is schrijver van ‘autobiografische non-fictie’.
De lichten werden gedimd, en iedereen viel stil. Het meisje was in aantocht. Uiteindelijk stapte ze binnen, en werd op volle sterkte een nummer gedraaid waar haar naam in voorkwam. Iedereen klapte en juichte. Toen ze al haar collega’s, voormalig collega’s en een groot deel van de stamgasten herkende, begreep ze dat het een verrassingsfeestje ter ere van haar was, omdat ze vertrok naar een ver buitenland. Ze huilde een beetje, omhelsde een paar mensen en mengde zich in het gezelschap. Wij zaten uit het zicht, aan de lange tafel.
Ik knipperde met mijn ogen.
‘Ben je nou ontroerd?’, vroeg iemand.
‘Eh, ja’, moest ik toegeven. ‘Ik vond de situatie ontroerend. Als ik haar niet had gekend, en hier toevallig terecht was gekomen, had ik hetzelfde gevoeld.’
Mijn ogen gaan tranen als een heleboel mensen iets samen doen. Ik merkte het voor het eerst in een stadionconcert van Guns N’ Roses dat ik bezocht in de jaren negentig. Het hele publiek zong mee – het zal met Paradise City zijn geweest – en deed massaal een soort ritmisch klapje, en ik schoot vol. Nu identificeerde ik me helemaal niet met dat publiek, ja ik hield ook van die muziek, maar dit waren toch niet mijn mensen. Ze droegen boerenzakdoeken om hun hoofd en sommigen gingen niet naar de wc als ze nodig moesten, maar haalden hun piemel uit hun broek en plasten waar ze stonden. Van mij hoeft niet alles deftig te zijn, maar dat vond ik toch wel een beetje smerig.
Later kwam ik erachter dat ik ook huilerig word van fanfares en andere optochten, van flashmobs (hoewel ik die haat, vooral als het dansjes betreft) en van enthousiast publiek bij politieke bijeenkomsten, ook van heel foute. Het is een eigenaardige eigenschap waar ik verder niets aan kan doen.
We hadden allemaal een tekstberichtje gekregen over dit afscheid, en omdat het op een vrijdag werd gevierd, was het voor ons slechts een kwestie van een paar uur eerder komen. Er volgden toespraken. Een collega-barman van middelbare leeftijd repte steeds over hoeveel ze had geleerd in haar evolutie van vers barmeisje tot bedrijfsleider. Ze had, zo zeiden de sprekers, ook buitengewoon veel werklust en enthousiasme. We konden vanaf onze positie niet iedere spreker identificeren, maar de genegenheid spatte er sowieso vanaf. Zachtjes waren wij alweer over gegaan tot de orde van de avond, d.w.z. drinken, roddelen en klagen.
Alles wat gezegd werd was waar, dit was een magnifieke barvrouw. Efficiënt maar gezellig, en ze leek altijd oprecht blij om ons te zien. Dat is knap, want voor haar waren wij natuurlijk gewoon werk. Zelf ben ik nooit blij om mijn toetsenbord, of tekstverwerkingsprogramma te zien.
Op weg naar het café had ik nagedacht over een paar wijze woorden ter afscheid. Niet dat men veel wijsheid verwacht van iemand die al jaren elke week in dezelfde kroeg zit, want het is duidelijk dat je dan niet veel in je mars hebt. Van reizen weet ik bijvoorbeeld weinig. Nog nooit ben ik naar het land geweest waar zij naartoe ging, veel te ver weg. Uiteindelijk kwam ze nog even naar ons toe.
‘Ik heb een dwingend advies’, zei ik. ‘Maak geen baby’s daar, want dat worden uiteindelijk mensen die daar voor altijd willen blijven, terwijl jij misschien nog eens terug wil komen.’
‘Goed’, zei ze. ‘Geen baby’s.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant