Na 37 jaar kruipt Huub Stapel opnieuw in de rol van rechercheur Eric Visser in Amsterdamned II. Over sommige dingen kan de ervaren acteur zijn mond niet houden. ‘Natuurlijk denk ik: hou toch dien moel Huub.’
is verslaggever bij Volkskrant Magazine en columnist.
Huub Stapel beweegt zich met een zeker gemak door de wereld. Voorafgaand aan dit interview belt hij bijvoorbeeld de verslaggever op, roept: ‘Hé Em, met Huub!’ en begint in het Limburgs dialect over zijn drie nieuwe films – niemand noemt de verslaggever ‘Em’, maar Stapel dus wel. Komt hij vervolgens aan bij Hotel De L’Europe in Amsterdam, waar we hem misschien op het dak zouden willen fotograferen, dan staan er vlak daarna twee medewerkers van het hotel klaar die ons door technische ruimtes en over obstakels dat dak op loodsen.
Een paar maanden terug stond Stapel (70) op datzelfde dak, voor een sleutelscène in Amsterdamned II (te zien vanaf 4 december), waarin hij terugkeert als rechercheur Eric Visser. Het moordmysterie dat Visser in 1988 zou hebben opgelost: dat is dus mooi niet opgelost. Beneden in de lobby kiest Stapel een zacht bankje, met zicht op de gracht. ‘Dat is beter dan een stoel, met een dubbele nekhernia.’ Die liep Stapel 37 jaar terug op, bij de opnamen voor de eerste Amsterdamned. Hij sloeg met een speedboot tegen een muur. ‘Een gat in mijn kop, ribfractuur, het botvlies op mijn hoofd gescheurd. Maar na drie weken stond ik weer op die speedboot, met een korset om. Deze duim, daar kun je met een hamer op slaan, dan voel ik nog niks.’
Maar je kunt wel weer op een jetski door de gracht scheuren.
‘Jaren later heeft een orthomanueel therapeut mijn rug helemaal recht geklopt. Dus ik kan alles weer, over het toneel rennen, op een jetski... Het leukste wat er bestaat natuurlijk. Dat zijn allemaal jongensdromen. We hebben eerst een week geoefend. En met dank aan dat autoprogramma dat ik tien jaar heb gepresenteerd, Stapel op Auto’s, lukt dat allemaal wel.’
Geef jou een jetski en...
‘Geef mij een jetski en ik ga gewoon. Maar met dit soort dingen is het ook een beetje: het hebben van de zaak is het einde van het vermaak. Als kind droomde ik van een Harley. Ik heb er vijf gehad, de laatste heb ik toch verkocht toen ik 55 was.’
Zijn je jongensdromen allemaal uitgekomen?
‘Ja, maar dat klinkt wel erg blasé, hè? In 1997 ontmoette ik de baas van de luchtmacht, toen ik de serie Windkracht 10 draaide, en ik zei: ik heb nog één jeugddroom, vliegen in een F-16. In 2001 kreeg ik het telefoontje: het kan. Toen heb ik 1 uur en 20 minuten boven Nederland gevlogen. Dat kon ik afvinken. Shakespeare was ook een jongensdroom: heb ik ook gedaan, in 2017, met King Lear.’
Stapel heeft sinds zijn eerste film, De Lift in 1983, in meer dan 30 toneelstukken en zo’n 120 films en series gespeeld. Aan een tweede Amsterdamned had hij nooit meer gedacht, zegt Stapel: ‘Als ik dat zou doen, moest het leuker zijn dan de eerste. En dit script vond ik leuker, verrassender.’
Je zei in de jaren tachtig over je personage Eric Visser: ‘Ik had daar iets meer psychologie in willen aanbrengen, maar als je daarover begint tegen Dick Maas, dan luistert hij niet eens, want hij is zo eigenwijs als de pest.’ Is dat nu gelukt?
‘Haha, nou... Er zit iets meer vlees op de botten, maar er zit nog steeds geen grote gelaagdheid in. Dat vraagt het genre ook niet. Nee, het is rechtdoor naar school en kantoor.’
Visser is wat ouder, hij maakt zich boos over ‘vegetarische biefstuk’ in de schappen van de supermarkt en probeert vergeefs een piepjonge supermarktmedewerkster te versieren. Hoe is het om dat te spelen?
‘Echt hartstikke leuk. Ik vind dat we in het wokisme een beetje zijn doorgeschoten. Zo ben ik dol op kinderen. Ik heb zelf twee kleinkinderen, ik vind ze geweldig. Maar in deze tijd vind ik het al een ding om een vreemd kind een aai over de bol te geven omdat je meteen denkt: o nee, dan denken ze dat ik een pedofiel ben. Dat vind ik zo erg.’
Dat is wat jij wokisme noemt?
‘Ja, of inclusiviteit. Ik vind dat we totaal zijn doorgeschoten. De indianen hebben iets heel moois, zij hebben vijf genders: alle vijf even belangrijk in de dorpsraad. Dat is toch van een moderniteit waar wij nog nooit van gehoord hebben?’
Dat vind ik eigenlijk wel woke van je, pleiten voor meer dan twee genders.
‘Nee, dat is niet woke, het is er altijd al geweest. Maar nu... Ik denk gewoon: doe maar niet te aardig tegen haar, hou afstand. Ik heb ze allemaal lesgegeven, Touriya Haoud en Sylvie Meis en Chantal Janzen. De een nog knapper dan de ander. Ik heb nooit gedacht: daar moet ik iets mee, ik moet ze vasthouden of op hotelkamers afspreken. Ik had op de toneelschool een docent die meiden uit mijn klas versierde en dat vond ik verschrikkelijk. Dus toen ik ging lesgeven heb ik altijd gewoon gedaan.’
Maar nu gaan we gelijk alle kanten op. Van vegetarische biefstuk naar verschillende genders en MeToo. Dat valt voor jou allemaal onder de paraplu van woke?
‘Ja, ik geloof het wel.’
Even terug. Als je zegt: ik voelde nooit de behoefte om studentes te versieren, waarom ben je dan zo voorzichtig geworden?
‘Ja, geschraagd door verhalen van mensen die niets hebben gedaan en waar tóch beschuldigingen over rondgingen. Mensen zeiden tegen me: kijk een beetje uit. Dat heb ik ter harte genomen. Maar dat past helemaal niet bij mij. Dat is eigenlijk te gek.’
Sommige mensen zullen denken: dat was precies de bedoeling, dat je als beroemd persoon een beetje bedachtzamer bent.
‘Ja, maar dat druist in tegen mijn karakter. Mijn vader aanbád mijn moeder. Zij hadden een heel gelijkwaardige relatie. Ik ben thuis altijd doodgeknuffeld, en dat deden wij met de kinderen ook. En in mijn relatie met Annemiek (Stapels partner, red.) heb ik ook nooit het idee dat wij niet gelijkwaardig zijn.’
Maar MeToo ging niet over knuffelen met geliefden, dat ging over grensoverschrijdend gedrag. En als er naar jouw idee niets misgaat in jouw relaties, kun je toch ook denken: dan was de boodschap van MeToo niet voor mij?
‘Nee, maar ik krijg er toch een residu van mee. Als man zit je potentieel in een gevarenhoek. Ik veroordeel alles wat met machtsmisbruik te maken heeft. Maar ik vind het jammer dat ik er zelf een voorzichtiger mens door ben geworden.’
Vond je het spannend toen die revolutie losbrak? Ging je terugzoeken of er ooit iets was gebeurd wat niet door de beugel kon?
‘Ja. Annemiek zei: Wanneer ben jij aan de beurt? Ik zei: ik kom niet aan de beurt, want ik heb nooit iets gedaan wat ook maar in de buurt komt, nooit met iemand met wie ik werkte alleen op de hotelkamer geweest. Niet omdat ik dacht: over vijf jaar wordt dat een revolutie. Maar omdat dat niet in de lijn lag.’
Nou ja, we zijn hier beland via de vegetarische biefstuk.
‘O ja, daar had ik het ooit met Dick over. Dat is gewoon niet te vreten man.’
Huub Stapel groeide op in het Limburgse Tegelen, in een gezin met zes kinderen. Zijn ouders omschrijft Stapel als ‘uitzonderlijke, liberale mensen in de beste zin van het woord’. Moeder stond achter de toonbank van hun snoepwinkel, vader was vertegenwoordiger in snoep. Stapel heeft lang het idee gehad dat hij de droom van vader Stapel leefde, die ook kunstzinnige talenten had: ‘Hij kon prachtig piano, viool en accordeon spelen, en heel mooi zingen.’
