Home

Was het leven soms maar wat meer als een Jane Austen-roman

In december is het 250 jaar geleden dat Jane Austen geboren. Veel lezers zwijmelen weg bij haar romantiek, maar Nikki Dekker zwijmelt weg bij de etiquette-kennis van Austens heldinnen. Heerlijk, een overzichtelijk sociaal leven met gedragsregels waar iedereen zich aan houdt. Toch?

Afgelopen vrijdag was het weer zover.

Ik stond op een borrel met goede collega’s, of eerder gezellige kennissen, misschien zelfs toekomstige vrienden — het soort gezelschap dat zich in het grijze gebied bevindt tussen de mensen die je al hebt veroverd (degenen die zich vermaken met je ondoordachte uitspraken) en de groep vreemden die je toch niet kent (en wier mening je dus niet kan schelen).

Kortom: het soort mensen waarop je graag een goede indruk wil maken.

Terwijl ik naar huis liep, passeerden flarden uit gesprekken opnieuw de revue: mijn domme reactie toen iemand vertelde dat zijn vader ziek was (‘O, jeetje, sorry’ — alsof ik een Amerikaan ben). Hoe ik een goede collega in eerste instantie over het hoofd had gezien, en Leonie per ongeluk Lisa had genoemd.

Ik dacht terug aan de mensen die ik aan de praat had gehouden met mijn ijdele monologen, een stel dat vast tien keer liever met een ander had willen bijkletsen, maar wie het niet lukte me af te schudden, omdat ik maar bleef doorbazelen over de reality-tv-serie The Ultimatum: Queer Love. Ik had te veel ruimte ingenomen, en tegelijkertijd, gek genoeg, te weinig gezegd — in ieder geval niets wat ertoe deed.

En ik was te lang gebleven, dat stond vast.

Deze avonden, en het bijkomstige gepieker, overkomen me te regelmatig. Maar als ik vervolgens met een boek van Jane Austen op de bank plof, vallen alle zorgen van me af.

Natuurlijk, wie denkt aan Pride and Prejudice, denkt aan Mr Darcy die, met zijn overhemd nog aan, uit het meer verrijst alsof hij aan een wet T-shirt contest meedoet, of Mr Darcy die opdoemt uit de mist, of nou ja, simpelweg: Mr Darcy.

Ik zwijmel als ik haar werk lees, maar niet omdat ik fantaseer over een rijke man die me de liefde verklaart (‘I love you. Most ardently’). Ik zwijmel als ik lees hoe de hoofdpersonen bij een welgestelde familie op de thee gaan en ‘het volle halfuur’ blijven, als ik uit een voetnoot begrijp dat dat ‘volle halfuur’ de grens van een formeel ochtendbezoek was.

Wat een heerlijkheid, om precies te weten wanneer je weg moet gaan, of, als je zelf de gastvrouw bent, te weten wanneer je bezoek weer vertrekt.

Ik droom van een overzichtelijk sociaal leven waarin duidelijke gedragsregels bestaan waarvan iedereen op de hoogte is, en waaraan iedereen zich houdt. Ik wil weten wat het betekent als je op een borrel met iemand staat te praten, en diegene zegt ‘Heb je Rob al gezien? Kijk, daar is hij!’ — wil hij dan van je afkomen, of hoopt hij oprecht dat je even met Rob kunt praten, en hoe lang word je vervolgens geacht bij Rob te blijven hangen voordat je weer doorgaat naar een ander — en moet je eigenlijk iedereen persoonlijk gedag zeggen wanneer je vertrekt?

Als je ’s ochtends bij iemand op bezoek gaat, blijf je niet langer dan een half uur.

Kijk, dat is helder.

Illusie

Natuurlijk weet ik ook wel dat mijn gezwijmel op een illusie stoelt. Als iedereen zich daadwerkelijk aan de sociale codes zou houden, was er geen verhaal.

Neem deze korte scène, in Austens Persuasion, in het Nederlands uitgegeven als Overreding en overtuiging:

‘Het was een heel mooie novemberdag, en de Miss Musgroves doorkruisten het domeintje om voor geen ander doel stil te staan dan te zeggen dat ze een lange wandeling gingen maken, en er dus van uitgingen dat Mary niet met ze mee zou willen gaan; en toen Mary prompt antwoordde, een beetje nijdig omdat ze niet als een goede wandelaar werd beschouwd, ‘O, ja, ik zou graag meegaan, ik ben dol op lange wandelingen,’ had Anne zich er, door de blik van de twee meisjes, van overtuigd dat dat nu juist was wat ze niet wilden.’

Op het eerste oog lijken dit niemendalletjes van anekdotes — maar wie ligt er niet wakker terwijl zulke interacties zich steeds opnieuw voor z’n geestesoog afspelen, wanneer we ineens beseffen dat een uitnodiging slechts voor de show was, enkel om te voorkomen dat er later gedoe van zou komen, dat we ergens naartoe gingen terwijl we helemaal niet gewenst waren.

Deze boeken gaan over mensen: hoe mensen werken, hoe ze denken en hoe ze zich (horen te) gedragen. Het gaat over pompeuze mannen en geprivilegieerde meisjes, over ruggengraatloze flirts en cynische vrouwen die gelijk hun oordeel klaar hebben.

Jane Austen, in december 250 jaar geleden geboren, schreef liefdesverhalen, dat is het genre, maar het onderliggende thema, de terugkerende kwestie die haar boeken voortdrijft, is het sociale leven. Deze boeken maken een komedie van menselijke relaties, maar een groot deel van de grap is enorm contextafhankelijk.

Je moet maar net iemand treffen die je uitlegt waarom het belangwekkend is dat Lizzie Bennet in Pride and Prejudice zulke lange wandelingen maakt in haar eentje.

Wanneer ze naar Netherfield loopt, bijvoorbeeld, en aankomt met een dikke laag modder op haar rok, sneert Miss Bingley: ‘It seems to me to show an abominable sort of conceited independence.

Mr Darcy ziet iets heel anders: een vrouw met verwaaide haren en een blos op de wangen. Waarom doet dat ertoe? Omdat een man in die tijd vrouwen enkel zo zag na de seks. Vrouwen van stand putten zich niet uit, die zweetten niet, tenzij… precies.

Minuscule beledigingen

Ik ontmoette mijn Austen-mentor in Barcelona, waar ze een vak Boekverfilmingen doceerde aan de universiteit.

Met een geaffecteerd Brits accent vertelde Gemma López ons over het belang van de sociale ruimtes in het werk van Austen, legde uit hoe zelden een ongetrouwde man en vrouw, een-op-een, een gesprek konden voeren. Hoe je het karakter van een ander enkel leerde kennen door te zien hoe diegene zich in een groep gedroeg. In die samenleving draaide alles om kleine versprekingen en minuscule beledigingen.

Daarom is het ook zo vreselijk wanneer de familie Bennet zichzelf tijdens een feest belachelijk maakt door bijvoorbeeld te speculeren over een naderend huwelijk (moeder Bennet) of veel te lang aan de piano te blijven zitten (Mary Bennet). Bijna verspelen ze de kansen van oudste dochter Jane op een goed huwelijk (lees: een stabiel en veilig leven met een aardige, verstandige man).

De titel, trots en vooroordeel, slaat op de onderlinge verhouding van Elizabeth Bennet en Mr Darcy, die allebei op hun eigen manier arrogant en vooringenomen zijn. Maar de onderliggende kwestie is: hoe leren deze twee mensen ondanks alles (Mr Darcy is te stug, Lizzie te eigengereid) zich aan te passen aan de ander? Uiteindelijk is dat wat een samenleving maakt: dat we rekening met elkaar houden, en elkaar het voordeel van de twijfel geven.

Pride and Prejudice bevat ook een van de beste slechteriken uit de literatuur: Mr. Collins. Wat hem zo overtuigend maakt, is dat hij niet werkelijk slecht is. Hij bedoelt het allemaal goed. Hij wil zijn nichtjes redden van de armoede en daar zelf een leuke vrouw aan overhouden, maar met zijn hooghartige, pompeuze houding maakt hij zichzelf belachelijk.

Hij schept op over zijn sociale vaardigheden, beweert dat hij weet hoe je een dame moet vleien, terwijl iedereen begrijpt dat elke uiting van Mr. Collins houterig en ingestudeerd is.

En gekunsteld, dat is, in ieder geval volgens Austen, een van de vreselijkste dingen die een mens kan zijn.

In NRC stond onlangs een interview met Pauke Berkers en Yosha Wijngaarden, twee sociologen die een boek hebben geschreven over awkwardness. Ze definiëren dat specifieke ongemak, dat voer is voor vele memes en grapjes, als ‘de uitkomst van sociale interacties die foutlopen, en als zodanig opgemerkt worden door ten minste een van de sociale actoren die (in)direct betrokken zijn’.

Iets of iemand is pas awkward wanneer er wordt afgeweken van een sociaal script: omdat mensen het niet kennen, zich er niet aan houden, of omdat er, zoals tijdens covid, geen script is.

Maar de meest awkward variant van awkwardness ontstaat wanneer mensen het script best kennen, en desondanks falen in de uitvoering ervan. Dat is Mr. Collins, keer op keer.

Bij vlagen voel ik me zelf ook een Mr. Collins. Af en toe maak ik een lijstje van mijn goede vrienden, om na te gaan wanneer ik ze voor het laatst gesproken heb – omdat ik anders sommige vrienden, die verder weg wonen en die ik niet zomaar tegen het lijf loop, vergeet. In diezelfde telefoon noteer ik na een afspraak met een vriendin dat haar moeder ziek is, of de naam van een werkproject, zodat ik daar de volgende keer, over weken of maanden, wanneer we elkaar weer zien, naar kan vragen: hoe gaat het er inmiddels mee?

Lange tijd schaamde ik me voor dit ‘doen alsof’, want bij een echte vriendschap zou contact opnemen toch automatisch moeten gaan?

Groter verhaal

In goede manieren schuilt vaak een groter verhaal. Neem het begin van Sense and Sensibility. Mr. Henry Dashwood heeft kinderen uit twee huwelijken; een zoon uit zijn eerste huwelijk, drie dochters uit zijn tweede. De zoon is goed af: hij heeft een vermogen van zijn moeder, krijgt nog meer inkomsten van zijn vrouw, en is de wettige erfgenaam van zijn vader.

Op zijn sterfbed vraagt Mr. Dashwood zijn zoon om alsjeblieft voor zijn halfzussen en hun moeder te zorgen. De zoon zegt dat toe, in enigszins omfloerste termen: hij zal alles binnen zijn macht doen om ervoor te zorgen dat ze een comfortabel leven hebben.

In het tweede hoofdstuk krijgt ‘alles binnen zijn macht’ vorm, in een dialoog tussen de zoon en zijn echtgenote. De drieduizend pond die hij zijn zussen wil geven, vindt zijn vrouw veel te veel. Hoe kan hij zijn bloedeigen zoon zo’n bedrag ontzeggen? Als die zussen trouwen, nemen ze dat vermogen mee naar een andere familie. Wat heeft hij zijn vader eigenlijk beloofd? Dat hij ‘iets’ voor ze zou doen; maar dat kan toch gewoon?

Waarom geen vijfhonderd pond per persoon, dat is toch voldoende voor een jonge vrouw? Of is het beter om honderd pond per jaar te geven? Nee, dat geeft ook weer het verkeerde signaal. Misschien is het juist fijn om af en toe een geschenk te geven van vijftig pond?

‘Met een cadeautje van vijftig pond zo af en toe zullen ze nooit om geld verlegen zijn, en ik geloof dat ik op die wijze ten volle de belofte aan mijn vader nakom.’

‘Ja, zeker doe je dat. Eigenlijk, om je de waarheid te zeggen, ben ik inwendig overtuigd, dat je vader in ’t geheel niet bedoeld heeft, dat je hun geld zou geven. Ik geloof stellig, dat de hulp die hij op het oog had, niet anders was dan wat men natuurlijk van je zou mogen verwachten; zoals bijvoorbeeld naar een geschikt huisje voor hen uit te zien, hen te helpen bij ’t verhuizen, en hun nu en dan eens wat vis of wild te zenden, al naar ’t seizoen. Ik durf te wedden dat hij niets meer dan dat bedoelde; en ’t zou toch heel vreemd en onredelijk zijn geweest als dat wel zo was.’

En zo raakt de beste man er in een kleine zes pagina’s van overtuigd dat hij zijn zussen in feite helemaal niets verschuldigd is, en worden Mevrouw Dashwood en haar drie dochters zonder ceremonie, hulp of geschenken het huis uit gezet.

Jarenlang beantwoordde Beatrijs Ritsema dergelijke vragen in Trouw – echt, ongeveer dezelfde vraag stond in 2016 nog in de krant:

‘Sinds vier jaar beheert mijn oudste broer de financiën van onze vader. In de praktijk regelt zijn vrouw alles. Na het overlijden van onze moeder vond zij dat mijn vaders geld alvast verdeeld moest worden, omdat anders de fiscus ermee vandoor zou gaan. Mijn vader was het hiermee eens en begon met jaarlijkse schenkingen aan zijn kinderen. De afhandeling laat hij in vol vertrouwen over aan mijn oudste broer. Nu is gebleken dat zijn vrouw de jaarlijkse schenking niet alleen aan de drie broers overmaakt, maar ook aan zichzelf. (...) Zo wordt mijn vaders erfenis wel heel onevenredig verdeeld. Hoe moeten we dit aanpakken?’

Etiquette is geen detail. Het raakt aan de vraag wat we onze medemens verschuldigd zijn – een van de grootste vragen in een mensenleven, en daarom ook een constant thema in de literatuur. Het is een kwestie die nooit wordt opgelost.

Privileges

Ik ga zelf klakkeloos mee in het verhaal dat ons land verhardt, dat er steeds meer asociale hufters rondlopen, maar dat gevoel krijgt geen gestalte in cijfers van het CBS.

Volgens Ritsema worden mensen juist steeds beleefder, zei ze in 2020 in een interview met de Volkskrant: ‘Ja, op sociale media wordt flink gescholden, maar face to face zijn mensen doorgaans ontzettend aardig. Als er in de Beethovenstraat een oud vrouwtje met een tas sinaasappels struikelt en die rollen over straat, schiet iedereen toe om haar overeind te helpen en de boodschapjes aan te geven.’

Nu was Ritsema bij uitstek iemand van het stempel ‘leven en laten leven’: als het niet onoverkomelijk is, geen confrontatie opzoeken, en zeker ook niet je met de levens van anderen bemoeien.

Op YouTube vind ik een oude lezing van haar, waarin ze de geboden voor vriendschap formuleert. Ze stelt regels op als: vergeef je vrienden hun eigen gebreken; wees gul; en luister meer dan je praat, evengoed als verboden: brouilleer niet met mensen; lever geen kritiek; en probeer je vrienden niet te veranderen.

En dat brengt me bij mijn favoriete Austen-heldin: Emma, uit de gelijknamige roman. Emma is knap, rijk, aardig en slim, maar een enorme bemoeial die alles denkt te weten, en totaal blind is voor haar eigen privileges.

De meest huiveringwekkende scène speelt zich af richting het einde van het boek, tijdens een groepswandeling op Box Hill. Emma zit met haar vrienden en kennissen in de schaduw uit te rusten van een wandeling, als de charmante en nogal aanwezige Frank het op zich neemt om het gesprek te verlevendigen met een spelletje.

Ieder van hen wordt gedwongen iets te vertellen: één ding wat heel slim is, twee dingen die best interessant zijn, of drie dingen die uitgesproken saai zijn.

‘O, prachtig!’, zegt juffrouw Bates, een oudere vrouw die bekendstaat om haar eeuwige gebabbel. ‘Dan ben ik meteen klaar; wanneer ik maar mijn mond opendoe, zeg ik wel altijd drie niet-interessante dingen, nietwaar?’

En Emma roept vrolijk uit: ‘Ja, maar dan blijft er nog een moeilijkheid. Neem mij niet kwalijk – maar u bent tot een bepaald aantal beperkt: maar drie tegelijk.’

Zodra ze het heeft gezegd, beseft ze dat haar woorden te hard waren. Miss Bates fluistert tegen Mr. Knightley dat ze zich wel vreselijk zal hebben misdragen, als Emma zich zo uitlaat tegen een oude vriendin. Het is Mr. Knightley die Emma vervolgens tot de orde roept:

‘Zie je nu niet in, hoe onkies en onaardig je tegen haar bent geweest? Ze heeft je toch van je prilste jeugd af gekend, ze heeft je zien opgroeien toen zij nog tot de notabelen van de plaats behoorde – en nu lach je haar, gedachteloos en in een opwelling van meerwaardigheidsgevoel, in haar gezicht uit en bespot haar, nog wel in het bijzijn van haar nichtje en van anderen, van wie verscheidenen, of althans sommigen, allicht de manier waarop jij tegen haar optreedt zullen navolgen.’

