Home

Opinie: Ik, en met mij vele anderen, hebben een Andere Joost gekend

Een veelkantige persoonlijkheid en woordkunstenaar als Joost Zwagerman in een biografie afdoen als een polemische, ruziemakende seksverslaafde, doet de in 2015 overleden schrijver en zijn werk geen recht.

‘We hadden het even over Andere Joost,’ zeg ik weleens tegen onze zoon Max (9) als ik met echtgenote Maaike over haar vorige Joost spreek, tevens zijn verwekker. Over die andere Joost is nu een lijvige biografie verschenen van de hand van Maria Vlaar, die al tot veel reacties leidde. In die publieke portrettering dreigt dezer dagen een beeld te overheersen dat ‘Zwaag’ platslaat tot een tot zelfmoord gedoemde, op zichzelf gerichte psychiatrische patiënt die worstelde met zijn gestrande literaire loopbaan, ook nog eens vrouwonvriendelijk, ja zelfs seksverslaafd.

Ik, en met mij vele anderen, hebben een Andere Joost gekend; in de eerste plaats natuurlijk mijn vrouw, namens wie ik hier overigens niet spreek (maar die Joost na zijn eerste vrouw Ariëlle Veerman, als geen ander kende), maar ook talloze literaire generatiegenoten.

‘Goh’, zei de schrijver DBC Pierre een keer backstage op Crossing Border tegen Maaike, die toen met Zwaag verkeerde, ‘jouw Joost lijkt op mijn uitgever, niet alleen ook een Joost maar met precies hetzelfde onregelmatige gebit.’

Joost en ik waren toen al jarenlang goede kennissen, vanaf het moment dat hij zich, begin jaren tachtig, als 19-jarige aandiende bij het tijdschrift Optima dat ik toen uitgaf. Ik waande me veel ouder, en spiegelde me aan ouwe, strenge rotten in het uitgeefvak, als Geert van Oorschot en Geert Lubberhuizen. Maar ik was ook pas 24 - een groentje. Hilarisch, achteraf, hoe serieus we ons al namen, op de poorten van het literaire landschap bonkten met tomeloze ambitie, hybris, Sturm & Drang.

Joost was een van de jongens

Laatst zag ik op een foto van een redactievergadering op mijn werkkamer (met bentgenoten als Ad Fransen, Atte Jongstra, Henk Pröpper, de nog piepjonge Bas Heijne ook kortstondig) dat we een beetje existentialistisch gekleed waren, veel zwarte coltruien, beugelflesjes Grolsch, volle asbakken, ernstige, bleke gezichten. Joost was een van de jongens (want ons literaire universum bestond, zonder vooropgezet plan daartoe, voor zo’n 90 procent uit mannen) bij wie het talent eraf droop. Spróng. Die zou niet rusten, tot hij de top van de Olympus bereikt had. In allerlei literaire groepjes en bladen klonk zijn stem in mum van tijd op.

Uitgevers die hem meer te bieden hadden dan mijn beginnend eenmansbedrijf, zagen dat ook, en trokken hem snel binnen, waarna een schrijverschap startte met een ongekend bereik, vergelijkbaar met iemand als Ronald Giphart, die met Joost veel optrad. Van meet af aan net zulke nieuwe literaire popsterren als Connie Palmen, die in 1991, jaren na haar debuutverhaal in Optima, bij Prometheus het succesdebuut De wetten publiceerde.

Over de auteur

Joost Nijsen is schrijver. Hij richtte in 1997 uitgeverij Podium op, en nam daar in 2022 afscheid.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Het werk voor het meisje te willen trekken

Er zijn, terugblikkend, meer parallellen aan te wijzen met Andere Joost. Beiden gingen we al jong samenwonen en probeerden we onze tomeloze ambitie te combineren met jong vaderschap. Geen eenvoudige opgave, deep down het werk voor het meisje te willen trekken, maar je dat vanuit toenemend emancipatiebewustzijn niet toe te staan – laat staan dat onze eveneens hoogopgeleide vrouwen dat verdragen zouden hebben.

Dit op meerdere terreinen je uiterste best doen kon (vecht)scheidingen uiteindelijk niet buiten de deur houden. Joost beleefde dat zoals ook in de biografie uitgebreid beschreven staat, nog een stuk intenser dan ik. Hij mailde er met velen over, gekruid door woede en schaamte, in die tsunami aan berichten die hij uitzond als hem een onderwerp kwelde; een enkele keer ook met mij, waarna we onze ervaringen vergeleken.