Naar de toneelschool ging Stapel ‘per ongeluk’: ‘Bij mijn toelatingsexamen bij de Maastrichtse toneelacademie zeiden ze: ‘Er is geen talent geconstateerd en ook geen zicht op de ontwikkeling van enig talent.’ Dat zullen we nog weleens zien, dacht ik.’ Na wat omzwervingen kwam Stapel op de docentenopleiding, later mocht hij ‘over’ naar de acteursopleiding. In de zaal bij zijn eerste toneelstuk, Harold en Maude (1981), zat de castingdirecteur van De Lift (1983): Stapels eerste grote succes.
Die eerste jaren stonden in het teken van je films met Dick Maas. Toen sloeg je een andere weg in. Wilde je serieuzer genomen worden?
‘Ja, ook door recensenten werd erop neergekeken. Ik kreeg mijn eerste Gouden Kalf voor de serie De Partizanen, in 1994. Ik had eerder in die zogenaamd juiste hoek kunnen belanden, maar zette me daar ook tegen af. Ik vond het het leukste als ik bij de VPRO in Hoffman’s Honger als Spinoza te zien was en dezelfde avond bij de TROS in Sjans. Ik heb lang gevochten tegen het idee dat als je Johnnie Flodder speelt, je het eigenlijk niet kunt.
‘Ik zet me daar nog steeds tegen af. Het Nederlandse toneel heeft er een ongelooflijke eer in gesteld om zichzelf zo exclusief mogelijk te maken. Bij film is arthouse heel prominent geworden, de publieksfilm wordt niet als volwaardig beschouwd, ook door het Filmfonds. Begrijp me goed, ik ben vóór arthousefilms en culturele werkplaatsen, ik vind het vreselijk wat er gebeurt met de afbraak van subsidies. Het is dat onderscheid dat me stoort. Dat het vooral niet voor de gewone man moet zijn.’
Je groeide op in een katholiek dorp, waar rangen en standen golden. Komt daar je afkeer van onderscheid tussen hoog en laag vandaan?
‘Ja. In de kerk zaten voorin de haves, de fabrikanten en advocaten. Ik vroeg me toen al af: waarom mogen mijn papa en mama daar niet zitten? Mijn ouders gingen daar ook onder gebukt. Het gevoel thuis was: als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje. En op Limburg werd neergekeken, dat voelden we ook. Rond 1965 kregen we een televisie. Als Fred Oster een Limburger nadeed, dan werd mijn vader zo kwaad dat hij bijna de tv uit het raam flikkerde. Het was altijd neerbuigend.
‘Tegelijk zag ik dat mijn vader, met wie ik vaak meeging naar klanten, zelf nooit onderscheid maakte tussen de mensen. Hij dronk overal koffie en had nooit commentaar, noch op de mensen, noch op de koffie.’
Heb je dat meegenomen, dat Limburgse calimerocomplex?
‘Zeker, ik heb daar last van gehad tot ik mijn eerste auditie deed. Die vriendjespolitiek die ik verwachtte, was er niet. Ik kwam er gewoon tussen. Iemand die Stapel heette en uit de snoepwinkel kwam.’
De film die in februari uitkomt, Boomers, is heel persoonlijk voor jou. Die gaat over reclameman Bob, die ooit uit Limburg vertrok en bang is dat hij overbodig wordt. Regisseur Theu Boermans zei dat het de boomer eigen is zijn leeftijd niet te accepteren. Geldt dat ook voor jou?
‘Ik herken in die rol dat ik me nooit zorgen om mijn leeftijd heb gemaakt. Maar toen ik 70 werd dacht ik ineens: kut, ik zit in het laatste trimester. Gisteren ging ik naar het Concertgebouw en zat ik ergens met een clubje. Toen zei Glen Faria (zanger, red.) tegen iemand die mij niet kende: ‘Wát, je kent Huub Stapel niet? Dit is een legende.’ Toen dacht ik: fuck, volgens mij zijn legendes dood. Ik heb steeds het gevoel dat ik 35 ben, maar als ik op de grond moet gaan zitten in een voorstelling, moet ik allerlei strapatsen uithalen. Ik wil gewoon waardig ouder worden.’
Ik las dat je geen seksscènes meer wilde doen, heeft dat ook te maken met waardig ouder worden?
‘Ja. Een jaar of vijf terug heb ik gezegd: niet meer tongzoenen, geen blote borst. Thuis wel, ik ben wel een liefhebber. Maar in de film vind ik het meestal ook erg ophouden.’
Kalm aan doet Stapel niet. Na dit interview speelt hij voor de 66ste keer Het Geluk van Limburg, een muzikale voorstelling over de mijnsluitingen, naar het boek van Marcia Luyten. Naast Amsterdamned II en Boomers verschijnt ook nog de film Champagne.
‘Ik ben ook alweer met de volgende documentaireserie voor Omroep Max bezig, over de geschiedenis van Schokland: ongelooflijk verhaal. Maar weet je wat het is: ik beschouw dat niet als werken. Ik ben altijd onder de mensen, na de voorstelling ga ik de foyer in om wat te kletsen en dan fluitend naar huis. Ik zeg altijd: over tien jaar weten mensen niet waar ze je in gezien hebben, maar wel dat je de moeite nam om met ze op de foto te gaan. Het leven is eigenlijk heel simpel: pretendeer niet dat je meer bent dan een ander.’
Het gaat slecht met de koffie die we besteld hebben, hè?
‘Heel slecht. Wacht, ik bel Robert-Jan.’ (Stapel zet zijn telefoon op speaker)
Robert-Jan Woltering (directeur van hotel De L’Europe, red.): ‘Goedemorgen meneer Stapel!’
Stapel: ‘Morgen meneer Woltering. Weet u waar wij ons bevinden? Op een leuk bankje met uitzicht op het water. Heel leuk, en we hadden koffie besteld, maar die zijn ze vergeten.’
Woltering: ‘Dat is niet zo netjes.’
Nog geen minuut later komt Woltering aanlopen. ‘Wij gaan jullie eens helemaal pamperen. Jullie zijn een lekker interviewtje aan het doen? Oooh, hij ís ook geweldig.’
(Even later: pains au chocolat, koffiebroodjes, water, koffie en champagne op tafel.)
Ik las wat interviews en het viel me op dat je vaak mensen ‘op hun bek wil slaan’. Toenmalig minister van Economische zaken Eric Wiebes wilde je op z’n bek slaan toen je hem op tv hoorde over cultuurbeleid, en toen een collega ooit iets lelijks over je schreef zei je meteen: zal ik op de fiets stappen en hem op zijn bek slaan? Is dat je eerste respons?
‘Ja. Ik denk altijd aan mijn ouders, die hun hele leven zijn genaaid. Toen mijn broer Ruud naar het seminarie ging, zou de kerk helpen met het lesgeld: geen cent hebben ze gezien. De eerste tien jaar van mijn carrière heb ik gefulmineerd tegen Harry Smits, mijn vaders baas. Hij was zogenaamd vergeten pensioenzegels te plakken, waardoor mijn vader geen pensioen zou hebben gehad als hij niet jong was overleden. Ik noemde overal zijn naam tot hij de hut niet meer uit durfde in Tegelen. Jij, mijn ouders koeioneren? Die krijg je terug, rectaal ingebracht. Alsjeblieft. Wat iedereen daarvan vindt, interesseert me werkelijk niets. Woede is een enorm goede drijfveer voor mij.’
Heb je de woede wel onder controle?
‘Ja, dat wel. En wat betreft collega’s: er is er maar één geweest, die kwaad over mij sprak. Die carrière is ten einde, dus daar hoef ik me ook niet meer over op te winden. Hij hield in NRC een soort dagboek bij, waarin over mij stond: Het enige wat hij kan is zijn politiemannenjekkie aan- en uittrekken.’
Ja, dat was Thom Hoffman. Hij noemde jou Wiebe Stoppel.
‘Wiebe Stoppel, ja. Zo’n omhooggevallen snotaap uit Wassenaar. Ja, daar wil ik graag mee afrekenen. Maar ik stap dan toch niet op de fiets om zo iemand op zijn bek te slaan. Tien jaar later speelde ik in Retour Den Haag Ed van Thijn, en hij moest een bijrol spelen. Toen stond in zijn favoriete krant, De Groene Amsterdammer, een kritiek van Walter van der Kooi. Hoe je iemand speelt die nog leeft, laat Huub Stapel zien in de rol van Ed van Thijn. Hoe het niet moet, laat die ander zien.’
Ik heb het gelezen. Het contrast was niet zo groot als je nu schetst, maar jij kwam er wel als beste uit. Maar hij schreef over jou in 1989, die recensie was in 1999. En je hebt het er 36 jaar later nog over. Is dat niet wat rancuneus?
‘Nee. Het is geen rancune, het is rechtvaardigheid, omdat ik vind dat het niet nétjes is, omdat het omhooggevallen is. En er zal best een rancuneus randje bij zitten. Dat kunnen we niet uitsluiten. Haha.’
Is dat jouw zwakte?
‘Absoluut. Het is niet waar ik trots op ben. Ik denk nu ook weer: hou toch dien moel Huub!’ (hou toch je mond Huub, red.)
En in je relatie dan, is het niet onhandig om wraaklustig te zijn?
‘O, maar in mijn relatie speelt dat niet. Mijn meisje kan alles maken.’
Je hebt 473 keer de solovoorstelling Mannen komen van Mars, Vrouwen van Venus gespeeld, naar het boek van John Gray. De boodschap was dat mannen en vrouwen heel anders bedraad zijn. Ervaar je dat in je relatie ook zo?
‘Ja. Maar niet dat ik het mannetje ben en zij het vrouwtje, het is meer dat we anders reageren. Ik blijf die vijf gendersoorten van de indianen interessant vinden, die kan ik ook alle vijf zijn. Ik kan ook lopen als een vrouw, dat heb ik ook in me. Maar zij is thuis meer de baas dan ik. Ik vind het wel prettig als iemand alles voor mij bepaalt. Als Annemiek zegt: ga stofzuigen, ga ik stofzuigen. En strijken, heerlijk, heel meditatief. Ik kan ook goeie groentesoep maken met zelfgedraaide ballen.’
Er komt volgend jaar een nieuwe versie van dat stuk. Wat moet er herschreven worden?
‘Oubollige dingen. Peter Heerschop (de cabaretier, red.) schrijft het, hij heeft kennis van een gedragswetenschapper, Deborah Cameron. Wat zij doet is veel interessanter dan wat John Gray deed. Dat is puur populisme.’
Maar, je gaat me toch niet zeggen dat je 473 keer hebt verteld dat mannen van Mars komen en vrouwen van Venus en dat ze nu toch allebei van dezelfde planeet zijn?
‘Soms zijn ze van dezelfde planeet, dat is het leuke. Je moet het ook niet te serieus nemen, het was vooral amusement. Soms is er niets mis met populisme en soms heel veel. Het populisme van de PVV is verschrikkelijk. Kijk, ik vind het heel leuk dat het sindsdien toch gelijkwaardiger is geworden. Dat vrouwen zich veel minder de kaas van het brood laten eten. Maar sommige dingen blijven waar en grappig. Dat Annemiek voor haar gigantische kast staat, en ze toch niets heeft om aan te trekken. Dat heb ik nóóit.’
In een boek van Roos Moggré sprak je ook over de burn-out die je kreeg toen je 48 was. Vind je het belangrijk als man om kwetsbaarheid te tonen?
‘Kwetsbaarheid heeft er bij mij altijd bij gehoord. Ik heb gewoon heel weinig schaamte. Toen ik 17 of 18 was, heb ik me voorgenomen: ik ga me nooit meer schamen.’
Dat zouden wel meer mensen willen. Maar hoe doe je dat?
‘Ik heb lang redenen gezocht om me te schamen, maar ik kan die gewoon niet vinden.’
Ik las ook dat je in bed hebt geplast tot je 50 was. Ik dacht eerst: een tikfout. Vind je het ook niet erg om daarover te praten?
‘Nee. Ik had het op mijn 50ste met Ernest Weil, een bevriend uroloog, over aangeboren afwijkingen. Dus ik zei: ik plas weleens in bed, tot mijn 17de gebeurde het vrij regelmatig. O ja, zei hij, dan heb je geen anti-diuretisch hormoon aangemaakt. De blaas zit vol bij 300 cc, dan geeft dat hormoon een signaal aan de hersenen. Maar bij mij gebeurde dat bij 30 of 140cc, totaal random. Daar is een middeltje voor, Minrin, ik heb dat toen ook op tv verteld. Honderden mannen hebben mij daarvoor bedankt. Ja, waar zou ik me voor schamen?’
Je schaamt je ook niet voor het NSB-verleden van je vader, dat in 2022 naar boven kwam in het programma Verborgen Verleden. Was dat een schok, omdat hij je bijbracht: geen onderscheid maken?
