Home

Zeventiende-eeuws Nederlands beter in kaart door oude kranten

Taalkunde Driehonderd vrijwilligers hebben handmatig in vijf jaar vijfduizend ‘couranten’ uit de zeventiende eeuw getranscribeerd. Het leverde taalkundig projectleider Nicoline van der Sijs een schatkist aan materiaal op over de kinderjaren van de krant: stadsbewoners die in advertenties hun verloren dochtertje zochten, de nierstenen van de paus, in de gracht verdronken mannen die geïdentificeerd moesten worden en slavenopstanden.

Printing press. Seventeenth century. Colored engraving of "Gottfried Historical Chronicle." Frankfurt, 1619. (Photo by Ipsumpix/Corbis via Getty Images)

De allereerste Nederlandse krant was een ‘courant’. Hij verscheen in 1618 in Amsterdam. In de loop van de zeventiende eeuw ontstonden er vervolgens een heleboel couranten, met namen als Oprechte Haerlemsche courant, Haegse Post-tydinge en Tijdinghe uyt verscheyde quartieren.

Sinds kort heeft het Instituut voor de Nederlandse Taal vijfduizend edities van zulke zeventiende-eeuwse couranten op zo’n manier online gezet, dat ze uiterst gemakkelijk doorzoekbaar zijn. Het gaat in totaal om 110 duizend krantenartikelen, met een gezamenlijke omvang van 19 miljoen woorden. Iedereen kan erin zoeken. Je hoeft alleen maar ‘couranten corpus’ in te typen, en dan beland je daar vanzelf.

Nicoline van der Sijs, de taalkundige die het project leidt, zegt dat die vele miljoenen woorden interessant zijn vanwege de zeventiende-eeuwse taal die erin wordt gebezigd. „En daarnaast is het ook historisch, economisch en cultuurhistorisch interessant.”

Zelf heeft Van der Sijs vooral een zwak voor de advertenties uit die tijd. Allerlei aspecten van het alledaagse leven sijpelen daar in door. „Je ziet advertenties van gewone mensen die iets kwijt zijn: een hond, of geld, of hun kind. Die laten dat weten in de krant en betalen daar ook voor. Wat mij opviel is dat er nogal eens kinderen vermist werden. Daar kun je je ook wel iets bij voorstellen, Amsterdam bijvoorbeeld was heel druk. Je kind loopt daar de hele dag rond, en opeens ben je haar kwijt. Dan zet je in de krant: meisje vermist, en vervolgens beschrijf je haar helemaal.”

Ook vermiste hondjes worden in detail beschreven. „Een kleyn Romeyns Hontje, het fatsoen [uiterlijk] van een Hasewint, seer fraey en wel gemaeckt, zijnde een Reutje [mannetje], het Hair bleeck fuelje mort [geelbruin], met een Witte Streep op de Borst, en in de Neck een wit Pleckje, de grootte van een Dubbeltje.”

„Zo schattig”, zegt Van der Sijs. Als taalkundige slaat ze vooral aan op de verkleinwoordjes in deze advertentie: ‘hontje’, ‘reutje’, ‘pleckje’, ‘dubbeltje’.

Statenbijbel

„Je hoort vaak dat de Statenbijbelvertaling aan de bron zou staan van het Standaardnederlands. Ik vrees dat dat op scholen nog steeds wordt verteld. Maar het Nederlands van deze kranten wijkt nogal af van het Nederlands van de Statenbijbel. In de Statenbijbel zijn de verkleinwoorden altijd op -ke. In de kranten is het vrijwel altijd -je of -tje.„

Ook slaat Van der Sijs aan op het woord ‘vereering’ in de laatste zin van zo’n advertentie. Dat is de beloning die de eerlijke vinder krijgt. „’Vereering’ laat allereerst zien dat woorden in de zeventiende eeuw heel andere betekenissen konden hebben dan nu. Maar wat ook leuk is: door in al deze kranten op dat telkens terugkerende ‘vereering’ te zoeken, kun je meer te weten komen over wat zo’n hondje waard was, en wat geld überhaupt waard was in die tijd.”

(Original Caption) Interior of a Printing establishment. 17th century.

Driehonderd vrijwilligers hebben handmatig al die vijfduizend kranten getranscribeerd. Dat heeft vijf jaar in beslag genomen. Het moest wel met de hand gebeuren, want de OCR (Optical Character Recognition) bakte er niks van. De couranten zijn deels opgemaakt in de romeinse lettertypen die we nu nog steeds gebruiken, en deels in gotische lettertypen die daarna in onbruik zijn geraakt. Vooral met die gotische letters had de software erg veel moeite. ‘October’ werd gelezen als ‘Oftob;r’, ‘Majesteyt’ als ‘JBaajtfkpt’, en ‘geschreven’ als ‘jgtftlf?e*’. Hopeloos dus.

Vandaar dat er vrijwilligers werden ingeschakeld om de kranten te lezen (te ontcijferen) en zorgvuldig over te tikken. Het waren vooral oudere, hoogopgeleide mensen die het leuk vonden om te doen: een soort close reading van oude teksten.

Sinds kort – want de ontwikkelingen gaan snel – is er software die het zeventiende-eeuwse drukwerk wél redelijk goed transcribeert. Dat levert een leesbaar resultaat op, waarin de vrijwilligers de laatste fouten rechtzetten.

Alle transcipties zijn vervolgens ’taalkundig verrijkt’, wat automatisch gebeurt. Elk woord wordt gekoppeld aan een neutraal trefwoord. Dus ‘doot’, ‘doodt’, ‘doet’ en ‘dood’ worden allemaal gekoppeld aan ‘dood’, waardoor je als je het moderne ‘dood’ als zoekwoord neemt, automatisch ook op alle andere oude spellingsvarianten van dat woord kunt zoeken.

Daarnaast is van elk woord de woordsoort vastgesteld: van zelfstandig naamwoord tot rangtelwoord. „Daardoor kun je preciezer zoeken”, legt Van der Sijs uit. „Misschien wil je meer weten over armoede in die tijd. Dan zoek je op ‘arm’, maar alleen ‘arm’ als bijvoeglijk naamwoord, omdat je anders ook terecht komt bij het lichaamsdeel arm.”

Italiaans marmer of Franse oorlog

Van der Sijs geeft nog een ander voorbeeld van die manier van zoeken. Ze heeft onlangs bekeken wat voor zelfstandige naamwoorden er volgden na de bijvoeglijke naamwoorden ‘Italiaans’, ‘Frans’, ‘Duits’ en ‘Engels’. „Bij ‘Frans’, ‘Duits’ en ‘Engels’ vond ik vooral woorden die te maken hebben met oorlog. En ook al was de Franse cultuur in die tijd erg belangrijk voor ons, daarvan vind je in de kranten weinig terug. Terwijl het woord ‘Italiaans’ wél heel vaak combineert met culturele termen zoals marmer en kunst.”

Wat moet je je voorstellen bij een krant uit de zeventiende eeuw? „Geen plaatjes, alleen tekst. Zoveel mogelijk op één pagina. Heel dicht gedrukt, aan twee kanten van een vel papier. Later werden dat twee vellen papier.”

De nadruk lag op buitenlands nieuws. „Logisch, want er was veel internationale onrust. De Tachtigjarige Oorlog, de Dertigjarige Oorlog. Maar er was ook ruimte voor binnenlands nieuws. Bijzonder, want in andere landen mocht dat vaak niet. Daar had je een sterke censuur en staatstoezicht, terwijl er in de Republiek persvrijheid was. Niet voor honderd procent, want je kon achteraf ter verantwoording worden geroepen door het stadsbestuur. Maar dat gebeurde niet zo vaak. Overigens waren die kranten met binnenlands nieuws wel wat voorzichtiger. Als je in oorlog bent ga je niet vertellen waar de troepen gelegerd zijn.”

En als er iemand vermoord werd in de stad? Haalde dat de krant? „Ja, dat stond er wel in. Maar dan meestal in de vorm van een mededeling vanuit het stadsbestuur: opsporing verzocht. En soms was er iets gestolen en dan liet men dat heel gedetailleerd weten: dit en dit en dit is gestolen. En als mensen dronken in de gracht vielen en nog geïdentificeerd moesten worden: weet iemand wie dit is?”

Nederlandse courant uit de 17de eeuw.

In het begin kwam zo’n krant één keer in de week uit. Later werd dat twee keer, nog later drie. De berichtgeving was heel feitelijk. Geen opinie. Van der Sijs: „Tegenwoordig gaat het in de kranten heel erg over de toekomst, en dat staat mij persoonlijk een beetje tegen, want ik vind het niet zo interessant wat er misschien gaat gebeuren. Ik heb altijd de krant gelezen om te begrijpen wat er nú gebeurt en dat in een context te begrijpen. Dat vind ik wel een belangrijk verschil met die zeventiende-eeuwse kranten. Die speculeren nauwelijks over de toekomst. Ze sluiten een bericht vaak af met ‘dat sal den tijdt leeren‘, of ‘d’uytcomste leert den tijdt‘.”

Handelaren en diplomaten als correspondent

Hoe kwamen ze aan het nieuws? „Er waren heel veel handelaren en diplomaten die langere tijd in het buitenland verbleven. Zij werden gebruikt als correspondenten. Dat was een soort bijbaan. Dus die schreven voortdurend brieven, over wat ze hadden gehoord of meegemaakt in de stad waar ze zaten, maar ook over het achterland. We weten alleen heel weinig van wie dat waren, er staan nooit namen bij.”

Deze brieven werden bewerkt tot nieuwsberichten. Bijvoorbeeld: „Men verstaet met de leste Brieven uyt Italien, dat de Paus…”, waarna het laatste nieuws over de paus volgde, hij had last van nierstenen.

Ook werd er bij binnengekomen schepen geïnformeerd, wat zij wisten. „Schepen hebben een lading, maar ze brengen ook ’tijdinge’,” zegt Van der Sijs. Bijvoorbeeld vanuit Middelburg op 31 maart 1679: „Met de Schepen van Suriname gekomen, heeft men particulariteyt [bijzonderheden], dat den Heer Heynsius als Gouverneur den 21 December aldaer was aengekomen, vindende die Colonie in een bedroefden staet, also [omdat] d’Indianen in een Oproer wel 100 Slaven en 40 Blancken hadden doodt geslagen, 5 Moolens verbrandt en verscheyde Plantagien geruineert.”

Roland de Bonth, taalkundige bij het Instituut voor de Nederlandse Taal, is verantwoordelijk voor de technische kanten van het project. Hij stelde een boekje samen met bijzondere woorden die de vrijwillers hem toestuurden.

Dat zijn voor een deel woorden die in de zeventiende eeuw een heel andere betekenis hadden. Een ‘advertentie’ was een bericht. Als mensen „alle bedenkelyke Vreugde teekenen” toonden, dan betekende dat alle denkbare vreugdetekenen. Iemand ‘matsen’ was iemand doodslaan. En ’tracteren’ betekende onderhandelen.

Ook zijn er in de kranten woorden aangetroffen die nog niet bekend waren. Ergens in een optocht liep ooit een ‘litiermeester’ mee, en in een lijstje van gestolen sieraden wordt een ‘Juweel-Boot’ genoemd.

Maar De Bonths speciale belangstelling gaat uit naar sommige grammaticale constructies. Zoals: tweeledige en eenledige ontkenningen. Die komen in die tijd nog naast elkaar voor. Een krant kon schrijven: „De Cardinalen in ’t Conclave en konden niet resolveren tot het kiesen van een Paus.” Maar het woordje ‘en’, dat hier samen met ‘niet’ een tweeledige ontkenning vormt, kon ook worden weggelaten. Hoe zat dat? En hoe veranderde dat in de loop der tijd?

Ook slaat De Bonth aan op een zin waarin „sijne Excellentie over dit sijn Huwelijck gecongratuleert en gefeliciteert” wordt. „Dit zijn huwelijk” in plaats van „dit huwelijk van hem”. Dat kom je overal tegen in die kranten, zegt hij. „Dit ons Coningrijck”, „dit ons Leger”, „dit sijn reys”.

„Allerlei dingen die taalkundigen ooit beweerd hebben over het zeventiende-eeuws kunnen we nu statistisch onderzoeken. Kijken of het wel klopt.”

Wolvenplaag

Je kunt op allerlei details inzoomen, maar het wordt pas echt interessant als het iets toevoegt aan het grotere verhaal van de Nederlandse taal.

Zoals de vraag of de Statenbijbelvertaling nu wel of niet een belangrijke rol heeft gespeeld in het ontstaan van het Standaardnederlands. Nicoline van der Sijs heeft daar indringend naar gekeken. „De statenbijbelvertalers deden hun werk voor hetzelfde publiek als waar deze kranten voor geschreven werden. De bijbel moest door veel mensen worden gelezen, de krant ook. Dus je zou verwachten dat de kranten keken naar de stijl van de Statenbijbel.”

De bijbelvertalers hadden een soort ‘stijlboek’, een in het Latijn geschreven handleiding waarin allerlei regels werden gegeven voor de spelling van het Nederlands, en ook voor grammaticale dingen.

„De kranten volgen die regels niet”, zegt Van der Sijs. Dus denkt ze dat de rol van de Statenbijbelvertaling voor de vorming van het Standaardnederlands niet zo heel groot was. En misschien was de rol van de gretig gelezen couranten wel groter dan gedacht.

Ondertussen zijn de kranten ook geweldig historisch materiaal. Zoek op ‘wolf’ (en dus ook op wolff, wolve en wulf) en je vindt scheepsnamen zoals ‘de Vliegende Wolf’ en ‘de swarte Wolf’. Maar ook: „Wt Italien werdt geschreven, dat binnen Romen opte Plaets een Wolf jongen geworpen heeft, ’twelck sy voor een wonderlijk teken houden.” En: „Wy hebben alhier Brieven uyt Loven [Leuven], dat men aldaer hoort van veel ongelucken, van alle kanten uyt het landt, van de Wolven, dewelcke door den grooten honger zijn rasende, ende met getal hun by een voegen, ende achter het Landt [overal] loopen, vernielende veel Menschen.”

Wie een bijna-ooggetuigeverslag wil lezen van de moord op Johan en Cornelis de Witt vindt in de Oprechte Haerlemsche Courant van 23 augustus 1672 een bericht van de correspondent in Den Haag: „Men spreeckt hier nauwelijckx anders, als van het schrickelijck eynde” van de broers De Wit, schrijft hij, „’t welck in deser voegen verhaelt werdt”, waarna de moord beschreven wordt en het vervolg daarop. De lijken werden „van veele gesleurt, tot na [naar] de Gerichts Plaets, alwaer beyde met de Voeten om hoogh aan de Wip wierden gehangen, waerna de Borgery sigh stil heeft gehouden; maar zijn voorts van Iongens en andere niet alleen van Kleederen ontbloot, maar Neus, Ooren, Vingeren en diergelijcke Leden afgesneden, en voor Geldt verkocht, jae de Borst geopent, ’t Hart ende andere Ingewanden uytgehaelt.” Dichter dan dit verslag kom je er niet bij.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next