We verkeren dan al rond de eeuwwisseling, jaren waarin we elkaar weer even wat vaker tegenkwamen vanwege zijn redacteurschap van Payola, een literair poptijdschrift dat aangenaam musisch verkeer losmaakte op mijn in 1997 gestarte uitgeverij Podium. Ik bewaar warme herinneringen aan de vergaderingen over dat kortlopende periodiek, met een Joost die altijd geestdriftige plannen inbracht, Martin Bril (overleden) die ons al even tomeloos met ideeën verrijkte, Pieter Steinz (overleden), de man die anders dan Joost en Martin structuur en voortgang bewaakte, en Roel Bentz van den Berg (76, alive & kickin’).

Het ook al jonge overlijden van generatiegenoten als Menno Wigman en Wim Brands, leidde tot speculaties, was het door sigaretten, drugs en alcohol? Maar elk sterfgeval had een andere oorzaak, soms domme fysieke pech, soms zelfgekozen, zoals Joost en Rogi Wieg, die er ook begin jaren tachtig al jong bij was, onder andere in de kolommen van Optima.

Zelfdoding was een groot thema

Het is onloochenbaar dat zelfdoding een groot thema was in het universum van Joost, allereerst in vele publicaties erover, meest direct in de dit jaar heruitgegeven essaybundel Door eigen hand, die besluit met een ode door David Van Reybrouck. ‘Met jou’, schreef Van Reybrouck bij Zwaags overlijden in 2015, ‘verliest de Nederlandse literatuur een van zijn soepelste pennen en gulzigste geesten. Kunst, muziek, literatuur, Americana; je nieuwsgierigheid was tomeloos, je enthousiasme aanstekelijk. Wat een erudiete, temperamentvolle, genereuze en geestige man was je toch.’

Joosts mentale worstelingen vind je veel indirecter dan in de essays ook terug in zijn fictie, meest ontroerend (zeker met de kennis van nu) in zijn gedichtenbundels, in 2020 bijeengebracht in het kloeke Verzamelde Gedichten. (Op de biografie-lancering vertelde zijn vriend Pieter Boskma me dat Joost hem kort voor zijn overlijden gezegd had zich vooral dichter te voelen.) Alleen al die gedichten, en al die essays, maar ook zijn beste, heden heruitgegeven romans, zoals het meesterlijke Gimmick, verdienen het voort te leven, en het gemakzuchtige beeld te corrigeren van een schrijver die uitgeschreven was en in talkshows ging zitten (met de kunsthistorische colleges in De Wereld Draait Door die velen op het puntje van hun stoel hielden).

Café De Zwart

Toevallig herlas ik laatst de bundel Nooit op zondag die Mirjam Rotenstreich en Arjan Peters in 1996 samenstelden met bijdragen over of rondom het toen druk door schrijvers gefrequenteerde Café De Zwart. Grote namen, van A.F.Th. van der Heijden en Connie Palmen tot P.F. Thomése en Joost Zwagerman. Het lange verhaal van Joost, ‘White Palace’, is geschreven vanuit de overdrive van een semi-crimineel, wiens escortvriendin Café De Zwart voor hem kocht. Verteller gaat eens kijken wat zijn eigendom werd, en schrikt zich een ongeluk: vooral ‘schrijverds’ hangen er rond. Volgt een hilarische satire op opvallend slecht geklede schrijvers die, desgevraagd, blijken te leven van ‘maandeenheden’ van een ‘Rijkskutfonds’. Een beerput van subsidiegelden ging open. ‘Geen subsidiegeteisem in mijn café, o nee!’

Op sommige gelegenheidsstukken daalt snel het stof neer, andere, zoals dit verhaal, blijven na al die jaren fier overeind, door een vloeiende stijl die bij het personage past, en een tijdsbeeld. Het is treurig dat niet alleen de literatuurpolitie maar ook de auteur zelf wel eens aarzelde over de betekenis van dit schrijverschap.

Tegenstellingen in zijn persoonlijkheid

Ook op persoonlijk vlak was Zwagerman aanzienlijk complexer dan nu in de media naar voren komt. Zeker, ongetwijfeld was zijn uitbundigheid, zijn ‘grenzeloosheid’, voor zijn naasten soms een opgave. Maar wat ook deze duivelskunstenaar juist boeiend maakt, misschien zelfs het oerfundament bood, zijn de tegenstellingen in zijn persoonlijkheid, die vorige week op de presentatie van de biografie gelukkig ruim aan bod kwamen. Behalve de ‘afwezige’ vader was er de lieve vader. Behalve de polemische, ruziemakende man was er, voor intieme kring, de trouwe vriend, loyaal tot op het laatst. Veelzeggend is de column in NRC Handelsblad van Stine Jensen, die spanning ervaart tussen ‘Vlaars kritische portret en mijn eigen vrolijke herinneringen’.

Een kwetsbare man ook, merkte ik toen ik hem eens kritisch mailde na een feest in de tuin van mijn toenmalige auteur Kluun. Ik had besloten hem eerlijk te melden dat het me gestoord had hoe hij midden in die tuin eindeloos aan het oreren was, over de daar optredende band Johan, waarvan hij ook weer veel van wist; dat ik betreurde dat hij niet af en toe ook anderen aan het woord liet. Al de volgende ochtend stuurde hij me een geschrokken mail, met ongezouten excuses voor zijn gedrag waarvan hij zich niet bewust was geweest. Overtuigend. Aárdig. Zand erover.

Velen in de literaire wereld herinneren zich zijn mondelinge en schriftelijke boutades en polemieken, vanuit een onvermoeibare drang zich niet neer te leggen bij wat hij als onwaarheid of onrecht beschouwde. Maar er was ook de man die ik op feestjes juist stil aan de rand van de dansvloer zag staan, iemand die eerder observeerde dan deelnam. Een dromer. Een chroniqueur. Ongetwijfeld gleed zijn aandachtig oog dan ook over de vrouwen, zoals hun blik naar hem gleed, de literaire BN’er.

Bekrompenheid en vluchtig moreel oordeel

In de biografie vind je voorbeelden van zijn amourettes. ‘Seksverslaafd’ is dan weer niet het adjectief dat daarbij past. Een dusdanig veelkantige persoonlijkheid en woordkunstenaar daartoe framen, getuigt van het soort bekrompenheid en vluchtig moreel oordeel waar juist schrijvers zich altijd tegen moeten blijven verzetten.

Eeuwig zonde dat Joost daar niet nog eens een bevlogen en doortimmerd essay over kan schrijven. Laten we zijn ‘legacy’ daarom maar zelf, bij alle heden losgemaakte ‘chaos en rumoer’, onbevooroordeeld wikken en wegen, zowel het veelzijdige werk zelf als de complexe persoonlijkheid van de schepper ervan. Tegenover de bewering dat het de ‘Zeven Joosten’, zoals een van zijn gedichten luidt, aan een kern ontbrak, zelfs ‘leegte’ herbergde, wil ik de stelling poneren dat juist de tegenstellingen en paradoxen in zijn persoonlijkheid stuwend waren voor een levensloop die, als in het leven van veel vitale en belangrijke kunstenaars, hevige worstelingen kende, maar ook momenten van grote vreugde en een fascinerend oeuvre voortbrachten.

Geen impulssuïcide, maar ook geen balanssuïcide

‘Het was geen impulssuïcide, maar een balanssuïcide’, zegt Maria Vlaar over de dood van Joost Zwagerman. Zo’n term suggereert dat hij weloverwogen zijn opties heeft afgewogen. Maar in de suïcideliteratuur bestaat de balanssuïcide niet.

We weten dat de meeste mensen die een poging doen niet dood wíllen. Ze willen vooral dit leven niet, met de angsten, depressie, schaamte of financiële problemen die hen overspoelen. Ze willen verder, maar zien geen uitweg. Suïcide lijkt dan een oplossing voor problemen die vaak tijdelijk zijn, terwijl de daad zelf permanent is. Ook zijn mensen met suïcidale gedachten vrijwel altijd ambivalent: ze willen ín het leven blijven én eraan ontsnappen.

Wie een poging overleefde, vertelt zelden dat hij echt dood wilde. Vaker wilde men een einde maken aan ondraaglijke gedachten, een uitzichtloze situatie of het gevoel niet meer mee te kunnen. Sommigen wilden hun lijden kenbaar maken. Slechts een kleine minderheid zegt daadwerkelijk te verlangen naar de dood.

Kijken we naar Zwagermans leven, dan zien we een opeenstapeling van risicofactoren: een geschiedenis van depressies en angsten, impulsregulatieproblemen, een vechtscheiding, financiële zorgen, en opnieuw vader worden. Ook speelt een mogelijke familiaire kwetsbaarheid een rol, gezien eerdere suïcidepogingen in zijn familie.

Dit alles kán verklaren waarom iemand in een crisismoment geen uitweg meer ziet – maar het is nooit terug te brengen tot één druppel die de emmer doet overlopen. Daarom is het belangrijk voorzichtig te zijn met termen als balanssuïcide. Ze geven een misleidend gevoel van rationaliteit, terwijl suïcidaal gedrag juist complex, ambivalent en vaak diep menselijk lijden weerspiegelt.
Derek de Beurs, universitair docent suicidepreventie, Universiteit van Amsterdam. Lid van werkgroep herziening richtlijn suicidaliteit. Auteur van Mythen over Zelfmoord.

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next