‘Ja, ik kon er niet bij. Die man die ik zó hoog had zitten, muzikaal, leuk, amusant. Nooit heb ik meer gehuild dan in die week. Maar het beeld kantelde wel, want hij bleek verliefd te zijn geworden op de dochter van de baas van de NSB in Groesbeek. Dus of hij nou zo veel van de NSB heeft geweten... Hij was dirigent van het NSB Amusements Orkest, omdat hij zo muzikaal was. Uiteindelijk is hij in Weert terechtgekomen, in huis bij de baas van het verzet. Daar heeft hij z’n dwaling opgebiecht en toen is hij bij het verzet gegaan. Na de oorlog is hij ontslagen van rechtsvervolging.’
Jij gaat daar dan meteen mee bij talkshows zitten. Je gooit het liefst alles gelijk naar buiten.
‘Ja, dat is het makkelijkst. Dat ruimt ook op, anders ga je zitten tobben.’
Je emoties liggen ook wel aan de oppervlakte. Is dat ook weleens lastig voor je?
‘Ik heb er nooit last van gehad. Als ik ergens zit en Cora van Nieuwenhuizen begint te jokkebrokken, dan zeg ik dat gewoon.’
Je refereert nu aan de Op1-uitzending uit 2022 (daarin zat Stapel tegenover VVD’er Cora van Nieuwenhuizen, die na haar functie als minister van Infrastructuur en Waterstaat een baan aannam bij de energielobby en stelde dat het lobbyverbod niet gold, red.). Je werd erg boos.
‘Ja, ze zei dat ze geen regels had overtreden, maar ik wist dat het tegen de Europese regels was. De ochtend erna belde Pieter Omtzigt en die zei: Meneer Stapel, u had gelijk. Na Op1 kreeg ik natuurlijk de hele VVD over me heen. Dat interesseert me niets, ik zou me juist doodschamen als ik in zo’n geval mijn mond had gehouden.’
Je bent ook op X uitgesproken: de een is knettergek, de ander een mafklapper. Verstap je je ook weleens?
‘Tuurlijk, ik heb berichten gerepost die nepnieuws bleken. Ik ben ook wat terughoudender geworden, nadat ik bij Van Roosmalen en Groenteman iets over Gaza had gezegd. Ik wil vooral Annemiek niet in gevaar brengen met mijn uitspraken. Maar ja, antisemitisme houdt me erg bezig, ook omdat ik veel Joodse vrienden heb. Joden krijgen in Nederland de zwarte piet toegespeeld om wat er in Gaza gebeurt. Je kunt niet meer met een keppeltje door Amsterdam lopen, Joodse scholen worden beveiligd. Ik vind dat de nuance totaal verdwijnt, er is weer een stok gevonden om de Joden mee te slaan.’
Ik zie juist veel mensen opkomen voor de Palestijnen, ook Joden, die het onderscheid tussen Israël en de Joodse bevolking duidelijk maken.
‘Ja, maar die redelijkheid wordt overschreeuwd door de mensen die het hardst roepen. Ik vind dat het nog te vaak wordt verward. Kijk, de groep mensen die op de universiteit voor 4 miljoen schade aanricht, daar kan ik niets mee. Dan ben je toch gewoon van de pot gepleurd? Verzuip hier in de Amstel. Netanyahu is natuurlijk een verschrikkelijke man. Hij wordt in Israël gehaat door een groot percentage van de mensen. Ja, nu ben ik toch weer fel en uitgesproken. Ik ben opgevoed met een te groot gevoel voor rechtvaardigheid.’
Maar je zou met datzelfde gevoel toch ook aan de onrechtvaardigheid voor de Palestijnen kunnen denken?
‘Ja, daarom zeg ik ook: elke dode is te veel.’
Huub Stapel zet in de week van dit interview (met onder andere Hans Teeuwen, Theodor Holman en Esther Voet van het Nieuw Israëlitisch Weekblad) zijn handtekening onder een oproep aan de Universiteit Nijmegen, om aangifte te doen tegen docent Harry Pettit, en hem tijdelijk te schorsen. Pettit noemde op X onder meer de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 een ‘legitieme daad van verzet’ en noemde de leider van Hamas ‘een held’. (Een week na dit interview kondigde Pettit zijn vertrek aan bij de unversiteit.)
Vallen zijn uitspraken niet onder vrijheid van meningsuiting? Jij roept ook van alles.
‘Die moeten ze afzagen boven de enkels, die man. Als ik hem zie, sla ik hem doormidden. Dat zijn oproepen tot geweld. Vrijheid van meningsuiting, zo lust ik er nog zeven. De nazi’s hadden ook vrijheid van meningsuiting, kun je dan zeggen. Hij zegt eigenlijk: ik vind dat die Palestijnen nog niet genoeg kinderen in brand hebben gestoken. Nee, er zijn grenzen. Dit verklaart de Joden vogelvrij.’
Kom je weleens in de problemen als je je hierover uitspreekt?
‘Drie weken geleden nog. Met mijn broers had ik het ook over Gaza, en dan fiets ik er veel te hard in. Ze zijn al honderd jaar geabonneerd op de Volkskrant, dan begin ik over iets wat daarin staat en dan gaan ze van: rustig, Huubke. Dat pakt dan heel verkeerd uit bij hen. Teleurstelling en verdriet. Dan ben ik de eerste die de telefoon pakt.’
En komen jullie ook weleens verder, dat jij zegt: je hebt een punt, of andersom?
‘Nee, ik heb een andere mening. En die hoeft ons broederschap niet in de weg te staan. Je kunt vrolijk van mening verschillen en met respect met elkaar omgaan, zonder dat je elkaar de tent uit vecht. Zij zijn daar beter in dan ik.’
Je bent ook gevraagd om bij Vandaag Inside te gaan zitten. Waarom doe je dat niet?
‘Dan bel ik Jan, mijn oudste broer. Jan is socioloog, hij is de meest bedachtzame. Ik zeg: Jan, ik ben gevraagd voor VI en dat levert waarschijnlijk heel veel geld op. Dan zegt hij: Als je de roeptoeter van de natie wil worden, moet je dat doen. Ik dacht meteen: O God, hij heeft weer gelijk.’
Dan gaat Huub op de foto, op het dak. Hierna stapt hij in de auto naar Kerkrade, waar hij Het Geluk van Limburg speelt in de Rodahal. ‘Ik zei gelijk: dat móét in Kerkrade, want dáár zijn de mensen blijven zitten met die enorme kater na de sluiting van de mijnen. Ik wist ook dat we de Oostelijke Mijnstreek, waar de mensen zich altijd achtergesteld hebben gevoeld, een boost konden geven. En kijk: 80 procent van de mensen die in de Rodahal komen, is nog nooit naar toneel geweest.’
Vanavond is een speciale avond, want Stapel houdt ook nog een toespraak bij een demonstratie tegen de voorgenomen sluiting van het Zuyderland Ziekenhuis in Heerlen. ‘Als je in die regio straks een hartaanval krijgt of moet bevallen, ben je een half uur onderweg. Een zaak van leven of dood. Ik denk: daar gaan we weer. Het is wéér het gas in Groningen, het is wéér de toeslagenaffaire. Ze gaan de mensen die niets hebben wéér een oor aannaaien. En als dat kutkoningshuis 60 miljoen per jaar kost, moeten ze dat pikken? Rot op.’
Daar denk je allemaal aan als je denkt aan het Zuyderland Ziekenhuis in Heerlen?
‘Mijn vader zei altijd: Iech wer geneit mit de box toe (ik word genaaid met mijn broek aan, red.). En dat ga ik vanavond in mijn speech ook zeggen.’
2 december 1954 Geboren in Tegelen.
1976-1981 Toneelacademie Maastricht, docentenopleiding en acteursopleiding.
1981 Harold en Maude.
1983 De lift.
1986 Flodder.
1988 Amsterdamned.
1992 Flodder in Amerika!
1994 Gouden Kalf Beste Acteerprestatie Tv-drama, voor De Partizanen (Theu Boermans).
1994-2004 Stapel op auto’s.
2003 Van God Los.
2012 Moeder, ik wil bij de revue.
2009-2013: Solovoorstelling Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus.
2016-2025 Flikken Rotterdam.
2021 Ferry.
2022 Solovoorstelling Alleen familie.
2025 Het Geluk van Limburg.
2025 Amsterdamned II.
2026 Champagne, Boomers, Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus – het onvermijdelijke vervolg.
2020-heden: Tv-programma’s voor Omroep Max, o.a. Langs de Rijn, Het Dorp, De Grooten Tour van de Gebroeders De Witt, Langs de Schelde.
Huub Stapel woont in Amsterdam met zijn vriendin Annemiek. Hij heeft met zijn ex-vrouw twee kinderen, Sem en Mas, en twee kleinkinderen.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant