar plaats door de geschiedenis en besef je dat hij het land al sinds zijn studiejaren goed kent. Hij zit in cafés waar hij passanten spreekt om de lokale sfeer te proeven. En natuurlijk regent het daar clichés.
Zijn vertrekpunt is Noord-Macedonië, waar hij de onder Tito gebouwde 1.182 kilometer lange voormalige Snelweg van Broederschap en Eenheid afrijdt, een symbool van de vroegere Joegoslavische eenheid. Meteen komt de mix van volkeren voorbij, die ook in Noord-Macedonië woonde: Albanezen, Turken, Grieken, Serviërs en Roma. Allen leefden ze hier in grote harmonie, totdat Joegoslavië in 1991 uit elkaar viel en etnische spanningen ineens een rol begonnen te spelen. De Boose laat dat verhaal ook door zijn vele gespreksgenoten vertellen. Zo haalt een van hen de nostalgie over het verdwenen Joegoslavië onderuit door op te merken dat Joegoslavië in 1945 geboren werd toen de vredelievende Joegoslaven elkaar aan het uitmoorden waren.
In de Noord-Macedonische stad Ohrid bezoekt De Boose een monument voor de Nederlandse schrijver A. den Doolaard, wiens Joegoslaviëromans De herberg met het hoefijzer (1933) en De bruiloft der zeven zigeuners (1939) menig ander cliché hebben gepamperd over Joegoslavië als land met een oude cultuur maar zonder beschaving. Den Doolaard zag in 1971 al het gevaar van de Kroatische ultranationalist Franjo Tudjman, die in 1991 president van het onafhankelijke Kroatië zou worden en daarmee een van de hoofdverantwoordelijken voor de misdaden tegen de niet-Kroaten. Tegenover Tudjman plaatst hij de andere kwade genius van de oorlog, de Servische president Slobodan Milosevic. Op Sint-Vitusdag 28 juni 1989, een Servische nationale feestdag, hield hij zijn beroemde toespraak in Kosovo, waarin hij de Servische minderheid in deze Albanese enclave opriep zich niet langer te laten vernederen en hij geweld niet uitsloot. Het was de voorbode van de oorlog, zoals inmiddels iedereen weet.
De Boose trekt historische lijnen en gaat daarbij soms ver terug in de geschiedenis. Enerzijds laat hij zo zien dat er altijd al animositeit tussen de diverse etnische groepen op de Balkan heeft bestaan, maar ook dat Serviërs, Kroaten, Bosnische moslims, Joden en Albanezen het tegelijkertijd heel goed met elkaar konden vinden en niet zelden onderling met elkaar waren getrouwd. Het waren in werkelijkheid nationalistische ophitsers die die vreedzame verhoudingen verstoorden. Als het etnische geweld eenmaal was aangewakkerd, dan was er geen houden aan.
Een hoogtepunt in zijn boek is de Tweede Wereldoorlog, waarin de Kroatische nationalistische en antisemitische Ustasa-beweging van Ante Pavelic voor een onafhankelijk Kroatië vocht en de vernietiging van Joegoslavië nastreefde. Hun grootste vijanden waren de monarchistische cetniks, die behalve tegen de nazi’s ook tegen Tito’s communistische partizanen vochten en op de steun van Churchill konden rekenen. Ook hier heeft De Boose oog voor nuance, want in beide kampen vochten Serviërs en Kroaten zij aan zij en is er dus geen sprake van de ene etnische groep tegen de andere, hoogstens van wraak en weerwraak en veroveringsdrang. Die constatering loopt als een rode draad door het hele boek en wordt op zijn tijd versterkt door gesprekken met schrijvers zoals de Sloveen Dragan Jancar en de Kroaat Slobodan Snajder, die het in hun autobiografisch getinte romans vaak over die warrige oorlogssituaties hebben en alle clichés tot onzin veroordelen.
Het meest aangrijpende hoofdstuk in dit rijke en zeer informatieve boek handelt over Bosnië en Herzegovina, de meest ideale Balkansmeltkroes denkbaar. Hier zou de oorlog woester en wreder woeden dan elders in voormalig Joegoslavië. De Boose vraagt zich af of islamofobie er een rol bij speelde. Zijn antwoord luidt ‘ja’ en ‘nee’. De Bosnische moslims, de Bosniakken, waren door de Ottomanen bekeerde christenen en stonden tussen de vijftiende en negentiende eeuw aan de wieg van een vreedzame, bijna seculiere Europese islam. In het communistische Joegoslavië, waar religie geen rol van betekenis speelde, waren de meeste moslims zich er niet eens bewust van dat ze verschilden van de Serviërs en Kroaten in hun land. Zowel de Bosnische Serviërs als de Bosnische Kroaten aasden dan ook naar hun steun tegen de ander. Dat in 1991 moslimfobie door de Serviërs, in hun streven naar een Groot-Servië, als middel werd ingezet om buren tegen elkaar op te hitsen en etnische zuiveringen uit te kunnen voeren, is dan ook extra tragisch. De Boose staat uitvoerig stil bij het drama in Srebrenica in 1995, waar 8.000 moslimmannen door de Bosnische Serviërs werden vermoord. Alle thema’s uit de Booses boek – Kroatisch fascisme, Servisch nationalisme, Bosnisch militarisme – komen in dat hoofdstuk samen. En weer laat De Boose zien dat hier iedereen boter op zijn hoofd heeft, inclusief het Westen dat het uit voorzichtigheid en besluiteloosheid liet gebeuren. Dat eenzelfde voorzichtige houding ook in het huidige conflict in Oekraïne is te zien, maakt het boek van Johan de Boose tot verplichte kost voor iedereen die zich met vredeshandhaving bezighoudt.
Om zijn verhaal tot menselijke proporties terug te brengen voert De Boose je tot slot mee naar een luxueus kuuroord in Vilna Vlas, waar in de jaren negentig werd gemarteld en verkracht door de Servische paramilitaire Witte Adelaars van warlord Vojislav Seselj. De ‘Akropolis van de gruwel’, noemt De Boose dat oord, om het even later over de ‘Akropolis van de schuldige stilte’ te hebben als hij vertelt dat Seselj door het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag vooralsnog ongestraft is gebleven en tegenwoordig een belangrijk politiek leider in Servië is.
Maar waar het De Boose met name om gaat is menselijkheid en fatsoen. Omdat te benadrukken eindigt hij zijn boek met een Romeo-en-Julia-verhaal uit Sarajevo. Daar werden de Bosnische moslima Admira en de Servische Bosko verliefd op elkaar en besluiten samen te vluchten, wat ze met de dood moeten bekopen. Hun tragische lot staat voor dat van alle gewone mensen in voormalig Joegoslavië, die vermalen zijn door de nationalistisch getinte machtswellust van hun leiders. Voor hen is de Booses boek een waardig monument.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC