Home

‘Nu ik 100 jaar ben, stop ik met spullen kopen’

Clisia Nercia Piter is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op haar leven en op het radicale besluit dat ze als jonge vrouw ooit nam?

De soepel op sneakers lopende Clisia Nercia Piter bewoont een modern ingericht appartement op elf hoog in Utrecht. Haar kachel zorgt voor zomerse temperaturen in huis. Bij de thee wordt bolo pretu geserveerd, een Antilliaanse taart van gekonfijte citrusvruchten, dadels, papaya, noten, pruimen en rum. Die blijkt nog over van haar verjaardagsfeest.

Hoe heeft u uw 100ste verjaardag gevierd?

‘Ik had eigenlijk niet veel verwacht, maar er waren 75 gasten, veel familie – een paar waren zelfs overgekomen uit Sint-Maarten en Bonaire. Bij binnenkomst werd ik door iedereen omhelsd. Een grote verrassing was de liveband, die vrolijke tipikomuziek speelde, en liedjes uit mijn jeugd, van Rudy Plaate. Ik heb er heerlijk op gedanst – ik hou van walsen. Nederlandse vrienden zeiden nog nooit zó’n feest te hebben gezien.’

Waar beleeft u nog plezier aan?

‘Mijn geluk is niet thuiszitten, maar eropuit gaan en onder de mensen zijn. Ik wil eigenlijk naar Spanje, want dat vind ik een mooi land. Maar ik ben ook blij met de activiteiten van de dagbesteding van Ons Utrecht. Ik doe er aan gymnastiek, koersballen en tekenen, en ik ga mee met uitstapjes. Met mijn nicht Desiree, die elke vrijdag komt, ga ik graag winkelen. Ik hou van spullen kopen, vooral kleding en douchecrèmes. Maar nu ik 100 ben, stop ik ermee. Ik heb genoeg en wil nu sparen voor een ander doel dan mijzelf. De gasten op mijn verjaardag vroeg ik geen cadeaus te geven, maar een donatie aan de stichting Pro Bista op Curaçao, die blinden en slechtzienden steunt.

‘Ik ga vaak laat naar bed en sta laat op, want ik kijk graag tot diep in de nacht naar de Curaçaose televisie, vooral naar medische programma’s. Ik ben altijd benieuwd wat mensen gebruiken tegen een kwaal. Op Curaçao had je de beroemde kruidenvrouw Dinah Veeris. Ze had een groot stuk land waarop ze kruiden verbouwde, die ze verkocht. Als ik ergens last van heb, kijk ik in haar boek, het is een soort bijbel voor me.’ (Het ligt binnen handbereik, op de vensterbank.) ‘Als ik mij slap voel, geeft thee getrokken van kruidnagels een oppepper. Tegen koorts helpt thee van citroen en yerba di hole, een kruid dat vergelijkbaar is met basilicum en vol antioxidanten zit.’

Wie mist u het meest van wie er niet meer is?

‘De eerste is mijn zusje Sonia. En daarna mijn moeder, een lieve vrouw. Met Sonia heb ik lang samengewoond, eerst op Curaçao, na haar scheiding, om haar te helpen bij de zorg voor haar jonge dochter. En daarna, toen ze mij vroeg mee te gaan naar Nederland. Haar dochter was inmiddels 18 en ging in Nederland studeren. Om haar te steunen, gingen we met haar mee – voor twee jaar, was het idee, maar ik ben er nog steeds, al bijna veertig jaar. In Nederland is veel meer te doen dan op Curaçao, dat is zo’n klein land. Ik ben gaan zingen in twee koren en cursussen gaan volgen: tekenen, kalligraferen, naaien en Engels. Ik kreeg hier veel kennissen en zorgde vaak voor de kinderen van mijn andere zus.

‘Ik mis Sonia, elke dag denk ik aan haar. Nadat haar dochter het huis uit was gegaan, bleven we met zijn tweeën samenwonen. Op de eerste dag van de lockdown tijdens corona zijn we van elkaar gescheiden. We besloten snel nog wat boodschappen in huis te halen, zoals koffie, thee en toiletpapier. Het was heel druk in het winkelcentrum. In de haast liep ik te snel en viel op een grindpad. Ik had niets gebroken, maar mijn heup lag uit elkaar. Tien weken lang moest ik naar een revalidatiecentrum. Sonia was aan het dementeren en kon niet alleen thuisblijven. Ze hebben haar in een verpleeghuis gezet, op een gesloten afdeling. Daar is ze drie jaar geleden overleden. Een groot verlies.’

Heeft u overwogen terug te keren naar Curaçao?

‘Voordat de corona-epidemie uitbrak, waren Sonia en ik van plan terug te gaan. We waren al spullen aan het inpakken. Op Curaçao is het lekker warm, je kunt elke dag naar het strand en je hebt er veel mensen om je heen, hier in Nederland zit je als oudere veel alleen, dat vind ik moeilijk om te begrijpen. In de Antilliaanse cultuur zorgt de familie voor de ouderen. Zodra mijn moeder oud begon te worden, heb ik haar in huis genomen, en ik heb jarenlang voor haar gezorgd, tot ze stierf.

‘Nadat mijn zusje in het verpleeghuis terechtgekomen was, besloot ik in Nederland te blijven. In Nederland heb ik veel neven en nichten, zoals Désirée, die alles voor mij doet. Met haar heb ik afgesproken dat ik in Nederland zal sterven en dat mijn as samen met Sonia op Curaçao wordt begraven. Dan zijn we weer bij elkaar.’

Hoe waren uw jeugdjaren?

‘Het was een goede tijd. Ik ben het oudste meisje in een gezin met acht kinderen. Mijn moeder hoefde nooit streng te zijn, want we luisterden altijd naar haar. We woonden in Saliña, ten zuidoosten van Willemstad, dicht bij onze oma, zodat we haar konden helpen. Ze gaf dansles aan huis: polka, mazurka en tumba. Van haar heb ik dansen geleerd. Om onze tuin stond een hek, de meisjes moesten daarbinnen blijven, mijn broers mochten wel op straat spelen.

‘Mijn vader zat vaak buiten met zijn zoons te praten. Hij overleed toen ik 16 was, na een bedrijfsongeval. Hij was voorman op een bouwplaats. Een collega leerde hij een elektrische zaag te gebruiken, daarbij zaagde die man per ongeluk een vinger van mijn vader af. Hij kreeg niet op tijd de juiste medicijnen, zodoende stierf hij twee weken later aan tetanus. Mijn moeder was erg verdrietig. Ze ging in op de uitnodiging van een zus op Bonaire om bij haar te komen, daar we hebben een jaar ingewoond. Ik stopte met de mulo en ben gaan werken. Dat was mijn eigen keuze, ik voelde dat ik dat moest doen, mijn verantwoordelijkheid moest nemen na de dood van mijn vader. Ik kon als caissière bij de apotheek aan de slag. Omdat ik zo van autorijden hield, kreeg ik op mijn 18de een auto van een rijke tante met een grote tienda (winkel, red.), en nam rijles. Ik was een van de eerste vrouwen op Curaçao die auto reden, in een zwarte Plymouth, zo’n grote Amerikaanse wagen.’

Wat weet u van uw voorouders?

‘Eigenlijk niets. Ik heb nooit iets over hen gehoord, er werd ook niet over gesproken. Ik ben er ook niet in geïnteresseerd. Ik weet wel dat mijn opa van vaders kant Joods was.’

Haar nicht Désirée, die aanwezig is bij het interview, zegt: ‘Uw moeder was een zwarte vrouw.’

Clisia Nercia Piter: ‘Die woorden gebruikten we niet. De familie van mijn moeder had dezelfde kleur.’

Vindt u dit een ongemakkelijk onderwerp?

‘Ja, waarom kan ik niet precies uitleggen.’

‘Ik zou wel graag naar Afrika willen om te zien of de mensen daar er hetzelfde uitzien als mijn moeder en haar familie.’

Heeft u te maken gehad met discriminatie?

‘Nee. Op mijn lagere school waren niet zoveel donkere kinderen, die zaten op een andere school, voor katholieken. Onze school was voor protestanten en Joden.

‘Ik werd vaak voorgetrokken, omdat ik een lichte kleur had en blond haar. Curaçaoënaars die gingen trouwen, vroegen mij vaak als bruidsmeisje, mijn donkerdere zusjes nooit.

‘De witte mensen die voor de olieraffinaderij van Shell werkten, woonden in een aparte wijk met een hek eromheen, met een slagboom en een portier.’

Wat heeft u op Curaçao gemerkt van de Tweede Wereldoorlog?

‘Als het donker was, mochten we het licht niet aan doen. Het hele eiland moest donker blijven. Anders zouden Duitse onderzeeboten ons eiland kunnen zien liggen en de olietanks van Shell kunnen bombarderen, daar waren we bang voor. Er reden auto’s rond om te controleren of nergens licht brandde. Mijn vader heeft als reservist wachtgelopen langs de kust om in de gaten te houden of de Duitse duikboten dichtbij kwamen. Dan zag je een lichte streep in het zeewater.’

Hoe zou u zichzelf typeren?

‘Als een sterke, onafhankelijke vrouw, die het goed met zichzelf kan vinden. Ik heb veel alleen gereisd, door Europa, Amerika en Latijns-Amerika. Ik voel me nog steeds sterk.’

Bent u weleens verliefd geweest?

‘Ja, en die jongen was ook verliefd op mij. Hij was ambtenaar en alles ging goed, totdat ik hem een keer hoorde praten over een ander meisje. Ik dacht: dit werkt niet, zodoende maakte ik het uit. Het meisje was zijn collega en omdat je geen relatie mocht hebben op het werk, werd hij ontslagen.

‘Ik leerde een andere jongen kennen. Hij werkte bij een bank en gaf mij cadeaus. Maar zijn liefde beantwoordde ik niet. Ik zei dat ik hem niet wilde zien. Na mijn eerste ervaring durfde ik het niet meer aan – mannen zijn allemaal hetzelfde, dacht ik. Ik besloot te leven met God, mijn familie en kennissen.’

Welk levensinzicht heeft u opgedaan?

‘Het is dom geweest dat ik die tweede jongen liet gaan. Het was een goede jongen, ik heb hem pijn gedaan door hem af te wijzen. Ik bleef boos op mijn eerste vriend – ik had hem moeten vergeven en vergeten. Dan had ik een vriend én misschien ook kinderen gehad. Nu ben ik 100 en is het te laat.’

Clisia Nercia Piter

geboren: 29 oktober 1925 in Saliña, Curaçao

woont: in een woonzorgcentrum, in Utrecht

familie: nog twee broers (90 en ‘ongeveer 86’) en een zus (82) op Curaçao, neven en nichten

beroep: caissière

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next