Nog voor Emma kan antwoorden, zijn ze al bij de koetsen aangekomen. De hele weg naar huis peinst en piekert ze. Ze schaamt zich, ze is kwaad op zichzelf, omdat ze weet dat Mr. Knightley gelijk heeft.

Eindelijk lukt het haar om de wereld vanuit andere ogen te bekijken, vanuit de zijne. Hij laat haar inzien hoe wreed ze in haar slordigheid is geweest. Deze ene confrontatie verandert alles.

Het is geen verliefdheid of koppelpoging die haar haar leven doet beteren, maar een terechtwijzing van een goede vriend (en vooruit, toekomstige love interest), die haar dwingt zich beter te gedragen.

Zoals het voor ons, 21ste-eeuwse lezers, lastig kan zijn om de context van Austens boeken te begrijpen, zo is het voor de personages van die boeken bij vlagen even zo lastig om in te schatten wat wel en niet kan.

Catherine Morland, de heldin van Northanger Abbey, heeft al twee keer een rondrit in een koets gemaakt met een vrijgezelle jongeman voor ze van haar voogd hoort dat het onbehoorlijk is voor een ongetrouwd stel om samen in een koets te rijden.

In een roman zijn de regels uitgeschreven, in een historische roman worden ze geduid met voetnoten, maar voor degenen die de verhalen bewonen, zijn de normen even ongeschreven en mysterieus als voor ons nu.

Als Catherine vervolgens naar een café gaat, zit ze met ingehouden adem te wachten, omdat ze geen zin heeft om nog met Mr. Thorpe te dansen (maar weet dat ze hem niet mag afwijzen als hij haar vraagt), en hoopt met Mr. Tilney te dansen (maar weet niet of hij haar wel zal vragen). Een maar al te bekende ervaring, benadrukt Austen:

‘Elke jongedame kan op dit kritieke moment met mijn heldin meeleven, want elke jongedame heeft bij een of andere gelegenheid dezelfde opwinding gekend. Ze hebben allemaal het gevaar gelopen, of allemaal geloofden ze althans het gevaar te lopen, om achtervolgd te worden door iemand die ze wilden mijden, en allemaal hebben ze vol spanning naar de aandacht verlangd van iemand die ze wilden behagen.’

Gelukkig komt Henry Tilney opdagen en vraagt haar ten dans. Terwijl hij met haar danst, laat hij zich ontvallen dat de hele etiquette wel erg op die van een huwelijk lijkt: ‘De man heeft het voordeel van de keuze, de vrouw enkel de macht om te weigeren.’

Zogenaamd fatsoen

En daar vervliegt de roze waas waarmee ik naar Austens wereld kijk. Mijn nostalgie, mijn verlangen naar zogenaamd fatsoen: begin 19de eeuw hadden de Britten koloniën en slaven, waren de vrouwen rechteloos en machteloos. Niemand droomt toch werkelijk van een sociale hiërarchie waarin je je pijnlijk bewust bent van je meerderen, en gedwongen wordt te wachten tot zij jou aanspreken voordat je iets mag terugzeggen?

In onze maatschappij heeft iedereen (tenminste op papier) evenveel rechten als een ander. Daardoor hebben we, zoals Beatrijs Ritsema vaak uitlegde, geen nood aan vaststaande regels, maar aan flexibiliteit en empathie. We moeten zelf besluiten om rekening te houden met anderen, om ons in hun leefwereld te verplaatsen.

Dat gaat vaak mis, maar als het misgaat, is dat het gevolg van iets geweldigs: autonomie.

Ik zal waarschijnlijk nooit ontspannen op een borrel staan, maar ik kan tenminste zelf uitkiezen met wie ik op die borrel praat. Als ik daarna piekerend en twijfelend naar huis loop, en me afvraag wat ik allemaal verkeerd heb gezegd, kan ik me een Emma wanen, dat verandert niets aan het feit dat ik een eigen inkomen heb, dat mijn geld van mij is, en ik zelf mijn man ten huwelijk heb gevraagd.

En als ik ooit zou besluiten om een heel stuk te wandelen in een lange petticoat, die dan helemaal onder de modder komt te zitten, doet het mijn reputatie geen kwaad. Dat is ook wat waard.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next