Home

‘Achteraf schrok ik dat ik tot zoiets in staat was’, zegt de Molukse gijzelnemer nu

Gijzeling Op 4 december 1975 bezetten zeven jonge Zuid-Molukkers het Indonesisch consulaat in Amsterdam. Ze wilden hun dorpsgenoten steunen, die net een trein bij Wijster hadden gekaapt. Vijftig jaar later kijken gijzelnemers én gegijzelden terug.

Tijdens de gijzeling werden regelmatig tassen met eten bij de deur gezet. Hier halen twee van de gijzelnemers, Otjep Hully (links) en Joop Ririmasse (rechts) ze op.

Vijftig jaar geleden kruisten de levens van Anita Hoeboer en Otjep Hully elkaar. Zij werkte bij een reisbureau in het Indonesisch consulaat in Amsterdam, hij was een van de zeven jonge Molukse mannen die daar een gijzeling begonnen. Het was december 1975, Queens ‘Bohemian Rhapsody’ was net uit en op weg naar de eerste plek van de Top 40. Op de radio waar de gijzelnemers de hele dag naar luisterden werd het liedje veel gedraaid.

„Het was zo onwerkelijk”, zegt Hoeboer terugkijkend. Nog altijd brengt het liedje haar terug naar die huiveringwekkende dagen. Is this the real life, is this just fantasy?

Ook haar gijzelnemer Otjep Hully herinnert zich ‘Bohemian Rhapsody’, en de delen van de tekst waar híj zich, bereid zich op te offeren voor waar hij in geloofde, aan vastklampte. If I’m not back again this time tomorrow, carry on, carry on.

‘We moesten iets doen’

Op de avond van 2 december 1975 was het druk in het jeugdhonk van de Molukse wijk in Bovensmilde, in Drenthe. Die ochtend hadden zeven jongens uit het dorp een trein gekaapt bij Wijster, twintig kilometer zuidelijker. De machinist en een passagier waren door hen doodgeschoten. In het jeugdhonk ging het vanzelfsprekend over niets anders. Otjep Hully was destijds 23 jaar oud en herinnert zich de solidariteit met de kapers, jongens met wie ze waren opgegroeid. „We moesten ook iets doen, vonden we.”

De treinkaping paste in de tijdgeest. „Overal in Nederland liepen Molukse jongeren rond met de gedachte om naar gewelddadiger middelen te grijpen”, zegt Hully. „Er werden bankovervallen gepleegd om aan geld voor wapens te komen, er waren inbraken in kazernes en wapenopslagplaatsen. De sfeer was: als Nederland niet wil luisteren, dan maar met geweld.”

De woede was een gevolg van hoe hun ouders behandeld waren. Die hadden gediend in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), dat in 1950 was opgeheven, en werden daarna met hun gezinnen naar Nederland getransporteerd. Het was veelal tegen hun zin – wat ze wilden was zich inzetten voor een eigen staat, de Republiek der Zuid-Molukken (RMS), binnen wat nu het Indonesië van Soekarno was. Ze weigerden over te stappen naar het Indonesische leger, maar Indonesië wilde niet dat ze op de Molukken of in de buurt daarvan zouden worden gedemobiliseerd.

In het voorjaar van 1951 kwam de vader van Otjep Hully, sergeant David Hully, zodoende met ruim vierduizend andere Molukse militairen en hun gezinnen naar Nederland. Bij aankomst werden alle mannen uit het leger ontslagen en met hun gevolg weggestopt in voormalige concentratiekampen. Het gezin Hully kwam in Schattenberg terecht, voorheen Westerbork.

Daar werd een jaar later zoon Otjep geboren. Wat hem het meest bijbleef van zijn jeugd waren de nachtmerries van zijn vader, die in 1942 samen met zijn broer Hein door Japanners krijgsgevangen was genomen. „De Jappen bevalen oom Hein over de Nederlandse vlag te lopen en het portret van Koningin Wilhelmina te bespugen”, vertelt Hully. „Hij weigerde. Hij is voor mijn vaders ogen onthoofd.” Het trauma kwam steeds weer boven. „Op een nacht hoorden we moeder gillen. Mijn vader probeerde haar in zijn slaap te wurgen. Het was een horrorfilm.” Zijn moeder werd in die tijd verteerd door heimwee. „Ze zat vaak in gedachten verzonken voor het raam met een gezangenbundel.”

Onlangs verscheen het boek De pijn is hard, omdat ik zacht ben van de Molukse psycholoog Bram Latumahina (1957) over het „intergenerationeel trauma van de Molukkers”. „Voor de mannen van de eerste generatie was het begin jaren zeventig nog steeds oorlog”, zegt hij. „Sinds 1942 leefden ze in onvrijheid. Hun achtergelaten families op de Molukken werden onderdrukt door Indonesië. Ze konden niet helpen. De jongeren van de tweede generatie voelden hun pijn en verdriet en namen dat trauma over. Ze voelden dat ze de strijd moesten overnemen van hun uitgeputte vaders.”

Ze hadden zich altijd loyaal aan Nederland betoond, maar Nederland deed niets aan hun situatie en spande zich niet in voor de RMS. Ze werden vergeten.

Een uzi in een sporttas

Het gevolg waren de gewapende acties van de jaren zeventig. Het vasthouden aan het ideaal van een eigen Molukse staat was voor veel Zuid-Molukkers een overlevingsmechanisme, aldus Latumahina. „Het werd gezien als een rechtvaardige strijd die ze niet wilden opgeven.”

Het begon toen Indonesië in 1966 RMS-president Chris Soumokil executeerde, die een guerrillaleger had aangevoerd. Als reactie daarop gooiden Molukse jongeren in Nederland, die de strijd van hun vaders verloren zagen gaan, brandbommen naar de Indonesische ambassade in Den Haag. Toen de Indonesische president Soeharto in 1970 Nederland wilde bezoeken, bezetten 33 Molukkers, onder wie vijf uit Bovensmilde, de residentie van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar. Een agent kwam daarbij om het leven.

Kamp Schattenberg was kort daarvoor opgeheven en veel gezinnen daaruit waren in een speciale wijk in Bovensmilde gehuisvest. Daar vonden de jongeren elkaar in de kerk, bij jongerenverenigingen en sportclubs om te praten over het onrecht dat hun families was aangedaan. „De behoefte om met elkaar van gedachten te wisselen was groot”, zegt Otjep Hully. „In autonome groepjes bespraken we de mogelijkheden. We bedachten de actie ‘noodrem’, waarbij in heel Nederland treinen stilstonden. We kalkten RMS-leuzen op gebouwen en viaducten en verstoorden een parlementsvergadering door pamfletten vanaf de publieke tribune te strooien.”

Demonstratie bij het 30-jarig bestaan van de RMS.

Op 27 december 1974 bestormden ze na een vreedzaam begonnen demonstratie het Vredespaleis in Den Haag. „Vlak daarvoor was ik voor het eerst benaderd voor een gewapende actie”, vertelt Hully. „Ik heb ‘nee’ gezegd, maar bereidde me vanaf dat moment mentaal voor op een gewapende actie.”

Hij luisterde aandachtig naar wat zijn vader vertelde over militaire tactieken en kocht een uit een NAVO-depot gestolen uzi en een 5.5 mm long rifle. Hij wikkelde ze in zeildoek en borg ze op in een sporttas, samen met een baret met RMS-logo, masker, bijbel en een Molukse vlag.

Ook Henkie Metekohy, een leeftijdsgenoot van Hully, bereidde zich voor. „Mijn oudste broer haalde in België vuurwapens, waarmee we in het bos oefenden. Mijn zus woonde in Amsterdam. In de zomer van 1975 logeerde ik daar en heb mogelijke doelwitten verkend.”

Hully en Metekohy wilden Indonesië treffen, niet per se Nederland. Indonesië bezette hun eilanden, onderdrukte hun families en had Soumokil vermoord. De treinkaping bij Wijster, waar de broer van Metekohy aan meedeed, was het laatste zetje dat ze nodig hadden.

Op de avond van 3 december, toen de treinkaping tussen de weilanden bij Wijster een dag bezig was, kwamen de Molukse jongeren uit Bovensmilde weer bij elkaar. Opnieuw bespraken ze de mogelijkheden voor een eigen actie. Het provinciehuis en gemeentehuis in Assen werden genoemd.

Tot Metekohy zei: „Het Indonesisch consulaat in Amsterdam.”

Met zijn beste vriend Bob Solisa, ook begin twintig, nam hij de trein naar de hoofdstad. De vriend van Metekohy’s zus, Joop Ririmasse, was daar al en zou voor meer wapens zorgen.

Ondertussen had Hully thuis zijn sporttas opgehaald. Hij vertrok zonder afscheid van zijn familie te nemen. 

Henkie Metekohy en Otjep Hully (met pet) in een still van de aflevering ‘De vergeten gijzeling’ van Andere tijden (NTR).

De geweerloop viel op straat

De groep, die uiteindelijk uit zeven jonge mannen zou bestaan, verzamelde zich rond middernacht in het huis van Metekony’s zus aan de Haarlemmerdijk. Daar namen ze het plan door. Er waren alleen foto’s van de buitenkant van het gebouw, niemand wist hoe het er van binnen uitzag. Tot Hully’s ergernis had niet iedereen een wapen. „Maar we kenden elkaar door en door. We wisten dat we allemaal ons leven zouden geven voor de zaak en op elkaar konden rekenen.”

Bewust van de impact daarvan in Wijster – waar de volgende dag een derde dode zou vallen – spraken ze af geen slachtoffers te maken. Ze sliepen nauwelijks. De volgende ochtend vertrokken ze in groepjes richting hun doel. Metekohy: „Een van ons, Anies Sihasale, had zijn long rifle onder een lange jas. Opeens een kabaal. Was de loop ervan losgeraakt en op straat gevallen. Voorbijgangers zagen het, maar niemand zei wat.”

Rond het middaguur hadden ze zich verzameld bij een groenteboer op de hoek van de Emmastraat met de Valeriusstraat. In groepjes van twee liepen ze vervolgens richting de Brachthuijzerstraat, honderd meter verderop. „Met mijn uzi zou ik rugdekking geven”, vertelt Hully. „Opeens verscheen een politieauto. De agenten bekeken me. Ik rolde rustig een shagje en groette. Ze reden door. Bij het consulaat kwam ik ze opnieuw tegen, blijkbaar hadden ze een rondje gereden. Ik richtte mijn uzi op ze. Achteruit stoven ze weg.”

Anita Hoeboer was toen 19 jaar oud en werkte met een collega voor het op de begane grond gevestigde reisbureau Intras Travel. Het was bijna lunchtijd. Haar moeder was in Nederlands-Indië geboren en getraumatiseerd uit een Japans interneringskamp gekomen, haar Nederlandse vader was Indië-veteraan. Ze zag twee Molukkers binnenkomen, ze vermoedde voor een reis naar de Molukken. „Opeens zette één van hen een mes op de keel van mijn collega en schreeuwde: ‘Dit is een gijzeling!’”

Het was Ririmasse, die met Solisa voorop was gegaan. Inmiddels was ook Metekohy binnen, samen met de fanatieke Walter ‘Ottek’ Lumalessil. Zij richtten zich op de bewaker in de hal. Omdat de man een pistool had, sprong Lumalessil over de balie heen, bovenop de bewaker. „Het was een enorme chaos”, herinnert Metekohy zich. „Overal deuren, overal ruimtes. En overal geschreeuw, iedereen rende alle kanten op. In de kelder bleek een schooltje met diplomatenkinderen te zitten. Hadden we totaal niet op gerekend.”

De jonge Anita Hoeboer klapte volkomen dicht. „We moesten meekomen naar de tweede verdieping, waar aan de voorkant een grote vergaderzaal was. In de hal rende mijn collega op de klapdeuren af en ontsnapte. Ik was zo in shock dat ik haar niet volgde.”

Op de derde verdieping was de in Nederlands-Indië geboren Arthur van Asdonck (28) van reisbureau Nitour in gesprek met een klant toen vanuit het trappenhuis Otjep Hully met zijn uzi verscheen. Hij sommeerde de twee om naar beneden te gaan.

‘Ga, of ik schiet jou’

Terwijl de anderen de gijzelaars bewaakten doorzochten Hully, Metekohy, Solisa en Lumalessil het vijf verdiepingen tellende gebouw.

Vanuit een kamer op de eerste verdieping zagen ze dat mensen vanuit een raam één verdieping hoger probeerden te ontsnappen door zich met een touw richting de straat te laten zakken. Eén van hen hing precies in hun zicht. Lumalessil schoot met zijn pistool; toen de kogel afketste op de ruit loste Hully een salvo met zijn uzi. De man viel. Vanaf de overkant vuurde de inmiddels gealarmeerde politie een kogelregen op hen af.

De vier renden omhoog, naar de ruimte waar het touw vandaan kwam. Hully: „De deur was gebarricadeerd. We haalden de Indonesische bewaker – een forse man die meer kracht zou kunnen zetten. Ik zei: ‘Jij springt tegen die deur en gaat naar binnen.’ ‘Maar ze schieten!’ jammerde hij. Ik zei: ‘Ga, of ik schiet jou!”

De bewaker forceerde de deur. De kogels vlogen hen om de oren. Op de vensterbank zag Hully een man zitten die aanstalten maakte om te springen. Op het moment dat Hully een beweging naar voren maakte om de man te grijpen, zoefde een kogel rakelings langs zijn hoofd. „Ik vuurde een salvo richting de vuurmond en dook onder de vensterbank. Toen richtte hij zijn uzi weer op de bewaker. ‘Zeg dat ze stoppen!’ schreeuwde ik.”

De man die uit het raam was gesprongen heette Endang Eddy Abedy, een Indonesische diplomaat van in de vijftig.

Niet alleen de politie was inmiddels met veel agenten ter plaatse, ook buurtbewoners hadden door wat er in het consulaat aan de gang was. Op de stoep voor het gebouw hadden ze een matras neergelegd. Drie mannen waren inmiddels op die manier beneden gekomen, van wie er één in de buik was geschoten door Hully. Abedy miste het matras en landde op zijn stuitje. Hij overleed enkele dagen later.

Hully beseft dat hij mede schuld heeft aan de dood van de diplomaat, en dat ook de man die hij in de buik had geraakt had kunnen sterven. „Achteraf ben ik geschrokken dat ik tot zoiets in staat was”, bekent hij. „Ik keek het monster in mezelf in de bek. Maar voor onze zaak had ik alles over, ook mijn eigen leven. Ik was stapelgek op mijn vriendin, maar de stem dat plicht riep, klonk harder dan de stem van de liefde. De gijzeling zag ik als mijn laatste levensdaad.”

De omgeving van de Brachthuijzerstraat werd door de politie hermetisch afgesloten met prikkeldraad en pantserwagens. Speciale, voor dit soort calamiteiten opgeleide mariniers stonden klaar om in te grijpen. Op de daken rondom lagen sluipschutters.

De Molukkers hadden de RMS-vlag die Hully tijdens zijn voorbereiding had ingepakt aan het gebouw gehangen. Tot hun frustratie zaten er onder hun 45 gijzelaars, onder wie vijf Nederlanders en vijftien kinderen, geen hoge Indonesiërs. De consul was voor overleg – over de treinkaping, nota bene – in Den Haag. In zijn vergaderzaal op de tweede verdieping plaatsten ze de mannelijke gijzelaars zo ver mogelijk bij de deur vandaan. De vrouwen zaten bij het raam en het balkon; het zou de militairen weerhouden daar aan te vallen, redeneerden ze. Het meubilair werd gesloopt om op te liggen, winterjassen dienden als beddengoed.

Hoeboer: „We moesten ons regelmatig tellen in het Maleis: satu, dua, tiga… Ik kan het nog. ‘Als er iemand ontbreekt, schieten we twee mensen dood,’ zeiden ze.”

Arthur van Asdonck, de man van het reisbureau op de derde verdieping, zat het verst van de deur, samen met de klant die hij aan het bureau had toen de gijzeling begon. „Ik kwam erachter dat hij net als ik aan karate deed. We fluisterden tegen elkaar: ‘Als ze gaan schieten, trappen we de balkondeur in en springen naar beneden.”

Een geblinddoekte gegijzelde op het balkon van het consulaat.

De man op het balkon

In een kamer tegenover de vergaderzaal richtten de Molukkers een eigen slaapplek in. In de eerste uren werkte de telefoonverbinding nog. Hully en Metekohy waren verbaal het sterkst en werden aangewezen als woordvoerders. Nog diezelfde middag belde een radiojournalist, Metekohy nam op. De journalist vroeg waarom ze dit deden. Metekohy antwoordde: „Nederland heeft ons 25 jaar slecht behandeld. Wij zijn geen moordenaars, Nederland heeft ons gemaakt tot moordenaars.” Hij beloofde dat de gijzelaars niets zou overkomen als ze niet werden aangevallen. Het gesprek werd rechtstreeks op de radio uitgezonden.

Over hoe het nu verder moest en wat ze zouden eisen hadden ze niet nagedacht. Er was geen direct contact met de treinkapers bij Wijster; alleen via televisie en de radio (in nieuwsbulletins voor of nadat ‘Bohemian Rhapsody’ weer was gedraaid) kregen ze mee wat daar gaande was. De kapers wilden dat Nederland de Molukse onafhankelijkheid zou steunen en verklaarden de actie pas te zullen beëindigen als zij ervan overtuigd waren dat de Nederlandse regering ‘het recht zal doen geschieden’. Ook eisten ze een bus en een vliegtuig om te vluchten.

De zeven in het consulaat hadden inmiddels wel een telefoonverbinding met onderhandelaars. Ze eisten dat de dominee die ze kenden van de kerk in Bovensmilde, Samuel Metiary, bij hen langs zou komen. Deze man had hen vaak vanaf de kansel verteld welk onrecht hen was aangedaan. Maar de politie vertrouwde Metiary niet.

De Molukkers besloten daarom op de tweede dag gijzelaar Saka Datuk, een veertiger die onderwijzer was bij het schooltje in het gebouw, op het balkon te zetten en dreigden hem te executeren. „Hij was een hoogopgeleide Javaan,” zegt Van Asdonck. „Hij stoorde zich aan het Maleis van de Molukkers en sprak hen daarop aan. Ze bonden een snoer om zijn nek en zetten hem in zijn hemd op het balkon.”

De beelden gingen de wereld over. Achter Datuk stond Sihasale, zijn lange geweerloop duidelijk zichtbaar.

Uiteindelijk stemden de autoriteiten in met de komst van de dominee. Samuel Metiary was militanter in zijn politieke opvattingen dan RMS-president Johan Manusama en daardoor populairder bij jonge Molukkers. „We ontvingen hem in een kantoortje”, zegt Hully. „Hij herkende iedereen en ik zag trots in zijn ogen, maar ook verdriet. Hij verzuchtte: ‘Mijn eigen jongens, die ik zelf heb gedoopt en de kerkelijke belijdenis heb afgenomen.’ Hij benadrukte dat we geen slachtoffers mochten maken, zoals in Wijster. Daarna verzekerde hij de gijzelaars dat ze niks te vrezen hadden en dat hij alles in het werk zou stellen om hen zo snel mogelijk vrij te krijgen.”  

Hully liet hem weer naar buiten. „Bij het afscheid zei hij: ‘Als ik geen dominee was, was ik jullie generaal.’ Het was voor mij een verborgen boodschap dat wij moesten volhouden.”

De vrijlating van gegijzelde kinderen bij het Indonesische consulaat, 4 december 1975.

Dominospel van karton

Na een dag of vijf werd de sfeer in het consulaat gemoedelijker. Alle kinderen waren inmiddels vrijgelaten, net als enkele ouderen en zieken, zoals Saka Datuk, die aan de tijd dat hij in zijn hemd op het balkon moest staan een longontsteking had overgehouden. De Molukkers waren minder gespannen, de overgebleven gijzelaars hadden zich aangepast aan de situatie. Twee keer per dag werd er eten bezorgd. Het werd bij de ingang gezet in kratten, waar de agenten microfoontjes in hadden verborgen.

Van Asdonck zegt dat ze één keer vragen mochten stellen aan de Molukkers over hun beweegredenen. „Ik had begrip voor hun uitleg”, zegt hij. Mijn vader had ook bij het KNIL gezeten. Wij hadden ook het Indonesische geweld meegemaakt.”

Van karton van kalenders maakten ze een dominospel, en ook waren er speelkaarten. Dagelijks deden ze gymnastiekoefeningen. Hoeboer herinnert zich dat ze op een moment mochten douchen en dat er schoon ondergoed was. „Als je naar de wc wilde, moest je je hand opsteken. Een van hen ging dan mee. Ze waren streng. Ook moest ik een keer hun eisen uittypen en af en toe helpen eten ophalen.”

Ze hoorde van alles buiten. „We hadden continu angst voor een aanval. Die jongens schreeuwden dan veel tegen elkaar. En als ik ergens niet tegen kan, is het schreeuwen. Toen we er na tien dagen nog zaten, zeiden ze: ‘Jullie zitten hier met Kerst nog.’”

Hoeboers angst was gegrond. In het Olympisch Stadion werd geoefend met een hoogwerker die containers met daarin mariniers tegen het gebouw zou plaatsten – het werd later toegepast bij kraakpanden. Aan de achterkant van het gebouw werd dynamiet geplaatst. Toen de Molukkers hoorden dat daarvoor in het gebouw werd geboord, dreigden ze met de executie van een Indonesiër. Hully: „Omdat we een aanval vermoedden heb ik hem geblinddoekt en gezegd: ‘Beter één dood dan wij allemaal.’ Ik vuurde op de grond tussen zijn benen. Tegelijkertijd prikte ik met mijn andere vinger op zijn borst. Hij dacht natuurlijk dat hij werd geraakt en liet zich vallen. Ik deed zijn blinddoek af en zei: ‘Jij belt met de politie en vertelt wat er is gebeurd. Als ze niet stoppen, schiet ik je dood.’”

Het boren stopte.

Op zondag 14 december, twaalf dagen nadat de treinkaping bij Wijster begonnen was, gaven de treinkapers zich over. De kou en de slechte hygiënische omstandigheden hadden daarbij een rol gespeeld, net als berichten dat families op de Molukken gevaar liepen. „Omdat wij Indonesische gijzelaars hadden, besloten we vol te houden”, zegt Hully. „We konden zo Indonesië dwingen om gesprekken over de RMS aan te gaan.”

Motiverend voor hen werkte ook een op 10 december in Moordrecht afgegeven verklaring van alle Molukse belangenverenigingen dat ze achter de actievoerders stonden, al betreurden ze wel dat er slachtoffers waren gevallen. Ondertussen ging de vermoeidheid een rol spelen. „Ik zat er flink doorheen”, zegt Metekohy. „We sliepen nauwelijks, moesten continu alert zijn. We hadden het gevoel dat de onderhandelaars alles wisten over hoe het er binnen aan toe ging. We beseften dat we werden afgeluisterd.”

Maar anders dan in de trein had het consulaat verwarming, sanitaire voorzieningen, genoeg eten. En veel drank en rookwaren – vanwege de feestdagen hadden de consulaatmedewerkers taxfree goederen mogen bestellen, als cadeaus voor familie en relaties. De lading was daags voor de gijzeling bezorgd. De Molukkers maakten daar gretig gebruik van. „Ik had voor mijn vader Havannasigaren besteld”, zegt Van Asdonck. „De kokers daarvan werden gebruikt om nepexplosieven van te maken. Ze zaten bevestigd aan de ramen.”

Op donderdag 18 december, toen de gijzeling twee weken bezig was, ontvingen de Molukkers Johan Manusama, de RMS-president in ballingschap die vier dagen eerder ook had bemiddeld bij de treinkaping. Hij had een boodschap van Metiary. Metekohy: „Die luidde: jullie zijn wereldnieuws en hebben de RMS op de kaart gezet. Er komt een gesprek tussen de RMS en Indonesië. Jullie geven je niet over, maar stoppen de actie.”

De gijzelaars hoorden dat ze de volgende dag vrij zouden zijn.

De gegijzelden, onder wie Anita Hoeboer (de vrouw vooraan, naast de man met de witte tas) verlaten het consulaat als de bezetting voorbij is op 19 december 1975.

Slapen in de cel

Na een gezamenlijke maaltijd verschoten de Molukkers in de kantine op de vijfde verdieping hun munitie op lege drankflessen. Hully: „Daarna hebben we onze wapens vernietigd en tot diep in de nacht gekaart en gedronken.” Hoeboer: „We hoorden ze boven lachen en zingen. Heel mooi, als een ritueel.”

De volgende ochtend hadden zich buiten, achter dranghekken, familieleden van gijzelaars en pers verzameld. Vanaf de tweede verdieping zwaaiden de gijzelaars naar hun geliefden. Vervolgens werden ze naar de hal geleid. Volgens Van Asdonck gaven de Molukkers hen allemaal een hand. „Ze zeiden dat het hun speet dat ze ons erbij hadden betrokken.”

Voor de ingang verscheen een bordeauxrode stadsbus. In kleine groepjes liepen de gijzelaars erheen, zwaaiend naar hun familieleden, met wie ze even later in politiebureau De Eenhoorn werden herenigd.

Daarna gingen Lumalessil en Hully naar boven. Voor het oog van de wereldpers rolden ze ongemaskerd de RMS-vlag op – die hangt tegenwoordig in de sportzaal van het Molukse centrum Molo-Oekoe in Bovensmilde. Beneden wachtte de politie hen op. Een voor een werden ze in een volkswagenbusje geduwd. Langs de Valeriusstraat keken nieuwsgierigen hen na, sommigen met gebalde vuist.

De zeven werden afzonderlijk van elkaar opgesloten en verhoord. Vanwege het bezit van de gestolen uzi moest Hully het ontgelden. „Ik zat drie dagen in een onderbroekje in een koude cel, alleen ’s nachts kreeg ik een deken. Tijdens de verhoren schreeuwde een agent continu tegen me: ‘Van wie heb je die uzi?’ Op een gegeven moment gooide hij een typemachine naar me.”

Metekohy was uitgeput. „Ik heb in die cel alleen maar geslapen.”

Ook hij werd verhoord. „Ze begrepen maar niet dat we onvoorbereid en spontaan een actie waren begonnen. De link met mijn broer in de trein legden ze niet.”

Ze kregen elk zeven jaar gevangenisstraf, waarvan ze er ruim vier uitzaten. Na hun vrijlating spraken ze nooit meer uitgebreid over de actie, tot ze dit jaar werden benaderd door tv-programma Andere Tijden.

De Molukse vlag wordt binnengehaald bij het consulaat na het beëindigen van de gijzeling, op 19 december 1975.

Elk jaar in december stil

„We hebben het niet voor onszelf gedaan, maar voor de RMS”, zegt Hully, die is getrouwd met zijn toenmalige vriendin. „Veel Molukse jongeren waren destijds bereid de wapens op te nemen. Toevallig waren wij de eersten. Wij waren niet bijzonder en wilden ons niet als zodanig profileren.”

Metekohy, die op de pabo zat, is nooit onderwijzer geworden. „Ik had kinderen gegijzeld. Dat rijmde niet.”

Met andere oud-actievoerders heeft hij een stichting die onderwijsprojecten op de Molukken steunt. „Het is een van de rijkste gebieden van Indonesië, maar wordt leeggeroofd. We proberen de mensen daar weerbaar en bewust te maken.”

Vaak is hen gevraagd of ze spijt hebben. „Het verdriet, de boosheid, de teleurstelling en de bitterheid jegens de Nederlandse regering van onze ouders brandt nog altijd op ons netvlies”, zegt Hully. „Zij kwamen tegen wil en dank in Nederland terecht. Persoonlijk had ik toen geen andere keuze. Voor mijn gevoel streden we voor een rechtvaardige zaak. Als wij het niet deden, wie dan wel? Wij noemen dat korban: offerbereidheid om je leven te geven zodat anderen door kunnen gaan.”

Toch wil hij het verdriet van anderen niet bagatelliseren. Want hun gijzelaars kampen nog altijd met de naweeën, de een meer dan de ander. „Mijn vrouw vond me naderhand rustiger geworden”, zegt Van Asdonck. „Ik zie sinds de gijzeling de betrekkelijkheid van alles in.”

Hoeboer, inmiddels 69 jaar oud, bleef bij het reisbureau werken, dat op een andere locatie werd heropend. „Elke keer als er Ambonezen een reis kwamen boeken, kreeg ik een paniekaanval. Op mijn 25ste werd ik afgekeurd. Elk jaar in december zonderde ik me af en werd ik stil. Ik heb nog altijd moeite met donker en winter.”

Ze heeft geen hekel aan Molukkers, benadrukt ze. „De gijzeling was een daad van onmacht. Maar het heeft wel mijn leven beïnvloed.” Na veel privésores verhuisde ze afgelopen september naar Spanje. De kans is groot dat ‘Bohemian Rhapsody’ vijftig jaar na de release weer bovenaan staat in de Nederlandse Top 2000, maar het zal aan Anita Hoeboer voorbijgaan.

Dit artikel is gebaseerd op uitgebreide voorgesprekken met de betrokkenen die gehouden werden voor het NTR-geschiedenisprogramma Andere Tijden. Het tweeluik ‘De vergeten gijzeling’ van Tom Kleijn en Bram de Graaf werd dit najaar uitgezonden.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next