Home

Voor de nieuwe Prins Carnaval van Lappegat speelt de Eindhovense stadshofkapel met volle teugen

Wat is een ideale uitgaansavond? Voor de blazersband van de Lampegatse stadsprins Frivolicus bestaat dat evenzeer uit pilsjes en praatjes als uit eervolle vertolkingen van krakers en klassiekers.

We zijn in Geldrop, een dorp bij Eindhoven dat minimale bekendheid geniet door de ontbijtkoek van Peijnenburg, Dries van Agt en Pieter van den Hoogenband. Er is een Shoeby, een Zeeman en een prima banketbakker. Maar kun je er ook uitgaan? Als dat zo is, dan moet het deze zaterdagavond zijn, als de lokale carnavalsvereniging, de Geldropse Jagers, haar nieuwe prins bekendmaakt.

Voor café Heerenhuys 23, een statig pand aan een verder verlaten pleintje, staat een tiental mannen met blaasinstrumenten in hun handen. Ze dragen blauwe boerenkielen met kleurrijke emblemen erop genaaid en een rood sjaaltje om hun nek. Dit moet de Eindhovense stadshofkapel de Eendracht zijn.

‘Dat heb jij goed gezien!’, zegt de sousafoonspeler met sportief uiterlijk, zijn donkere haren strak opgeschoren. ‘Ik ben Marko, voorzitter van de Eendracht. Jij wilde graag met ons mee?’

Van Lampegat naar Lappegat

Uit solidariteit met de prins van Lappegat, zoals Geldrop heet tijdens carnaval, reist vanuit Eindhoven (Lampegat) de Lampegatse stadsprins Frivolicus de 7 kilometer af om acte de presence geven. En waar de prins gaat, volgt de Stadshofkapel.

Die is een begrip in de omgeving Eindhoven. Erin spelen is eervol. Tijdens het carnavalsseizoen, van november tot februari, treden ze ruim zeventig keer op, van cafés en feesttenten tot ziekenhuizen en scholen. Gemiddeld blaast of drumt een lid tien jaar mee. Een uitschieter is muzikaal leider Ludy Swinkels – vanavond afwezig – met 43 dienstjaren.

Muzikale kwaliteit staat voorop; meer dan een vriendengroep is het een stel mensen dat elkaar heeft gevonden in de blaasmuziek. Exemplarisch: het 70-jarig jubileum is niet gevierd met een braspartij, maar met een opnamesessie in de beroemde Abbey Road-studio’s in Londen.

Aartshertog Albrecht

Eenmaal in het café blijkt het inderdaad geen gewone novemberavond: de boa’s, glitters, hoedjes en sjaaltjes walsen je tegemoet. Er worden pilsjes besteld, mondstukken aangedraaid, ventielen en kelen opengezet. Zoekende ogen, een knikje, een forse ademteug. En daar klinken de eerste noten van de Aartshertog Albrecht Marsch, een 19de-eeuwse Oostenrijkse mars die traditiegetrouw de prins van Lampegat aankondigt.

De blaaskapel stapt al spelend door een mensenhaag naar een ruimer deel achter in het café. Op een scherm staan de sponsors: cafetaria ’t Heuvelke, Rido Ongediertebestrijding en tankstation Van Vonderen (‘Bel, mail of kijk op Facebook voor aanbiedingen’). De prinsen dansen op een podiumpje, de kapel speelt ervoor.

Blaasmuziek is speciaal. Het is hard werken: er is geweld nodig om van lucht geluid te maken en voor de indringende klappen van de basdrum. Vooral in een vol café als dit, met houten lambriseringen aan de muren en het plafond in gedempt rood licht, kan het mensen in extase brengen.

Dat lijkt vanavond niet echt te gebeuren.

Tot Neil Diamond soelaas biedt en een paar Jagers alsnog naar voren dringen om met een glas boven het hoofd Sweet Caroline mee te zingen. Na een nummer of zes, inclusief een fraaie, deels a-capellaversie van Sweet Dreams, is het optreden voorbij. De kapel wandelt terug, de dj drukt op play.

Marko legt zijn sousafoon tussen de kapstokken op de grond. ‘Zo, dat klonk goed, hè? Dat is al dat hout hier.’ Er wordt pils en cola gehaald. ‘Het gaat ons op een avond als deze om conditie opbouwen, meters maken.

‘We bouwen op richting het Federatiebal (waar de Lampegatse prinswissel plaatsvindt, red.). Dat is echt kapotmakerij: we spelen dan onafgebroken van half 8 tot 2 uur ’s nachts. Daarna kun je twee dagen niks. Elk jaar leren we nieuwe nummers bij, die we speciaal voor daar bewaren.

‘Elk lied heeft een volgnummer, we zitten nu op 1038, geloof ik. Ooit hadden we een prins die het leuk vond om ons te testen aan de hand van die nummers. ‘722’, riep hij dan. Hij bedoelde: Bexbacher Marsch, de eveneens 19de-eeuwse mars waarmee de stadsprins traditiegetrouw naar buiten trekt. Nog steeds wordt het door Ludy aangekondigd als 722, terwijl het eigenlijk nummer 670 is.’

‘Als je blaast, kun je niet drinken’

Percussionist Joost meldt zich aan de statafel. Twee setjes drumstokken steken uit de borstzak van zijn boerenkiel, ernaast past precies een glas – ‘geen toeval’. Carnaval is voor veel mensen synoniem met overvloedig dansen én drinken. Hoe werkt dat bij de Eendracht? Joost grijnst: ‘Nou, als je blaast, kun je niet drinken. En als je drinkt, kun je niet blazen. Bovendien zweet je toch alles eruit.’

Achter in het zaaltje staat ondertussen de nieuwe prins van Lappegat: prins Cyclissimo Twan I (motto: ‘Effe voor niemand een baan, want carnaval komt eraan’). ‘Kijk’, zegt Marko, ‘je ziet steevast dezelfde types op dit soort avonden; verenigingsmensen die bij elkaar op bezoek gaan, elk weekend weer.’ Hij wijst naar een man met steek: ‘Vorige week waren we nog bij hem. Zo houd je tradities levend. Maar soms denk ik ook: als ik met jou een hele avond aan de bar moet staan, dan wordt het een lange avond.’

Nee, wil Marko maar zeggen, doe ook – of vooral – maar die uitstapjes naar verzorgingstehuizen en scholen. Of uitgaansstraat Stratumseind: ‘Daar sta je tussen de feestende jongeren. Fantastisch. Wist je trouwens dat door TikTok veel klassieke hits weer in trek zijn? Gimme, Gimme, Gimme – die kunnen we dromen!’

Vanavond is het meters maken. De eer van de Eendracht hooghouden. Zoals ze dat al zeventig jaar doen. Na nog een rondje pils en cola kijkt Marko betekenisvol naar Joost. 722.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next